Zolang er een band is, is er hoop

Toegewijd aan de toewijding

Anvil! The Story of Anvil is meer dan een geweldige documentaire over een band die het nooit heeft gemaakt. Het is een ode aan álle bands die het nooit hebben gemaakt, en daarmee een standbeeld voor de band zelf.

AAN HET BEGIN van de documentaire over de rockband Anvil heb je als kijker het gevoel dat je iets hebt gemist dat je niet had mogen missen. Een band die kennelijk velen over het hoofd hebben gezien, maar die niettemin van groot belang is geweest. Enkele van de grootste (hard)rockiconen van de laatste decennia (gitarist Slash van Guns ’n Roses, drummer Lars Ulrich van Metallica en Lemmy, de voorman van Mötorhead) vertellen hoeveel invloed Anvil heeft gehad en hoe tragisch het is dat ze daar nooit het krediet voor hebben gekregen.
We zien beelden van Anvil in de jaren tachtig, op tour met bands als Whitesnake en Bon Jovi, die tientallen miljoenen albums verkochten in dat decennium en die erna. We zien grote, volle stadions, schreeuwende fans: we zien wat je ziet wanneer een filmmaker in een paar seconden succes wil laten zien. In de volgende shot zien we een man van middelbare leeftijd met zichtbare tegenzin zijn werk uitoefenen: het afleveren van de catering bij scholen. Moeizaam beweegt hij zijn kar met bakken vol gaarkeukenvoedsel door de sneeuw. De man blijkt Steve Kudlow, de zanger van Anvil.

Hier is iets dramatisch misgegaan, weten we nu: een band die heel groot had moeten zijn, is dat niet geworden. Bijna anderhalf uur later is de conclusie een andere: er is niet zozeer iets misgegaan met Anvil, er is gewoon iets niet gebeurd. Anvil! The Story of Anvil is het gedocumenteerde voorbeeld van de band zoals er honderdduizenden zijn en waren, maar dan ongedocumenteerd: bands die bestaan, heel even aan succes mogen ruiken, waarop dat toch uitblijft en de band nog een tijd bestaat om er vervolgens mee op te houden. Wat resteert, naast herinneringen, zijn de fantasieën die beginnen met ‘wat als’.
Het verschil met al die andere bands is dat bij Steve Kudlow en drummer Robb Reiner van Anvil dit ‘wat als’ zich niet in het verleden afspeelt, maar in de toekomst. Omdat ze denken dat die toekomst er nog is. Hun muziek is die van een ander decennium, ze hebben inmiddels buiken, vouwen en kale plekken, maar ooit zal het nog kunnen gebeuren, is de vaste overtuiging van de twee. Waarom? Omdat ze het tot nu toe hebben volgehouden. En precies dat is de reden dat ze ooit zullen krijgen wat hen toekomt: ze zijn er nog. Wanneer Kudlow in de documentaire uit zichzelf in de verdediging schiet, en dat is erg vaak, komt hij met die constatering op de proppen: ze bestaan al zo lang en alleen dat al maakt ze bijzonder. Hoop op succes heeft de band jarenlang op de been gehouden, en inmiddels voedt het feit dat de band nog op de been is die hoop op succes.
Al zijn het Canadezen, er leven veel Amerikaanse dromen in de leden van Anvil. In de documentaire denken ze twee keer dat die uitkomen. De eerste keer is als ze op tournee mogen door Europa. Er zitten wat festivalshows tussen die er redelijk geslaagd uitzien, maar het gros van de tour bestaat uit citaten uit het grote boek der tragische rockclichés. Het beroerde Engels van de permanent emotionele tourmanager en de lange lijst met landen in het voormalige Oostblok zetten de toon voor wat een aaneenschakeling blijkt van misère. Na een optreden voor een handjevol mensen in Praag moet Kudlow achter de clubeigenaar aan, die hem weigert uit te betalen omdat Anvil, verdwaald in de stad, veel te laat arriveerde en het gros van de bezoekers al weer naar huis was. Kudlow blijft schreeuwen dat hij heeft gewerkt en dus uitbetaald hoort te krijgen, onbedoeld een kordate samenvatting van zijn kijk op dit bestaan.
De Europese tour eindigt in een enorme sporthal, die ruimte biedt aan tienduizend bezoekers. Er zijn er nog geen tweehonderd. Het roept herinneringen op aan John Appels Zij gelooft in mij, waarin André Hazes in een enorme Spaanse arena voor duizenden lege stoelen stond te zingen. Het was een van de mooiste scènes uit zijn documentaire, vooral omdat Appel de arena zelf niet liet zien. Hazes’ gezicht bleek voldoende: daarin zat zoveel verbeten teleurstelling dat je als kijker de onbezette plastic stoeltjes er vanzelf bij dacht. Het is een ingetogenheid die regisseur Sacha Gervasi, voormalig roadie van de band, niet kan opbrengen, maar die wellicht ook niet had gepast bij een band waarvan de gitarist ooit zijn plectrum verving door een dildo.

