Het failliet van de Spaanse rechtsstaat

Todo está atado

Baltasar Garzón, de rechter die Pinochet liet arresteren, dreigt binnenkort uit zijn functie te worden gezet. Hij herinnert Spanje aan een tragisch, liefst vergeten verleden. ‘Wie durft nog een onderzoek in te stellen?’

Buiten Spanje begrijpt niemand er iets van. De Argentijnse schrijver Juan Gelman bijvoorbeeld, winnaar van de Cervantesprijs voor de Spaanse letteren in 2007. Wat is er in Spanje toch aan de hand met onderzoeksrechter Baltasar Garzón, vraagt hij zich af. Hoe kan het dat machtige collega’s binnen de magistratuur zo druk bezig zijn om de loopbaan van Garzón te verwoesten?
In een recent artikel in een Spaans dagblad verwoordt Gelman zijn verbijstering. ‘Ik ontmoette rechter Garzón in 1997’, schrijft hij, 'toen ik met mijn vrouw aangifte bij hem kwam doen van de moord op mijn zoon Marcelo Ariel en de verdwijning van mijn schoondochter María Claudia, ouders van een zoon of dochter die geboren moest zijn in gevangenschap. Geen enkele andere rechter in de wereld was bereid om het verhaal van de misdaden van de Argentijnse militaire dictatuur aan te horen. Net zoals er in de wereld ook geen andere rechter te vinden was die zich bekommerde om de slachtoffers van Pinochet en op het idee kwam om hem strafrechtelijk te vervolgen.’
Drie jaar later - intussen had Garzón in 1998 wereldwijde bekendheid verworven door een internationaal arrestatiebevel uit te vaardigen tegen Augusto Pinochet vanwege diens misdaden tegen de menselijkheid tijdens de Chileense dictatuur (1973-1990) - stonden Juan Gelman en zijn vrouw voor de tweede keer op de stoep bij Baltasar Garzón. 'Nu om de onderdrukkers van de Uruguayaanse dictatuur aan te klagen. Die hadden mijn schoondochter vermoord, haar dochtertje geroofd - het bleek een meisje te zijn, mijn kleindochter die ik 23 jaar na haar geboorte leerde kennen - en het lichaam van haar moeder laten verdwijnen. Garzón ontving ons met dezelfde respectvolle houding en met een gelaat waarin het leed van de ander getekend stond. We verlieten zijn kantoor met een lichte hoop op gerechtigheid, dezelfde hoop die honderdduizenden door het zwaard gestraften in ons continent nog steeds hebben.’
Gelman wil geen naïviteit veinzen, zegt hij. 'In Argentinië hebben we rechters die de rechten schenden van personen, het internationale recht en de meest elementaire moraal en ethiek. Misschien worden zij daarbij gedreven door oude vriendschappen. Rechter Garzón behoort niet tot die club, en dat ze hem nu vervolgen omdat hij misdaden wilde berechten is onbegrijpelijk.’
Toch is dat precies wat er aan de hand is. In mei vorig jaar opende het Hooggerechtshof in Madrid een strafzaak tegen Baltasar Garzón. Hij zou zich schuldig hebben gemaakt aan ambtsmisbruik door een strafrechtelijk onderzoek te beginnen naar de misdaden van de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) en de daaropvolgende dictatuur van generaal Franco (1939-1975). Niemand had dat ooit aangedurfd in de meer dan dertig jaar die zijn verstreken sinds het formele herstel van de democratie in Spanje.
Het heeft er alle schijn van dat het Garzón duur zal komen te staan. De rechter, die wereldwijde erkenning geniet als voorvechter van het internationale strafrecht, loopt nu een grote kans om door zijn superieuren in eigen land met vervroegd pensioen te worden gestuurd.

Baltasar Garzón Real (54) is rechter sinds 1981. Op amper 33-jarige leeftijd werd hij benoemd tot onderzoeksrechter bij de Nationale Audiëntie, een speciale rechtbank in Madrid met bevoegdheden op het gebied van terrorisme, corruptie en de georganiseerde misdaad. Het zijn zaken die door hun aard sterk de aandacht van de media trekken. In het geval van Garzón komt daar nog bij dat hij niet bang is om ook zaken aan te pakken die machtige belangengroepen treffen. Dat levert hem zowel bewonderaars als vijanden op. Soms verwisselen zij van kamp al naar gelang de zaken die Garzón onderzoekt.
