Dit gaat niet om een mutsje, denk ik. Het is een doodgewoon mutsje, ooit gekocht bij de drogist die ook sjaals en tassen verkoopt en waar ik altijd spaarzegels krijg die ik vergeet in te leveren. Een inwisselbaar mutsje. Rood, met zo’n pomponnetje bovenop en gevlochten koordjes aan weerszijden. Er liggen nog andere mutsen in de kast, ik heb honger en toch fiets ik met mijn dochter door het donker, langs het water, in de richting van de kinderopvang waar ik haar een half uur geleden achter op de fiets heb getild. De muts op haar hoofd.

‘Was het hier ongeveer?’ vraag ik de dochter, die zich deze extra tocht vooralsnog laat welgevallen. Het is vreemd om een eenjarige naar een gebeurtenis te vragen die in haar universum nooit heeft plaatsgevonden. Alleen dingen die er voor haar wezenlijk toe doen worden nauwlettend in de gaten gehouden; een koekje, een knuffel, een sleutelbos. Al het andere kan volmaakt onopgemerkt verdwijnen.

Een witte eend op het zwarte water, door haar gezien, geïdentificeerd en aangewezen, vult haar hoofd nu. Geluiden die dringend gemaakt moeten worden, waarna andere geluiden van andere dieren zullen volgen. Ik weet niet wat ik angstaanjagender vind aan kinderen: de totale ondoorgrondelijkheid van hun denken, de heldere logica ervan of het voortdurend heen en weer bewegen daartussen. ‘Wek!’ roept de dochter. Ze slaat met haar handjes tegen mijn rug. ‘Wek wek!’

Ik speur het fietspad af. We naderen de rotonde die ik als keerpunt in gedachten had. Tot dáár, daarna geven we het op. Natuurlijk gaan we niet de hele weg terug, dat winderige stuk langs het open water, de drukke straten met de supermarkt en die onoverzichtelijke oversteek. Dat zou onzinnig zijn. Maar ik fiets de rotonde op, steek mijn arm uit en zwenk af in de richting van de plas. Tegenwind nu, dat was te voorzien. ‘Uil’, zegt de dochter. ‘Oehoe!’ Dit gaat niet om een mutsje, denk ik opnieuw. Het klinkt geërgerd – mijn gedachten klinken vaak geërgerd. Het staat misschien haaks op alle goedbedoelde en veelgehoorde adviezen om mild voor jezelf te zijn, maar ik schep er toch een zekere eer in. Er is niemand die zich zo grondig en vakkundig aan mij kan ergeren als ikzelf. Dat scheelt anderen veel werk – al hoor je daar nooit iemand over. Natuurlijk gaat het om behoudzucht. Het onvermogen om de dingen gewoon eens schouderophalend te accepteren. Het neurotische verlangen de boel bij elkaar te houden; een verlangen waar alles uit voortkomt en alles aan ten onder zal gaan.

We rijden de straat van de kinderopvang in, fietsen traag langs de stoep; geen mutsje te zien. Terug naar huis, er zit niets anders op. Een flutverhaal. Een zoektocht door het donker, langs het water, aangevuld met halfslachtige zelfanalyse en weinig opzienbarende gedachten, opgevrolijkt met dierengeluiden. We fietsen stevig door, de wind weer in de rug, terwijl ik een varken nadoe. ‘Haan’, zegt de dochter. En dan is er plotseling, toch nog, de triomf – als over het zwart-wit-gestreepte paaltje met de drukknop voor het stoplicht, pal tegenover onze eigen straat, het mutsje hangt. De koordjes vrolijk wapperend, het pomponnetje fier overeind. ‘Haan’, zegt de dochter gebiedend. En ik kraai voor haar, zo hard ik kan.

Nu ik nooit van hier zal zijn
en dagelijks afkomstiger ben van elders,

nu ik hier dan toch in een bocht
aan het water een straat heb gelegd,

een vindplaats ingericht voor een kind,
een berk en wat rozen,

nu het kind over de latere voetpaden
met de jaren steeds meer afkomstig zal zijn

uit die straat aan het snelle water
tussen de oude berk en de rozen,

zal ik nooit meer van hier zijn dan nu.

Aan het water
Bernard Dewulf (1960-2021)
Stadsgedicht te Antwerpen, 2012