Virtuele-economieboeken

Toekomstdollars

President Clinton was in zijn State of the Union optimistisch over de economische situatie in de VS. Hoe het zal lopen, lezen we in Richard Rosecrances ‘The Rise of the Virtual State’ en Eamonn Fingletons ‘In Praise of Hard Industries’.

ZOWEL optimisten als zwartkijkers gaan ervan uit dat de informatietechnologie het wel en wee van de 21ste eeuw zal bepalen. Twee recente boeken geven uiteenlopende antwoorden op de vraag hoe die technologie de economie van de 21ste eeuw boetseert. Richard Rosecrance is de optimist. Als we hem mogen geloven, wordt dit een eeuw van welvaart en vrede. In The Rise of the Virtual State argumenteert deze professor van de University of California dat de informatietechnologie een nieuwe basis creëert voor economische macht en welvaart. Tot het einde van de negentiende eeuw was die basis volgens hem ‘territorium’: wie het meeste land en dus ook de meeste grondstoffen bezat, was het machtigst. Na de Tweede Wereldoorlog, verschoof deze machtsbasis van concurrentie naar handel. De prijzen van grondstoffen daalden, die van producten stegen. De landen met de meest efficiënte industrie en de best getrainde arbeidskrachten werden welvarender en machtiger. Handel, de expansie van de afzetmarkt, verving territoriale expansie als fundamenteel staatsdoel. De internationale concurrentie werd dan ook heel intens, vooral in de jaren tachtig. Steeds meer bedrijven stortten zich op de informatietechnologie om hun productiviteit en dus hun concurrentiepositie te verbeteren. Die verschuiving was volgens Rosecrance vooral voor de VS een gouden zaak. De informatietechnologie maakte het bedrijven mogelijk zich te ontdoen van overtollig personeel en steeds flexibeler te worden. Sommige ondernemingen verplaatsten hun productie naar andere landen of besteedden haar uit. Het eindproduct van die tendens noemt Rosecrance ‘het virtuele bedrijf’: firma’s zoals in Silicon Valley die wel een hoofdzetel, een researchcentrum, financiële diensten en marketingdiensten hebben maar geen productiefaciliteiten. Andere minder winstgevende bedrijven produceren voor hen. Rosecrances these is dat landen in deze eeuw dezelfde weg op zullen gaan en dus ‘virtuele staten’ zullen worden.


Zijn model is Hongkong, waarvan het Bruto Nationaal Product (BNP) voor 83 procent uit diensten bestaat, terwijl het land zijn industriële productie grotendeels heeft uitbesteed aan China. Dat verduidelijkt meteen dat Rosecrance wel alle landen in een ‘virtuele’ richting ziet evolueren maar sommige veel virtueler dan andere. Sommige landen worden ‘hoofdstaten’, andere ‘lichaamstaten’. De eerste produceren ideeën en beheersen de informatiestroom, de tweede maken dingen op basis van die ideeën. ‘Brainpower’ in plaats van méér industriële productiecapaciteit bepaalt dan welke landen machtig en rijk worden. Of liever: blijven, want in de categorie der ‘hoofdstaten’ situeert Rosecrance alle hoogontwikkelde landen. Maar voor de ontwikkelingslanden wordt het gemakkelijker om aansluiting te vinden. De drempel wordt lager omdat het ontwikkelingsland niet meer hoeft te concurreren met dure industriële capaciteit, maar met menselijk kapitaal. Met de juiste investeringen is ook een Afrikaans land in staat zijn brainpower snel te doen groeien.


Conflicten tussen hoofd- en lichaamstaten verwacht Rosecrance niet. Oorlog heeft in de nieuwe context geen zin meer. Ideeën en kapitaal zijn mobiel, er is dus niets meer te veroveren. De 21ste eeuw wordt dan ook ‘een nieuw tijdperk van vreedzame competitie tussen landen’.