Zo bracht hij in de jaren negentig de socialistische regering van Felipe González in ernstige problemen toen hij de vuile oorlog van de Spaanse staat tegen de Baskische afscheidingsbeweging eta vervolgde. Verschillende socialistische bewindslieden werden veroordeeld. Garzón was de held van de rechtse oppositiepartij PP (Volkspartij), die in 1996 voor het eerst na de dictatuur de verkiezingen won.
Intussen is die liefde voor de rechter bekoeld. Of beter gezegd, omgeslagen in haat. Vooral sinds Garzón in 2008 een onderzoek begon naar de grootste politieke corruptie-affaire uit de Spaanse geschiedenis. Het onderzoek loopt nog en de top van de Volkspartij in de rechtse bolwerken Madrid en Valencia staat inmiddels onder verdenking van zwendel met tientallen miljoenen euro overheidsgeld (de zaak-Gürtel, zie kader). Nu kunnen de conservatieven zijn bloed wel drinken.
Garzón baseerde zijn bevoegdheid om de arrestatie van Pinochet te gelasten op de verplichting van de Spaanse justitie om misdaden tegen de menselijkheid te vervolgen waar deze ook zijn gepleegd. Deze universele rechtsmacht vloeit voort uit internationale verdragen (zoals het Verdrag tegen Foltering) die overigens ook door veel andere westerse landen zijn ondertekend. Tot veler verrassing werd Pinochet inderdaad gearresteerd tijdens een verblijf in Londen. Spanje verzocht om uitlevering - onder de ruim drieduizend slachtoffers van de Chileense dictatuur waren ook Spaanse onderdanen - maar door de tussenkomst van de regering van Tony Blair ontsprong de bejaarde generaal uiteindelijk de dans. Toch gaf de samenwerking tussen de Spaanse en Britse justitie intussen een belangrijk signaal af: schenders van de mensenrechten kunnen voortaan niet meer vanzelfsprekend op straffeloosheid rekenen.
Ook de misdaden van het Argentijnse generaalsbewind (zeker dertigduizend doden en vermisten tussen 1976 en 1983) werden door Garzón vervolgd. Dat leidde in 2005 tot de veroordeling van de Argentijnse militair Adolfo Scilingo door de Nationale Audiëntie in Madrid.
Met dit baanbrekende optreden verwierf Garzón een groot internationaal prestige onder strafrechtdeskundigen en voorvechters van de mensenrechten. Hij groeide uit tot verreweg de bekendste onderzoeksrechter van Spanje. In eigen land zagen veel collega’s, en niet alleen die van conservatieven huize, dat met lede ogen aan.
In Chili en Argentinië gaf het optreden van Baltasar Garzón de aanzet tot hernieuwde pogingen van de plaatselijke justitie om de misdaden van de dictatuur te vervolgen. En met succes: in beide landen zijn processen gaande tegen verantwoordelijken van de politieke repressie. De Nederlands-Argentijnse piloot Julio P., in afwachting van uitlevering aan Argentinië wegens zijn vermoedelijke aandeel in de zogenaamde doodsvluchten, heeft dat aan den lijve ondervonden. De voormalige militair werd in september vorig jaar op de luchthaven van Valencia gearresteerd na een vlucht voor zijn toenmalige werkgever Transavia.
Met de strafrechtelijke vervolging van Garzón beleeft Spanje voor de zoveelste keer in zijn geschiedenis een surrealistische situatie. De rechter die schendingen van mensenrechten in Chili en Argentinië met succes wist te vervolgen zit binnenkort in het beklaagdenbankje omdat hij de misdaden van de dictatuur in eigen land tegen het licht wilde houden. Wat is er misgegaan met de Spaanse democratie?

Misschien is het verstandig, zei Baltasar Garzón op een recente spreekbeurt over de universele rechtspraak in Chicago, om een bepaalde tijd te wachten. Om niet meteen na de beëindiging van een dictatuur de mensenrechtenschendingen aan de kaak te stellen, om de overgang naar de democratie niet in de weg te staan.
