Het gevaar van misdaadjournalistiek

‘Toch schrijf ik er geen letter minder door’

Paul Vugts en John van den Heuvel zijn genomineerd voor de titel Journalist van het Jaar, omdat ze doorschrijven over de onderwereld terwijl ze worden bedreigd. Want het moet, praten met misdadigers.

Wie met een misdaadjournalist over het vak spreekt, moet één ding weten: er wordt veel gezegd, maar lang niet alles is ‘on the record’. Af en toe moet de pen neer, het opnamebandje uit. Bijvoorbeeld als het gaat over geruchten die rondgaan in ‘het milieu’ of op internet, als er namen worden genoemd of als het gaat over bedreigingen aan het adres van de journalisten zelf. Het kan gevaarlijk zijn om daarover uit de school te klappen, het zonder context aan te bieden.

Het is meteen een beschrijving van hoe misdaadjournalisten zelf te werk moeten gaan, bijvoorbeeld in hun contact met criminelen. Zelf zijn ze erin getraind om bij tijd en wijle op een dun koordje te balanceren. Ze filteren moeiteloos de informatie die voor hun oren is bedoeld als een crimineel ‘koffie wil drinken’, de rest nemen ze ter kennisgeving aan.

Maar het moet, praten met misdadigers.

Er worden jaarlijks miljarden verdiend aan in Nederland geproduceerde drugs en cocaïne die via ons land worden verhandeld en een aanzienlijk deel van dat geld vloeit ongezien terug de ‘gewone’ maatschappij in. Er worden onschuldige mensen per vergissing doodgeschoten in woonwijken en de schutters zijn steeds jonger. Er zijn corrupte douaniers en politiemensen. Burgemeesters en andere bestuurders, maar ook journalisten, moeten wegens bedreigingen onderduiken en de onderwereld vermengt zich ongezien met de bovenwereld. Criminelen zijn, hoe je het ook wendt of keert, een factor in onze samenleving. Zelfs vermaarde bladen als The New Yorker en Wired ruimen vele pagina’s in om de Nederlandse misdaad te beschrijven. Ook hier in eigen land is er geen zichzelf respecterend nieuwsmedium dat geen misdaadjournalist(en) heeft. Hoe groter de tentakels van de onderwereld worden die grip krijgen op de bovenwereld, des te meer erover wordt geschreven.

Op de redactie van NRC Handelsblad wordt inmiddels gelachen als misdaadverslaggever Jan Meeus weer vertrekt met de woorden: ik ga even wederhoor toepassen in de onderwereld. ‘Maar een simpele misdaad krijg ik nog steeds de krant niet in’, aldus Meeus. ‘Het moet een structuur laten zien of een voorbeeld zijn van de onder- en bovenwereld die samenkomen, zoals de criminelen uit Amsterdam die vissers uit Urk dwongen om in hun boot cocaïne over te nemen van een containerschip.’ Bij die laatste zaak is ook de Nederlandse Marokkaan Naoufal ‘Noffel’ F. betrokken, een kopstuk uit de Amsterdamse cokehandel die als uitvoerder én opdrachtgever met verschillende liquidaties in verband wordt gebracht.

Nog niet zo lang geleden, laten we zeggen een jaar of tien, was de harde misdaad vooral iets voor De Telegraaf en Panorama, de Amsterdamse stadskrant Het Parool of Peter R. de Vries. Over zoiets ordinairs als onderwereldvetes werd niet zomaar geschreven. Het was al helemaal not done om als journalist van een chique krant met criminelen te praten. Misdaad werd met enige distantie beschreven, of vanuit de rechtszaal. En als je toch met een boef sprak, deed je dat op het kantoor van een advocaat. Dat volstaat niet meer. Wie die wereld van binnenuit wil beschrijven zal zich daar zo nu en dan als toehoorder moeten begeven.