Onzin, zou Eamonn Fingleton zeggen. De ex-redacteur van Forbes en de Financial Times zegt in zijn In Praise of Hard Industries dat over de ‘nieuwe informatie-economie’ veel onzin wordt verteld. In plaats van een ‘long boom’ voorspelt hij structurele neergang, tenminste voor die landen die te veel hebben ingezet op de ‘nieuwe economie’.


Fingleton verwerpt niet de informatietechnologie als zodanig, maar hij meent dat industriële productie ook in de 21ste eeuw de basis blijft van groei en welvaart. De evolutie die Rosecrance toejuicht, vindt Fingleton onheilspellend. Het succes van Microsoft vindt hij misleidend, want het zou te danken zijn aan hun unieke monopoliepositie. Fingleton geeft drie argumenten waarom landen die te veel nadruk leggen op de informatie-economie ten nadele van de traditionele industrie daar in de toekomst voor zullen boeten. Het eerste betreft tewerkstelling: op lange termijn zou de informatie-economie minder banen creëren dan de traditionele industrie. Twintig procent van de Amerikaanse actieve bevolking zou zo gemarginaliseerd worden. Het tweede betreft inkomensgroei. Die blijkt in landen die hun traditionele industrie hebben laten uithollen (de VS, Groot-Brittannië, Canada) trager dan in landen die dat niet deden (Duitsland, Japan, Zuid-Korea, Zwitserland).


Fingletons derde argument is dat software en andere informatieproducten taal- en cultuurgebonden zijn en daarom minder exportpotentieel hebben dan industriële producten. Bovendien zijn ze een makkelijke prooi voor softwarepiraten. Het commerciële potentieel van het internet is volgens hem zwaar overschat. Internetbedrijven zijn gedoemd de hooggespannen verwachtingen die blijken uit hun hoge beursnoteringen niet in te lossen. Protectionistische handelsbarrières zullen door het internet niet sneller verdwijnen.



ZOWEL FINGLETONS als Rosecrances boek bevat stevige argumenten maar schieten toch te kort. Ze compenseren elkaar, maar de som van hun juiste observaties levert nog geen samenhangende analyse op. Zo schrijft Rosecrance dat de technologische ontwikkeling deze eeuw alle schaarsteproblemen zal oplossen. Schaarste is echter allang geen technologisch probleem meer, wel een kwestie van koopkracht. Een derde van de mensheid is volgens een recent VN-rapport ondervoed, maar die mensen houden zichzelf dan ook in leven met een technologie die nauwelijks verschilt van die van hun voorouders. Singleton, met zijn protectionistische recepten, draagt ook geen oplossing aan. Klaarblijkelijk doet de wereldeconomie niet genoeg koopkracht ontstaan om de meerderheid van de wereldbevolking technologisch in de twintigste eeuw te brengen, laat staan in de 21ste. Als die koopkracht er zou zijn, zou ook de markt bestaan om een echte globalisering van de nieuwe economie winstgevend te maken. Voor de nieuwe technologie is de markt voorlopig nog enorm, omdat ze een nieuwe infrastructuur en nieuwe productiemethoden creëert voor de hele wereldeconomie. Die transformatie brengt een productiviteitsverhoging met zich mee die meer welvaart belooft maar die ook de kloof tussen productievermogen en consumptievermogen (koopkracht) verbreedt.


Singleton begrijpt wel dat de globalisering een dubbele beweging impliceert: integratie en uitdrijving. De hoogontwikkelde landen zijn niet alleen hightech-producenten maar ook hightech-consumenten. Wat de minder ontwikkelde landen kunnen maken, past steeds minder in onze hypertechnologische maatschappij. Die uitdrijvingstrend wordt vaak vergoelijkt met Schumpeters beroemde uitspraak dat vernieuwing in onze maatschappij nu eenmaal gepaard gaat met ‘creatieve verwoesting’. Of de globalisering meer creatief is dan verwoestend, zal de 21ste eeuw uitwijzen. Het antwoord staat niet in deze boeken.



Richard Rosecrance, The Rise of the Virtual State. Uitg. Basic Books, 287 blz., $26,-. Eamonn Fingleton, In Praise of Hard Industries. Uitg. Houghton Mifflin, 273 blz., $26,-