Toen de pracht ons leven verliet

In Verheven koninkrijk maakt Yaa Gyasi inzichtelijk wat het is om kind te zijn van twee culturen. Door haar toon, haar ‘simpele zinnen’, zijn we er direct bij.

Niets ontspringt aan het oog van Yaa Gyasi © Gabriela Hasbun / Redux / ANP

Yaa Gyasi werd geboren in Ghana in 1989 en groeide op in Huntsville, Alabama. Ze studeerde aan de Iowa’s Writers Workshop en debuteerde in 2016 met Homegoing. Weg naar huis was een indrukwekkend boek over de nazaten van een Asante-vrouw, een historische roman over slavernij en segregatie met een veelvoud aan stemmen uit verschillende eeuwen, dat terecht verschillende prijzen won.

Gyasi’s tweede, Transcendent Kingdom (in vertaling verschenen bij De Bezige Bij) is minder ambitieus van opzet. Verheven koninkrijk is een roman over familie en verlies, en hoe het is om een kind te zijn van twee culturen. In twee verhaallijnen, die elkaar in korte hoofdstukken afwisselen, hebben we de vertelde tijd nu, waarin de moeder van de verteller, Gifty, op bezoek is bij haar dochter in Californië, en de vertelde tijd toen, over Gifty’s jeugd in Alabama. In het ‘nu’ is Gifty een alleenstaande promovendus neurowetenschap, in het ‘toen’ de jongste van een gezin van vier: zij, haar broer Nana, haar moeder, die als huishulp werkt, en haar vader, de Chin Chin-man, allebei afkomstig uit Ghana. Tussendoor heeft Gyasi de brieven geplaatst die de jonge Gifty in haar dagboek schreef aan God. Het taalgebruik in die stukken is simpel en treffend, en ontroerend: ‘Lieve God, Buzz (de schuilnaam voor haar broer – ph) zegt dat het christendom een cult is, maar dan van zo lang geleden dat niemand nog wist wat dat was. Hij zegt dat we nu veel slimmer zijn dan toen. Is dat waar?// Lieve God, kunt u laten merken dat U echt bestaat?’ Omdat er ruimte zit tussen wat het kind niet weet en de lezer wel: de ellende die haar te wachten staat.

De personages brengen soms wat al te overduidelijk de thema’s de roman binnen: Gifty’s werk als hersenonderzoeker brengt het westerse verlichtingsideaal het boek binnen; haar aan pijnstillers verslaafde, overleden broer de opiatencrisis; haar gelovige moeder religie en de pastoor (Gifty leert als jong meisje de bijbel uit haar hoofd en in de lopende tekst komen allerlei bijbelcitaten voorbij, van het Hooglied tot Markus); en haar laboratoriumgenoot Han de liefde (vanaf zijn introductie weet je als lezer al dat daar iets gaat gebeuren, helaas is die spanning eerder voorspelbaar dan opwindend). En ook in afwezigheid kunnen de personages ‘schitteren’ in hun functionaliteit: door haar vertrokken vader wil Gifty een ‘uitblinker’ worden en opvallen, door haar overleden broer moet dat natuurlijk met verslavingspreventie te maken hebben.

Als lezer lopen op sommige momenten de rillingen over je rug

Maar de stijfheid van de Nederlandse uitgave ligt niet alleen aan het staketsel van personages en verhaallijnen van de roman, noch aan Gyasi’s schrijfstijl; het komt ook door de vertaling. De openingszin van de roman luidt in het Engels: ‘Whenever I think of my mother, I picture a queen-sized bed with her lying in it, a practiced stillness filling the air.’ In de vertaling werd dat: ‘Altijd wanneer ik aan mijn moeder denk, zie ik een tweepersoonsbed voor me waar zij in ligt, terwijl er een geoefende stilte in de kamer hangt.’ Precies de bijzin die de zin maakt, is veranderd, verdwenen.

Wie betrekkelijk simpele zinnen schrijft, moet het hebben van de toon – en niet het vertoon – van zijn vertelstem. Die toon zit ’m in ritme en woordkeuze en zinsopbouw. Gyasi eindigt haar openingszin bovendien met een bijzin, een heel specifieke bepaling, ‘een geoefende stilte die de lucht vult’. We zijn er direct bij, voelen de stilte in die kamer hangen. In de vertaling wordt het logge ‘Altijd wanneer’ en een lelijke ‘er’-constructie gebruikt. Mooier was geweest: ‘Altijd als ik aan mijn moeder denk, zie ik een tweepersoonsbed waar zij in ligt voor me, terwijl een geoefende stilte de kamer vult.’ Op de volgende bladzijde wordt ‘But my mother, in her bed, infinitely still, was wild inside’ vertaald als: ‘Maar mijn moeder, oneindig roerloos, in haar bed, raasde vanbinnen’. Die zin klotst even onrustig als kadewater – en welke dertiger zou over haar moeder zeggen dat ze ‘oneindig roerloos’ in bed ligt? Wat is er mis met ‘doodstil’ en ‘wild vanbinnen’?

Is het dan allemaal treurnis troef in deze roman? Nee, daarvoor is Gyasi een te begenadigd auteur: Gifty’s weerzien met haar vader, bijvoorbeeld, is indrukwekkend door de vader-dochter-pijn én door de ontmoeting tussen twee verschillende culturen: Gifty is wellicht in Ghana geboren, ze is Amerikaans in haar opvattingen, het zijn niet alleen twee generaties die met elkaar botsen, maar ook twee culturen. De dochter begrijpt niet dat ze haar vader niet mag beschamen door zijn falen ter sprake te brengen. Ook de ruzies tussen de Chin Chin-man en Gifty’s moeder, de observaties van de uitwerkingen daarvan op de kinderen (een prachtige scène waarin rode M&M’s een hoofdrol spelen), observaties over verlichte Amerikanen die boven gevulde borreltafels de noodzakelijke hervorming van het gevangeniswezen en de klimaatproblematiek bespreken zonder iets te doen en het racisme langs Amerikaanse voetbalvelden: Gyasi fileert het allemaal even kil als woedend. Als lezer lopen op sommige momenten de rillingen over je rug en op andere momenten gaat je bloed koken.

Als Gyasi in toon en observatie voorbij het gemeengoed komt, is ze bijna even goed als Jhumpa Lahiri, en zijn de terloopse observaties van de student die haar geluk beproeft tijdens een klas creative writing zowel treffend als functioneel: wij zijn erbij als Gifty in de werkgroepruimte zit en haar docent binnenkomt en zegt: ‘Bij Hopkins draait het allemaal om het genot van de taal. En wij als lezer beleven, tijdens het lezen, eenzelfde genoegen.’ Op haar best is Gyasi als ze worstelt met de opvulling van de leegte – nee, als haar personages worstelen met de opvulling van de leegte van het leven, met hun pijn, als ze op zoek zijn naar hun koninkrijk en de momenten die beladen zijn met betekenis en vlammen als licht in bewogen spiegels: niets ontspringt dan aan het oog van de auteur, het verdrietige noch het vreugdevolle, of hoe die twee met elkaar samenhangen. Ik citeer, uit het origineel: ‘If I’ve thought of my mother as callous, and many times I have, then it is important to remember what a callus is: the hardened tissue that forms over a wound.’ Niemand raakt ongevoelig, harteloos, afgestompt zonder een wond, ontstaan toen de pracht ons leven verliet. De vraag is volgens Gyasi niet óf dat gebeurt, maar hoe wij daarmee omgaan.