Generaal Francisco Franco is 33 jaar dood als Garzón in september 2008 een verzoek richt aan ministeries, gemeenten en de katholieke kerk. Hij vraagt om informatie uit hun archieven om een lijst te kunnen opstellen van de tienduizenden vermisten die sinds de staatsgreep van Franco in 1936 in massagraven zijn verdwenen. Op grond daarvan wil Garzón beslissen of hij bevoegd is om de aanklachten te onderzoeken die verenigingen van dictatuurslachtoffers bij hem hebben ingediend. Voor de slachtoffers van het franquisme - meestal zijn het hun kinderen of kleinkinderen die overal in het land 'verenigingen voor het herstel van het historisch besef’ hebben opgericht - is het de eerste keer dat een rechter bereid is hun aanklacht in behandeling te nemen.
In oktober 2008 heeft Garzón een lijst met 114.266 namen. Het is de voorlopige balans van de slachtoffers van Franco die in clandestiene massagraven zijn verdwenen. Sommige instanties, zoals de katholieke kerk en regionale overheden die in handen zijn van de Volkspartij, weigeren mee te werken.
Volgens Garzón gaat het om illegale detenties en dat zijn permanente misdrijven; ze maken deel uit van een systematisch plan om de oppositie uit te roeien en ze duren voort zolang niet is opgehelderd wie waar begraven is. Verjaring is dus niet aan de orde. Ook de amnestiewet van 1977 is niet van toepassing. Volgens het internationaal strafrecht verliezen amnestiewetten hun geldigheid tegenover misdaden tegen de menselijkheid. Om eventuele daders van de repressie tussen 1939 en 1951 op te sporen laat Garzón uitzoeken welke leiders van de fascistische Falange - de enige toegestane partij onder Franco - nog in leven zijn.
Het Openbaar Ministerie is in beroep gegaan. Garzón is volgens hoofdaanklager Javier Zaragoza niet bevoegd. De wreedheden van het franquisme - tweehonderdduizend gefusilleerden, ten minste 114.000 vermisten, twaalfduizend geroofde kinderen, een half miljoen vluchtelingen, honderdduizenden politieke gevangenen - zouden slechts gewone misdrijven zijn die onder de amnestiewet van 1977 vallen. Een strafzaak is volgens het OM zinloos omdat de daders dood zijn. Verder noemt de procureur het fictie om te veronderstellen dat een delict van illegale detentie zeventig jaar kan duren, omdat de dood van de vermisten 'algemeen bekend’ is.
De redenering van de openbare aanklager is merkwaardig, en niet alleen door zijn genereuze definitie van gewone misdrijven. De dictatuur duurde ten minste tot 1975. Het is dus lang niet zeker dat alle mogelijke daders dood zijn. Manuel Fraga bijvoorbeeld, oprichter en erevoorzitter van de rechtse Volkspartij, was jarenlang minister onder Franco. Zijn betrokkenheid bij het brute geweld van het regime kan zeker niet bij voorbaat worden uitgesloten.
Het OM gaat in zijn argumentatie ook voorbij aan de slachtoffers en hun familieleden. Zij zoeken geen wraak maar willen eerherstel en erkenning van het onrecht dat hen is aangedaan. En zij verlangen dat de Spaanse rechtsstaat zijn verplichting nakomt om de massagraven van de dictatuur op te sporen. De slachtofferverenigingen wijzen erop dat Spanje na het Cambodja van Pol Pot het tweede land ter wereld is met de meeste slachtoffers van politiek geweld in zulke clandestiene massagraven. Bij graafwerkzaamheden komen regelmatig menselijke botten te voorschijn.
Voor Garzón schuilt het belang van de zaak niet in de vraag of er iemand door in de cel belandt. 'Na zo'n lange tijd zal het moeilijk zijn om schuldigen in strafrechtelijke zin te vinden’, zegt hij in een interview in 2005. 'Maar laten we op z'n minst proberen een duidelijk historisch oordeel te vellen over de massale schendingen van de fundamentele rechten tijdens de dictatuur. Je kunt je ogen niet sluiten voor al die Spaanse burgers die werden vermoord, vervolgd en uit het openbare leven verbannen.’
Na een maand juridisch gebakkelei besluit Garzón uiteindelijk het onderzoek naar de massagraven door te sturen naar de regionale rechtbanken. Toch is dat niet voor iedereen voldoende. In mei 2009 dient de ultrarechtse pressiegroep Manos Limpias de eerste aanklacht in tegen Baltasar Garzón. De rechter zou ambtsmisbruik hebben gepleegd toen hij zich in eerste instantie bevoegd verklaarde om de misdaden uit de Franco-tijd te onderzoeken. Oftewel: Garzón heeft zich niet vergist, hij wist heel goed dat hij niet bevoegd was en heeft dus bewust de wet geschonden. Dit gaat het OM te ver en de openbare aanklager ondersteunt de aanklacht dan ook niet.