En toch is een groot publiek al decennia geboeid door criminelen. ‘Misdaad heeft altijd mensen gefascineerd en je had al films als The Godfather, maar vanaf de jaren tachtig en begin jaren negentig is het zich steeds meer gaan vermengen met de populaire cultuur, denk aan veelgelezen boeken als De ontvoering van Alfred Heineken en De Dominee over Klaas Bruinsma en Hollywoodfilms als Scarface en Boyz n the hood’, zegt Meeus. ‘Daardoor is de interesse van een steeds groter publiek voor het onderwerp aangewakkerd. Daar kwam ook de rapmuziek bij, waarin veel werd verhaald over misdaad en het rauwe leven in achterbuurten. Een deel van die jonge muzikanten rapte niet alleen over dat leven, sommigen waren ook daadwerkelijk actief in het criminele milieu en stierven een gewelddadige dood, zoals Tupac Shakur en The Notorious B.I.G. Het kwam door de populaire cultuur rechtstreeks de huiskamers binnen en maakte op een bepaalde manier helden van criminelen. Zo werd het niet alleen iets waar mensen graag naar keken of over lazen, maar ook waar status aan te ontlenen viel. Dat zie je nu ook heel goed in Nederland.’

Meeus doelt met die laatste opmerking op jonge criminelen, veelal uit achterstandswijken in grote steden als Amsterdam en Utrecht, die razendsnel carrière maken in de misdaad. In de bestseller Mocro maffia (honderdduizend exemplaren verkocht) schetsen de schrijvers Wouter Laumans en Marijn Schrijver het toekomstperspectief van die jongens: wie niet wil studeren of zoals zijn vader ‘zijn rug wil breken’ in een fabriek en toch in een dikke bak wil rijden, kan als hij het talent heeft voetballer of kickbokser worden, en anders is er de misdaad.

‘We weten allemaal natuurlijk wat er met Martin Kok is gebeurd’

‘Het is helaas een cynische constatering’, zegt Laumans op een terras in Amsterdam. ‘Maar wat zou jij doen als je in een wijk woont waar de oudere jongens waar je tegen opkijkt op schoenen van honderden euro’s lopen, de mooiste meisjes aan hun zijde hebben en in auto’s rijden die je niet kan betalen als je voor een baas werkt, en de enige manier om dat ook te hebben is door misdaden te plegen? Om eerlijk te zijn en zonder het goed te keuren: ik begrijp de motivatie van die jongens wel.’

Voor Mocro maffia gingen Laumans en Schrijver de straat op en bezochten ze waterpijpcafés en sportscholen om in contact te komen met een nieuwe generatie criminelen en die wereld (deels) van binnenuit te beschrijven. Laumans: ‘Ik vertelde ook direct wie ik was. Dat kon ook niet anders, want ik viel als blonde Hollander meteen op als ik een shishalounge binnenwandelde met allemaal jongens van Marokkaanse en Turkse afkomst. Altijd met open vizier. Dat is het enige wapen dat wij misdaadjournalisten hebben: open en eerlijk zijn, je niet laten gebruiken. Dat moet je in geen enkele tak van journalistiek doen, maar bij ons kan het echt gevaarlijk zijn.’

Het is een wereld waar Meeus inmiddels ook contact mee heeft. Hij werkte eerder bij de NRC onder meer als economieredacteur en als chef van de onderzoeksredactie, maar de laatste jaren schrijft hij vooral over misdaad. Als hij over vastgoed schreef, was het vanzelfsprekend om met de hoofdrolspelers in de vastgoedwereld in gesprek te gaan. Maar toen hij bij een rechtszaak in het najaar van 2014 ineens de kans kreeg om Willem Holleeder te spreken, over wie hij op dat moment een boek schreef, schrok hij en liet de gelegenheid varen. ‘Bij dat boek over Holleeder ging ik heel klassiek te werk: ik deed een beroep op instanties als de politie en het Openbaar Ministerie. Contact met criminelen vermeed ik. En bij die rechtszaak stond ik met zijn advocaat te praten en Holleeder stond een paar meter verderop. Op dat moment durfde ik niet naar hem toe te stappen. Mijn idee was: je kunt maar beter niet in zijn hoofd zitten.’