HET IS NIET de enige herinnering die The Story of Anvil oproept, die aan de documentaire over Hazes. Uiteraard doet de band zelf met regelmaat denken aan de legendarische fictieve band Spinal Tap, zoals eigenlijk iedere band waar veel misgaat. De tragikomische misverstanden en organisatorische wantoestanden tijdens de Europese tournee lijken op die van de Amerikaanse punkband NOFX in het buitenland, vastgelegd in hun reality soap Backstage Passport. Daarin gijzelde in Peru een politieleger de roadies van de band omdat de juiste vergunningen niet waren betaald, en overtrof in Indonesië het aantal aanwezige politieagenten bij het optreden bijna de hoeveelheid fans. Een tournee, zo blijkt ook uit The Story of Anvil, is het onmogelijke niemandsland tussen migratie en vakantie. In opnieuw een lege kelder zitten enkele van de aanwezigen te headbangen in hun stoel. Nog te beroerd om op te staan voor de band. Een man van wie geen mens een auto zou kopen komt vertellen dat hij de band wel wil managen.
En dan de ruzies. Kudlow en Reiner zijn als broers, zeggen ze zelf in de documentaire, en precies zo maken ze ook ruzie. Hier brengt The Story of Anvil de net zo geweldige docu Some Kind of Monster uit 2004 in herinnering, waarin de leden van Metallica twee pijnlijke uren lang duidelijk maken dat jaren samen spelen iets anders is dan jaren communiceren.
Bij Anvil komen de ruzies ook tijdens plaatopnamen. Dat is het tweede moment waarop de leden hopen op de komst van al het succes dat ze al jaren mislopen: ze nemen opnieuw een plaat op met de man die ze produceerde toen hun platen nog niet klonken alsof iemand een cappuccino staat te bereiden.
Hij wil graag weer met ze werken, maar het gaat ze wel geld kosten. Geld dat er niet is. Om het toch maar bij elkaar te schrapen, gaat Kudlow in een callcenter werken, waar hij mensen producten moet verkopen die ze niet hoeven. Lang houdt hij het niet vol. Het is een prachtige scène, en hier blijkt de opbouw van de documentaire effectief: we hebben het duo inmiddels zoveel ontberingen zien doorstaan om succes te behalen dat we hopen dat ze het krijgen ook – al ontbreken op inzet na alle voorwaarden om dat succes te legitimeren. Een volwassen man, al tientallen jaren muzikant, die een demo (alleen dat al, een demo in het MySpace-tijdperk: alles aan de leden van Anvil is vorige-eeuws) in een enveloppe stopt en opstuurt naar een producer in de hoop dat die reageert: daar heeft een leven vol desillusies kennelijk zo weinig grip op gekregen dat hij ontroert, maar dan wel zoals een kind dat doet.
‘Ik blijf maar toegewijd – aan wat eigenlijk?’ vraagt drummer Robb Reiner zich af als Steve en hij in de studio een hoogoplopende ruzie hebben. Met tranen en omhelzingen leggen ze het weer bij. Toegewijd aan wat? Aan elkaar dus, en aan de toewijding zelf. Het is wat hun leven de moeite waard maakt, het is de reden dat de een het volhoudt in de bouw en de ander in de catering. Daarom schieten ze de hele tijd vol, en hun geïnterviewde vrouwen ook: zolang die verdomde band bestaat, bestaat de hoop.
De cd komt er, maar geen platenmaatschappij wil hem uitbrengen. Ze gaan langs bij een major. De vertegenwoordiger ervan weet zichtbaar niet wat hij moet vinden van een band met zo weinig realiteitsbesef: is dit nou vooral tragisch, of bewonderenswaardig? De band besluit de cd dan maar zelf te verkopen. Een exemplaar komt in Japan terecht en ze worden uitgenodigd om daar op te treden op een groot festival. Eenmaal in Japan blijken ze de openingsact, die moet spelen als de deuren pas net zijn geopend. Kudlow zegt dat hij hoopt dat de zaal niet nog helemaal leeg is. De volgende shot is die van een uitzinnige zaal, tot de nok gevuld. De verbazing van de kijker is hier net zo groot als die van de band. De suggestie lijkt een valse, een van de inlossing van 35 jaar hoop en wanhoop. Maar de documentaire zelf blijkt een sturende hand: in de Verenigde Staten werd hij zo lovend onthaald dat de band opeens alsnog werd omarmd door de rockwereld. Anvil stond dit jaar opeens in alle grote bladen, AC/DC liet Anvil in uitverkochte arena’s in het voorprogramma spelen en voor komend voorjaar staat een grote tour geboekt. Het moment van ‘wat als’ is aangebroken.
Om hun muziek? Of vanwege een mix van amusement om en bewondering voor zoveel jaren blinde inzet? Waarschijnlijk voor een groot deel dat tweede. Daarmee heeft Steve Kudlow zijn gelijk gekregen: zijn doorzettingsvermogen blijkt zich uiteindelijk uit te betalen, namelijk op het moment dat het doorzettingsvermogen zelf het doel is geworden.

Op 27 november draait de film in de Gigant in Apeldoorn, op 30 november, 2, 6, 9, 13 en 16 december in de Melkweg, Amsterdam. Anvil! The Story of Anvil is ook op dvd verkrijgbaar