Maar het Hooggerechtshof neemt een beslissing die velen verbijstert en verklaart de aanklacht ontvankelijk. Een tweede clubje van extreem-rechtse snit mag zich later bij de klagende partij voegen. Ten slotte verleent het Hooggerechtshof zelfs de Spaanse fascistische partij Falange het recht om in het proces tegen Garzón op te treden als benadeelde partij. De familieleden van de slachtoffers ervaren dat laatste als een nieuwe en pijnlijke vernedering. 'Van de slachtoffers die we tot nu toe hebben gevonden in de massagraven is 98 procent vermoord door leden van de Falange’, zegt Emilio Silva van de Vereniging voor het Herstel van het Historisch Besef (armh).

Todo está atado y bien atado, zei Franco kort voor zijn dood in 1975. Het wil zoveel zeggen als: de zaak zit goed vergrendeld, het voortbestaan van de heersende verhoudingen in het land is verzekerd. Een kleine veertig jaar later wijst alles erop dat dit niet alleen maar grootspraak was van een kleine dikke man met een piepstemmetje.
De Transición, de overgang van Spanje naar de democratie, wordt vaak afgeschilderd als voorbeeldig. In werkelijkheid was het een uiterst gewelddadige periode. Tot 1983 werden bijna zeshonderd mensen vermoord in het politieke geweld dat vooral gericht was tegen diegenen die zich inzetten voor een breuk met de oude machtsstructuren. Het resultaat was dat veel bij het oude bleef.
'De liquidatie van het franquistische regime ging niet gepaard met de verdwijning, zelfs niet met een wezenlijke verandering, van de staat en zijn voornaamste instituties’, schrijft onderzoeker Mariano Sánchez Soler in het pas verschenen en uitstekend gedocumenteerde werk De bloedige Transitie. Zijn conclusie is dat het regeringsapparaat, de rechtspraak, het leger en de politie vrijwel onveranderd werden opgenomen in de nieuwe democratische orde. Hetzelfde geldt voor de katholieke kerk, steunpilaar van Franco’s nationaal-katholicisme.
De schaduw van de dictatuur reikt tot vandaag, zegt ook historicus Julián Casanova. Volgens de hoogleraar is het niet makkelijk om de lange periode van autoritarisme te vergeten, met zijn duizenden moorden, vernederingen, martelingen en systematische schendingen van de mensenrechten. In zijn visie hebben de Spaanse democratie en haar voornaamste instituties een ernstig probleem met het verleden van de Tweede Republiek (1931-1936), de Burgeroorlog en de dictatuur. In de kern komt het neer op een gebrek aan democratische cultuur. Dat leidt tot voortdurende pogingen om de geschiedenis te vervalsen en het onvermogen om een gedeeld historisch besef te creëren en zo van het verleden te leren.
Voorbeelden daarvan liggen dagelijks voor het oprapen. Spanje was onder Franco geen dictatuur, maar 'een regime van rechtvaardigheid, vrede, orde en harmonie voor alle Spanjaarden’. Dat staat in een boek dat onlangs verscheen met overheidssteun van de provincie Castellón. De provincie wordt bestuurd door de Volkspartij, een van de twee grote partijen in het land. De regering van de regio Madrid, een bolwerk van dezelfde partij, laat de nascholing van geschiedenisleraren verzorgen door auteurs die bekendstaan om hun voorliefde voor het Franco-regime. De schrijver Sánchez Dragó ('onder Franco hadden we meer vrijheid dan nu’) laat zich in de krant El Mundo fotograferen in het blauwe hemd van de Spaanse fascisten terwijl hij de nazi-groet brengt.
De lange dictatuur van Franco moordde, vervolgde, martelde en vernederde de overwonnenen, verzetsmensen en dissidenten tot het einde toe. Voor historicus Julián Casanova kunnen de gevolgen daarvan nauwelijks worden overschat. Gedurende vier decennia werd de schuld van de oorlog in de schoenen geschoven van de Republiek en haar leiders. Hun verleden werd besmeurd en met die negatieve herinnering groeiden miljoenen Spanjaarden op in de nationaal-katholieke scholen. Tijdens de overgang naar de democratie werd niets ondernomen om aan de positieve kanten van de Republiek te herinneren, aan haar wetten, hervormingen en idealen. Zo werd alles op een hoop gegooid, de Republiek, de oorlog en de dictatuur: een tragisch verleden dat maar beter vergeten kon worden.
