Toelatingsexamen voor politici

De Nederlandse politiek is rijk aan nonsensicale denkbeelden, en het treurige is dat die vaak in daden worden omgezet. Een van de recentste voorbeelden is de uitzending van Nederlandse militairen naar Kunduz om daar Afghanen tot politieagent op te leiden, onder de voorwaarde dat de dames en heren niet mogen vechten.

De Kunduz-missie hebben we te danken aan het CDA, de VVD en GroenLinks dat onder leiding van Jolande Sap de doorslag heeft gegeven. Daar zit onze missie in het corrupte land, betrokken bij een uitzichtloze oorlog, terwijl de strategische leiding in Washington het ene plan na het andere verzint zonder dat Den Haag daar enige invloed op heeft. Hopen dat het goed afloopt, meer kunnen we niet.

Nog een paar voorbeelden. Een paar jaar geleden werd het openbaar vervoer in Gouda geterroriseerd door moslimjongens. Wilders stelde voor de militairen uit Afghanistan terug te roepen om het plaatselijke busverkeer te zuiveren. Al eerder had hij via een film de hele islam in de ban gedaan. Wat is van een en ander het effect geweest? Er waren geen gevolgen. Het toppunt van kostbare vruchteloosheid werd bereikt door Joseph Luns, die in 1956 minister van Buitenlandse Zaken werd. Hij wilde, tegen de zin van Indonesië, de Papoea’s op West-Nieuw-Guinea de democratie brengen. Dat deel van het eiland was toen nog onder Nederlands beheer. Om deze politiek kracht bij te zetten werd het vliegdekschip Karel Doorman naar de bedreigde kolonie gestuurd. De onderneming liep uit op een totale mislukking, waarbij Nederland de risee van de internationale gemeenschap werd.

Het is jammer dat Nederlanders die de politiek in willen geen toelatingsexamen moeten doen. Het gaat dan niet om hun idealisme, bevlogenheid, hun kennis van de vaderlandse geschiedenis en de aardrijkskunde, hun taalgebruik, maar om de politiek als een vak, ongeacht de overtuiging die de kandidaten zijn toegedaan. Dit wordt in Nederland vaak vergeten. Om in de politiek te gaan is het niet voldoende dat een kandidaat zich met geestdrift en energie voor het programma van zijn partij inzet. Hij of zij moet zich er als politicus ook rekenschap van geven dat het bedrijven van politiek een beroep is dat zijn eigen verantwoordelijkheid met zich meebrengt.

Daarover heeft de Duitse socioloog Max Weber in 1918 zijn klassiek geworden lezing gegeven, PolitikalsBeruf. Daarin maakt hij het principiële onderscheid tussen de Gesinnungs­ethik van de godsdienst, de verkondiging van absoluut geachte waarheden (zoals in de Bergrede) en de Verantwortungsethik, die voorschrijft dat men voortdurend rekenschap aflegt van plannen, woorden, daden en resultaten. Dat is de ethiek van de politicus. ‘Het bedrijven van politiek is als een langzaam en onverzettelijk boren in zeer hard hout. Het vergt zowel een diepe overtuiging, hartstocht, als rationeel inzicht.’ Zo besluit Weber zijn verhandeling. Veel Nederlandse politici doen in beginsel denken aan de figuur van W.F. Hermans, die denkt dat hij de berg beklommen heeft als hij hem op de kaart heeft aangewezen. En ook hebben ze iets van de Veelbelovers, het anarchistische gezelschap dat in 1921 als politieke partij deelnam aan de Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen. Tot de belangrijkste punten van het programma hoorden vrij jagen en vissen in het Vondelpark, afbraak van de urinoirs en aanplant van veel bomen. Daarmee hebben ze toen één zetel gekregen.

Nu waait er een wind van radicale vernieuwing door de Nederlandse politiek. Natuurlijk. Dat is een reactie op de crisis en vooral op de toenemende radeloosheid van de afgelopen twee jaar. Tot het meest opzienbarende nieuws hoort het besluit van de 31-jarige Tofik Dibi om zich kandidaat te stellen voor het leiderschap van GroenLinks. Hij is te jong, het ontbreekt hem aan ervaring, zeggen de tegenstanders. Hoe weten ze dat? En bovendien, de vaderlandse geschiedenis leert dat ook een ruime ervaring in politiek Den Haag geen garantie biedt tegen het begaan van geweldige blunders. Wie weet welke opluchting een energiek politicus van 31 jaar die niet belast is met een verleden vol nobele denkbeelden en grote vergissingen zou kunnen brengen.

Maar jeugd alleen is niet voldoende. In de Volkskrant (10 mei, voor abonnees) wordt de kandidatuur van Dibi door de historicus Willem van Ewijk met geestdrift begroet. Ik ben het gedeeltelijk met hem eens. Het Haagse systeem is in zijn eigen zorgvuldig gehandhaafde continuïteit aan verkalking ten prooi gevallen. Maar ik denk dat Van Ewijk tot een verkeerde conclusie komt. ‘De kiezer maakt wel uit wie deskundig is’, schrijft hij. Was dat maar waar. ‘De’ kiezer bestaat niet. Maar het electoraat is op een andere manier dan de Haagse politiek ten prooi aan verwarring, door het populisme, door de media die steeds meer fun, entertainment, lifestyle en natuurlijk voetbal brengen. Het politieke bedrijf in zijn geheel is in verval. Dibi, doe je best!