Meeus heeft op dat vlak een ontwikkeling doorgemaakt. Want misschien wel het beste verhaal dat hij het afgelopen jaar voor de NRC schreef ging over zijn zoektocht naar de hoofdrolspelers van de huidige onderwereldoorlog die al aan tientallen mensen het leven heeft gekost. Meeus schreef in het artikel, waarvan de kop was ‘Keihard en nietsontziend: Hoe de nieuwe Holleeders de onderwereld overnemen’, over zijn zoektocht: ‘Om verder te komen moet ik iets doen waar ik tot dan toe voor terugschrok: gesprekken voeren met mensen uit het criminele milieu. Die voor mij én de krant ongebruikelijke aanpak leidt mij naar wegrestaurants, verlaten industrieterreinen en woonwijken zonder glamour. Niet heel ongebruikelijk, maar wel ongebruikelijk spannend soms. Zo stap ik een keer ’s avonds in de auto van een crimineel op een parkeerterrein bij een Van der Valk-hotel. We kennen elkaar en nu heeft hij op mijn verzoek een ontmoeting geregeld met een kopstuk uit de onderwereld. We komen terecht in een chic en opvallend verlaten restaurant in het Gooi. Mijn afspraak zit er al, samen met zijn chauffeur. Daar zit ik dan aan tafel met drie criminelen, samen goed voor zeker twee decennia celstraf. Vrijwel meteen worden de verhoudingen afgebakend: als jij mij meesleept in dit verhaal, zo krijg ik te horen, sleep ik jou mee. Ik leg uit dat ik feiten wil checken. Ik wil begrijpen wat er aan de hand is, meer niet. Het kopstuk gaat akkoord, maar “off the record” krijgt een heel nieuwe betekenis.’

Twee mannen lopen op 8 december 2016 rond 18.30 uur jolig het Amsterdamse citizenM-hotel uit. Zonder dat ze het zien worden ze van achteren benaderd door een wat iele man. Terwijl er twee fietsers voorbijrazen, richt hij een vuurwapen op het achterhoofd van een van de twee mannen. Het wapen weigert, de schutter rent door zonder dat het beoogde slachtoffer en zijn metgezel iets doorhebben.

Als de Amerikaanse journalist Kenneth R. Rosen op de sociale nieuwssite Reddit het filmpje ziet van het macabere tafereel dat een beveiligingscamera heeft vastgelegd, ontdekt hij al snel dat het beoogde slachtoffer ‘Dutch crimeblogger’ Martin Kok is. Wat Rossen dan niet weet, is dat tweevoudig moordenaar Kok eerder op die dag heeft geluncht met negen Nederlandse misdaadjournalisten en ’s nachts daadwerkelijk is geliquideerd, hoogstwaarschijnlijk vanwege publicaties op zijn website Vlinderscrime.

‘De lunch was op zijn initiatief’, vertelt misdaadjournalist Paul Vugts van Het Parool, een van de aanwezigen. ‘Kok wilde over het vak praten en kijken of er kon worden samengewerkt. Hij wilde heel graag bij de echte journalisten horen, maar dat deed hij natuurlijk niet.’ Kok vertelde tijdens de lunch trots over zijn misdaadsite, hoe hij daar naar eigen zeggen maandelijks een miljoenenpubliek mee bereikte en goed kon leven van de advertentie-inkomsten. Er werd ook gegrapt. Dat Kok beter vijf minuten eerder naar buiten kon gaan, zodat de anderen dan niet in een kogelregen terecht zouden komen. Iedereen wist toen al dat Kok gevaar liep om zijn ongefilterde publicaties. Er was al eens op zijn huis geschoten en er was een bom onder zijn auto gevonden. Na de lunch kreeg Vugts nog een appje van Kok: ‘Een mooi leven, journalist.’