De uitschakeling van Baltasar Garzón past in dat beeld.

De onderzoeksrechter is overtuigd van zijn onschuld. Hij krijgt steun uit het buitenland van specialisten in internationaal recht en organisaties als Human Rights Watch en Amnesty International. Zij roepen Spanje op om de amnestiewet van 1977 af te schaffen, zoals de Verenigde Naties al eerder hadden aanbevolen, in plaats van de rechter te vervolgen. Emilio Silva van de slachtoffersvereniging armh noemt het merkwaardig dat de verontwaardiging over de vervolging van Garzón groter is buiten Spanje dan in eigen land. Toch groeit de laatste weken ook in Spanje de steun voor Garzón.
Maar intussen heeft de vervolging van Garzón lokale rechters bang gemaakt. 'Sinds de opening van de strafzaak tegen Garzón hebben we op tien plaatsen aangifte gedaan van de vondst van menselijke resten’, zegt Emilio Silva. 'In zeven gevallen hebben we niet eens antwoord gekregen. De lokale rechters hebben gezien wat met Garzón gebeurt en ze willen geen problemen. Wie durft nog een onderzoek in te stellen?’
Silva verzekert dat Garzón op de dag van de rechtszitting niet alleen in het beklaagdenbankje zal zitten. 'Duizenden mannen en vrouwen die tientallen jaren wachten op gerechtigheid zullen hem terzijde staan. En we gaan door tot aan Straatsburg.’
Enkele maanden geleden besprak de boekenbijlage van een Nederlandse krant een paar nieuwe romans uit Spanje. Ze gingen over de Burgeroorlog. Boven het stuk stond, een beetje vermoeid: 'Steeds de stank van boekbranden. De Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) - houdt het dan nooit op?’ Het juiste antwoord is nee. In ieder geval niet zolang de slachtoffers even schuldig worden geacht als hun beulen - in het gunstigste geval.


Andere zaken tegen Garzón
Begin 2010 opent het Hooggerechtshof twee nieuwe strafzaken tegen Baltasar Garzón. In de eerste wordt hij ervan beschuldigd dat hij bij zijn onderzoek naar de zaak-Gürtel – een corruptieschandaal waarmee ten minste tientallen miljoenen euro overheidsgeld is gemoeid – verdachten in voorarrest illegaal heeft laten afluisteren. Volgens het OM was dat afluisteren niet illegaal en de openbare aanklager ziet dan ook geen reden voor vervolging van Garzón. Dat het Hooggerechtshof de zaak toch doorzet wekt verwondering. Ten eerste omdat het in zulke zaken gebruikelijk is om verdachten af te luisteren. Zij kunnen vanuit hun cel plannen maken om bewijzen tegen hen te laten vernietigen of hun illegaal vergaarde kapitaal weg te sluizen. Ten tweede omdat de rechter die deze zaak van Garzón overneemt en hetzelfde doet – verdachten afluisteren – niet wordt vervolgd. Ten derde omdat de aanklacht uitgerekend van een van de hoofdverdachten komt. Aanklachten van verdachten tegen de rechter die hen vervolgt, worden uiteraard nooit gehonoreerd. Behalve nu. In de zaak-Gürtel spelen grote politieke belangen, omdat de top van de rechtse Volkspartij erbij is betrokken. De bewijzen tegen hen zijn sterk. Hun verdediging richt zich op de annulering van bewijzen door de afgeluisterde gesprekken illegaal te laten verklaren. Dat is inmiddels gelukt. De volgende stap is de uitschakeling van Garzón.
In de zaak-Santander klinkt de beschuldiging tegen Garzón ernstig. Hij zou driehonderdduizend euro hebben aangenomen van Banco Santander en in ruil daarvoor een aanklacht tegen bankdirecteur Botín hebben geseponeerd. Maar beide beweringen worden ontzenuwd. Garzón heeft geen geld van Santander ontvangen en de seponering door Garzón is daarna geratificeerd door de Nationale Audiëntie. Het OM ziet ook hier geen spoor van een misdrijf en er is bovendien geen slachtoffer als klagende partij. Volgens de jurisprudentie van het Hooggerechtshof is daarmee een proces van de baan. Het hof maakt echter ook hier een uitzondering en zet de zaak door.