Toegewijd en vergeefs

Reiner Zimnik, De man op de kraan. Vertaald door Elly Schippers. Uitg. Querido, 160 blz., Ÿ 29,90 ..LE Reiner Zimnik (1930) is een Duitse kinderboekenmaker, wiens bekendste boeken De beer en de mensen en De man op de kraan verschenen in de jaren vijftig. Net als bij ons Wim Hofman, Joke van Leeuwen of Margriet Heymans schreef hij met de ene hand en tekende met de andere. De eenvoudige verhalen staan in de traditie van het sprookje en hebben een wijsgerige ondertoon. Gezien de internationale bekendheid en de ‘klassieke’ potentie van zijn werk is de uitgeefgeschiedenis van Zimniks boeken in ons land treurig stemmend. Na door Ploegsma te zijn afgedankt deed Thomas Rap in 1980 een nieuwe poging met de bovengenoemde titels en De trotse schimmel en De kleine brultijger. Ook in de herkansing gingen die boeken hun blijkbaar onvermijdelijke weg naar de ramsj. Dat het viertal met de hier niet eerder gepubliceerde Ballade van Augustus en de locomotieven nu als verhalenbundel en in een nieuwe vertaling door Querido wordt gebracht, getuigt derhalve van lef en gevoel voor tijdloze kwaliteit.

Naast tijdloos is Zimniks werk ook leeftijdloos. Het meest op kinderen toegesneden zijn De trotse schimmel en De kleine brultijger. Beide verhalen bieden een avontuur met goede afloop en een tamelijk duidelijke moraal: wees maar tevreden met wat je hebt. De beschreven wereld is er een van donkere bossen en korenvelden, van hard werkende boeren, van vossen die kippen stelen en van gangsters die jenever drinken als was het frambozenlimonade. Deze twee vertellingen horen het meest eenduidig tot het genre ‘Er was eens heel lang geleden…’, al is de auteur in kleine zinswendingen onmiskenbaar aanwezig.
Omdat de schimmel zichzelf het mooiste en slimste paard van de wereld vindt, meent hij niet in het circus thuis te horen, maar in Gods vrije natuur. Helaas, daar wordt hij voortdurend weggejaagd, want 'bij ons is Gods vrije natuur verdeeld in akkers, weiden en bossen die eigendom zijn van boeren en tuinders en mensen met een houtzagerij’.
De ballade van Augustus handelt over een krachtpatser in het circus, die de meisjesharten sneller laat kloppen met zijn spierballen en zijn 'zeven echte gouden tanden’. Tot werkelijk contact kan het echter nooit komen vanwege de bottenbrekende kracht van Augustus’ handdruk. Alles verandert wanneer een vogeltje besluit zijn nest te bouwen in deze knuisten: 'Voor het eerst van zijn leven merkte hij hoe het is als iets levend en warm en zacht aanvoelt.’ Met de kennis van het kleine wordt Augustus een veelgevraagd horlogemaker, tot hij na het vertrek van de vogel zijn zachte krachten weer verliest en in altijd onvervuld verlangen sterft.
Het belangeloze en onvoorwaardelijke van de vriendschap tussen mens en dier dient zich hier aan als een van Zimniks thema’s. Ook is er sprake van een duidelijker literair raffinement dan in eerder genoemde vertellingen, door de tekening van de aandoenlijke hoofdpersoon en door de betekenislaag onder de gebeurtenissen. Augustus is een EinzelgÑnger. Zonder zich van iemand iets aan te trekken laat hij zich leiden door zijn passie, duidelijk verwant aan de centrale figuur uit wat algemeen wordt beschouwd als Zimniks magnum opus De man op de kraan. Daarin wordt, hoe klein de schaal ook is, een heel mensenleven uitgetekend in al zijn toegewijdheid en vergeefsheid. De gezagsdragers van een stad besluiten tot de bouw van een reusachtige kraan omdat ze als iedereen mee willen in de vaart der volkeren. Een van de arbeiders lijkt de ideale kraanbestuurder: 'Hij hamerde en klopte wel drie keer zo vlug als de anderen en als die ’s(avonds naar huis gingen, klauterde hij boven op de kraan rond en poetste met zijn zakdoek de schroeven op.’ Een leven lang zondert de 'gek met het veertje op zijn pet’ zich boven op zijn ijzeren gevaarte af van de wereld. Hij doet zijn werk in een onveranderlijk ritme, heeft geen tijd om eenzaam te zijn, speelt vals op de trompet en verricht ongewild een aantal heldendaden. Hij is letterlijk verheven boven oorlog en andere menselijke rampspoed en komt maar ÇÇn keer naar beneden, om voorgoed te verdwijnen. Wat de kraanman drijft komen we niet echt te weten. Hij is een man zonder ouders en zonder naam; een man die eigengereid, vindingrijk en met kinderlijke onbevangenheid zijn weg zoekt, tegen het gezag van de mannen met de bolhoeden in en op goede voet met Onze-Lieve-Heer.
Hoe gelaagd, veelomvattend en vol mooie, grappige zinnetjes dit verhaal ook mag zijn, mijn hart ligt sinds lang geleden bij De beer en de mensen. Het is Zimniks debuut en voor iemand van 24 een opvallend bezonken verhaal. Het wortelt duidelijk in het Poolse land, dat de auteur in oorlogstijd moest ontvluchten, en de openingszin klinkt naar een volksvertelling: 'Er was eens een man die een beer had.’
De beer danst op de tonen van het buikorgeltje en zijn baas jongleert met zeven ballen. Zomer en winter gaan ze onafscheidelijk langs ’s(heren wegen. Voor het slapen gaan vertelt de berenman over een van de ontelbare sterren aan de hemel en blaast hij op zijn hoorn. Dan houdt het hele bos even de adem in. Natuurlijk kan deze harmonie niet duren. Wanneer de berenman het moede hoofd neerlegt, gaat de beer op zoek naar zijn wilde soortgenoten in de wouden. Maar tot zijn dood zal zijn hart naar de mensen blijven trekken.
Nooit kan ik dit verhaal lezen zonder dat het me raakt. Grootse redenen zijn daar niet voor aan te voeren. De auteur is geen man van het literaire raffinement, hij is in de eerste plaats verteller: wat kan een mens of een dier zoal overkomen en dan niet het adembenemende avontuur, maar het alledaagse. Zijn werk is verwant met de prentenboeken van Janosch (afkomstig uit hetzelfde deel van Europa) en met de sprookjes van Andersen, maar het mist de brutaliteit van de eerste en de gecultiveerdheid van de laatste. Zimnik kiest voor simpele vormen om de voor hem belangrijke waarden te verpakken: de verbondenheid met de natuur, je niets aantrekken van wat de mensen zeggen, maar trouw aan jezelf en aan een enkele goede vriend doen wat je denkt te moeten doen.
In deze bundeling is het accent meer op het verhalende dan op het beeldende element gelegd. Een gedeelte van de tekeningetjes is gesneuveld, en dat is een gemis, want voor de esthetiek moet je bij Zimniks tekenpen zijn. Die is aanzienlijk scherper en geestiger dan zijn schrijfgerei. De prenten verraden de hand van de graficus. Terugkerend en buitengewoon karakteristiek is de zich perspectivisch naar de horizon versmallende strook: een begrafenisstoet, een rij oogstende boeren, de raadsleden met bolhoed aan een gigantische tafel, een optocht met kermiswagens. Ze vormen de visuele variaties op Zimniks belangrijkste thema: dapper op weg naar een ongekende verte.