Ook met Laumans nam Kok geregeld contact op, bijvoorbeeld om te melden dat hij weer een scoop had die elk moment op zijn site kon verschijnen. Laumans: ‘Ik vond hem aardig, maar ik nam hem niet serieus als journalist. Dat wist hij ook en dat vond hij niet leuk, want hij wilde ook door wat hij zag als collega’s voor vol worden aangezien.’

'Mijn journalistieke hart zei dat dit een enorme primeur was. Ik heb het niet gebracht'

Volgens Kenneth R. Rosen is een van de facetten die de Nederlandse misdaadjournalistiek uniek maakt de combinatie van serieuze aandacht in traditionele media aan de ene kant en allerlei misdaadsites en blogs aan de andere kant. Hij vond het zo bijzonder dat hij voor het Amerikaanse tijdschrift Wired naar Nederland kwam en er een groot artikel over schreef.

Kok was de opvallendste uitbater van een Nederlandse misdaadsite. Niet alleen omdat hij zich niet hield aan journalistieke principes als hoor en wederhoor (en zich weinig aantrok van spelling en interpunctie), hij was ook niet te beroerd om op basis van geruchten namen en foto’s te publiceren van criminelen die er juist alles aan deden om uit de publiciteit te blijven. Hij nam de mores uit de onderwereld mee bij het bestieren van zijn website. Want de Volendammer kende vooral die wereld: hij begon als tiener met de verkoop van cocaïne, sloeg – amper volwassen – iemand dood met een barkruk, schoot toen hij weer op vrije voeten was de nieuwe partner van zijn ex dood, was bevriend met beruchte criminelen als Dino Soerel en Cor van Hout, had een escortbureau, perste mensen af en sloeg ze in elkaar. In zijn nieuwe leven als crimeblogger was ‘Kokkie’ misschien nog steeds een mafkees en een ongeleid projectiel, maar hij was met zijn contacten wel de eerste die de drie figuren uit de huidige onderwereldoorlog met elkaar in verband bracht als de grote jongens in de cocaïnehandel en extreem geweld: Noffel, Ridouan en Rico.

Net als in andere takken van de journalistiek komen ook de primeurs op crimegebied vaak eerst op internet. Het gevaar is dat snelheid boven juistheid gaat. En dat kan in de misdaadjournalistiek ronduit gevaarlijk zijn. Het is ook publiek geheim dat er sites zijn die, om het eufemistisch te zeggen, worden gestuurd door criminelen. Maar ook online zijn er serieuze misdaadmedia zoals Crimesite en Misdaadjournalist, beide gerund door echte journalisten. Om een idee te krijgen van de omvang: Crimesite heeft maandelijks meer dan een miljoen bezoekers.

Vaker zijn de uitbaters en schrijvers onbekend, zoals bij Boevennieuws, dat naar eigen zeggen over alle misdaad schrijft, ‘maar we zijn wel meer gespecialiseerd in de Utrechtse tak’. Ze willen niet bellen of afspreken, maar reageren wel via de mail. Op de vraag waarom ze niet onder hun eigen naam publiceren, antwoorden ze: ‘De afgelopen jaren is er een hogere mate van bedreigingen en het uitvoeren van deze bedreigingen richting journalisten. Als je schrijft over misdaad is het risico het hoogst. We weten allemaal natuurlijk wat er met Martin Kok is gebeurd. Daarvan kun je zeggen dat hij misschien te ver ging, dat hij wel heel erg olie op het vuur gooide. Maar buiten Martin Kok worden ook Paul Vugts en John van den Heuvel ernstig bedreigd. Het is een verandering en verharding van de misdaad in Nederland. Een trend waarbij iedereen die in de weg loopt uit het veld moet worden geruimd. En als je dan niet de bronnen kunt achterhalen of de informatietoevoer kunt stoppen, dan maar de verspreider van die informatie. Datzelfde zagen we bij de aanslagen op De Telegraaf en de Panorama.’

