Toch nog een mooi fotootje

Johan de Vos, Nogal onfatsoenlijk maar zeker verleidelijk: Over de onvergetelijke foto’s. Uitg. Jan Mets/Kritak, 192 blz., f45,-
BOVENAAN HET schoolrapport, ver verheven boven alle andere cijfers, stond het cijfer voor vlijt. Iedereen was er heilig van overtuigd dat niets zomaar kwam aanwaaien. Overal moest voor gewerkt worden, geploeterd, geoefend. Als je niet vreselijk je best deed, kwam er niets van je terecht. In de klas opletten en voor het eten je huiswerk af hebben.

’s Nachts droomde ik van transatlantische vluchten. Een stewardess kwam in mijn oor fluisteren dat de gezagvoerder en de tweede piloot een voedselvergiftiging hadden opgelopen. Of ik de stuurknuppel wilde overnemen. Waarom ik? Dat weet ik niet, zei de stewardess, op een of andere manier heb ik het gevoel dat u dat kunt. Vrouwen voelen zulke dingen. Vervolgens zette ik het vliegtuig zonder slag of stoot aan de grond. In het Concertgebouw kon het gebeuren dat de eerste pianist onwel werd. Dan kwam de zangeres vragen of ik haar wilde begeleiden. Waarom ik? Er is geen waarom, zei de zangeres, u bent uitverkoren om iets dat uzelf nooit zult vatten. Dat ik zo maar iets vanzelf kon, zonder dat het er eerst in was gestampt: alsof een buitenaardse kracht in mij huisde.
Maar in het echt is het zweten, jarenlang oefenen, diploma’s halen en dan pas, gesteld dat het mee zit, kan het oogsten beginnen. Vreselijk, dat idee dat niets vanzelf gaat. Vreselijk, maar waar, behalve in een geval.
Te midden van al die vakgebieden waarin de menselijke bezigheden zijn opgedeeld, bevindt zich een klein gebiedje waar beginnelingen, leken en onnozelen de kans krijgen zomaar iets moois te maken. Je hoeft er bijna niets voor te kunnen, je hoeft alleen maar op een knop te drukken. Het is de wereld van de fotografie, geen muze schenkt haar genade zo gul en zonder aanzien des persoons als de muze van de fotografie.
Iedereen weet dit en toch blijft het geheim, het wordt doorverteld, maar het gaat het ene oor in en het andere uit. Voor al het andere in het leven moeten de meesten zo stinkend hun best doen dat ze liever verdringen dat het ook anders kan. Het idee alleen al dat ook een automatische camera die hoog aan een lantaarnpaal is bevestigd om verkeersovertreders te betrappen, een wereldfoto zou kunnen maken. Onuitstaanbaar.
DE MENSEN die voor hun beroep fotograferen, hebben het er maar moeilijk mee. Ze doen vreselijk ingewikkeld met knopjes en hendels, ze slepen zich een ongeluk met zware apparatuur, maar ze mogen niet op een beter resultaat rekenen dan de eerste de beste huisvader met zijn amateurcameraatje. Met al hun gedoe zitten de professionals zichzelf hopeloos in de weg. Mocht een van hen daarom een keer een behoorlijke foto maken, dan is dat negen van de tien keer ondanks zichzelf. Waarom maken de bladen en de reclamebureaus dan toch gebruik van die professionals? Dat is een kwestie van logistiek, ze zijn voor de fotoredacties en de reclamebureaus makkelijk bereikbaar. Ze staan in de Gouden Gids onder ‘fotograaf’, ze hebben hun archief goed op orde en ze zijn te allen tijde bereid om een opdracht uit te voeren.
Klopt dit nou echt? Het kan toch niet waar zijn dat de mooiste foto’s worden gemaakt door mensen die niet weten wat ze doen? Toch is het zo. Wie me niet op mijn woord wil geloven, moet aanschaffen: Nogal onfatsoenlijk maar zeker verleidelijk van Johan de Vos. De Vos is fotorecensent, hij schrijft voor het Vlaamse dagblad De Morgen. Hij is bij mijn weten de enige die op een persoonlijke manier en toch consistent over fotografie denkt. De rest schrijft maar wat, net hoe het uitkomt, of ze klampen zich vast aan een ideologie.
De artikelen van De Vos vloeien over van levenslust, aandacht voor het detail, humor, ruimdenkendheid. De foto’s in zijn boek komen voornamelijk uit zijn eigen verzameling, voor het merendeel anonieme kiekjes die hij op de vlooienmarkt heeft gevonden. Hij heeft er stukjes bij geschreven die mij ervan overtuigd hebben dat het medium fotografie er allesbehalve onder zou lijden als morgen alle vakfotografen er de brui aan gaven. Verder is het boek een groot pleidooi voor de onopzettelijkheid, het laten gebeuren, de beteugeling van de wil. Weg met de concepten, weg met het vakmanschap.
Toevallig is er ook een foto van mij in opgenomen, dat ontkracht mijn betoog een beetje - een boek mooi vinden waarin je zelf staat, dat kan eigenlijk niet. Maar laat ik de muze dankbaar zijn dat ik, ondanks mezelf, toch nog een mooi fotootje heb gemaakt.