Op een dag ergens aan het eind van de zomer van 2017 zag Paul Vugts dat zijn vriendin de capuchon van haar regenjas tot ver over haar gezicht had getrokken. Ze wilde naar buiten. De misdaadjournalist van Het Parool schrok zich een ongeluk. Het regende die dag en Vugts wist iets wat zij niet wist: er was een moordopdracht voor hem afgegeven. Normaal gesproken zouden criminelen Vugts en zijn vriendin makkelijk uit elkaar kunnen houden, maar nu zij een regenpak aan had en daardoor onherkenbaar was, wist hij dat niet meer zeker. Het lukte Vugts om zijn geliefde met een smoes thuis te houden, maar die avond vertelde hij dat iemand hem uit de weg wilde laten ruimen omdat hij te veel wist. Dat bericht was bij Vugts terechtgekomen via ‘bronnen uit het milieu’ en via de opsporingsdiensten. En dat kon betekenen dat ze hun huis uit moesten.

Enkele weken later blijkt dat er niet alleen een moordopdracht is afgegeven, maar dat die ook is aangenomen en dat criminelen steeds concretere stappen nemen om de aanslag voor te bereiden. Vugts en zijn vriendin wonen uiteindelijk een half jaar in safehouses en worden al die tijd zwaar beveiligd. De opdrachtgever(s) moet(en) worden gezocht in het ‘door Marokkanen gedomineerde deel van de onderwereld’. Vugts blijft doorschrijven, natuurlijk. Dus wordt hij met een gepantserde wagen naar rechtbanken gebracht om verslag te doen, en naar andere afspraken.

Vugts is niet de enige misdaadjournalist die recent met dezelfde beveiligers te maken heeft als bijvoorbeeld Geert Wilders. Ook John van den Heuvel, de misdaadjournalist van De Telegraaf en rtl, wordt bewaakt omdat criminelen het op hem gemunt zouden hebben. En ook Van den Heuvel schrijft er geen letter minder door. Om die reden zijn hij en Vugts samen genomineerd voor de titel Journalist van het Jaar, een prijs die volgende week wordt uitgereikt.

Vlak nadat bekend was geworden dat Vugts en Van den Heuvel voor hun leven moesten vrezen zijn enkele andere misdaadjournalisten samengekomen. Ook op redacties worden ineens andere discussies gevoerd. Maar iedereen is het erover eens: ze blijven erover schrijven. Vugts: ‘Anders nemen de bedreigingen kwadratisch toe.’ Er is vaker onderling contact tussen de misdaadjournalisten. Ook toen vorig jaar een onschuldige broer van een kroongetuige werd doodgeschoten door een man die deed alsof hij bij diens bedrijf kwam solliciteren, was er overleg omdat alle talkshows aan de lijn hingen: is het verstandig om nu naar voren te treden? Meeus: ‘De schrik zat er goed in. Ik kan me niet herinneren dat ik meer aangedaan was door een misdaadgebeurtenis. En ik dacht: even niet op de voorgrond.’

Hoe dun de lijn is waar misdaadjournalisten op moeten balanceren bleek toen Meeus een week eerder te horen kreeg dat iemand uit het ‘Marokkaanse milieu’ een deal had gesloten met justitie. Er was dus een kroongetuige die vermoedelijk verklaringen zou afleggen over liquidaties en opdrachtgevers, maar Meeus had geen naam. ‘Het was een enorm spagaat, want mijn journalistieke hart zei natuurlijk dat dit een enorme primeur was. Aan de andere kant wist ik niet wat de gevolgen van een publicatie zouden zijn voor de kroongetuige. Ik heb het niet gebracht, maar het nieuws kwam toch naar buiten. Een week later is de broer van de kroongetuige doodgeschoten.’