Toen het moorden begon

‘WAT HEB IK te verliezen? Ik ben zo goed als dood. Het enige wat ik nog kan doen, is proberen duidelijk te maken dat de zaken in Algerije veel ingewikkelder liggen dan jullie hier denken. Het is geen strijd tussen overheid en islamisten, tussen veiligheidstroepen en fundamentalistische terroristen. Het is een strijd van iedereen tegen iedereen. Een geweldsspiraal waar je niet meer uitkomt. Deze oorlog dient geen enkel doel. Het is barbarij om de barbarij. Als jullie denken dat het binnenkort afgelopen is met het bloedvergieten, hebben jullie het mis.’

Youssef weet waarover hij spreekt. Twee jaar lang maakte hij deel uit van een islamistische terreurgroep die opereerde in een bergachtig district ten zuiden van Algiers. In 1994 werd een arrestatiebevel tegen hem uitgevaardigd en vluchtte hij naar Nederland. Nu leidt hij een vredig bestaan in de polder. Zoals de meeste Algerijnen die hier een asielaanvraag hebben ingediend is hij uitgeprocedeerd. Youssef kan elk moment worden uitgezet, want Algerije is per ambtsbericht ‘veilig’ verklaard, ondanks de voortdurende strijd die al aan minstens zestigduizend mensen het leven heeft gekost. Uit zijn hoofd citeert Youssef een vers uit de koran: ’“Wie terugkeert van het slagveld terwijl de slag nog niet ten einde is, is geen moslim meer.” In de ogen van de amir ('prins’, leider van islamistische strijdgroepen - jb) ben ik een afvallige, een verrader. Ik moet worden gedood.’ Ook als Youssef in handen valt van de overheid wacht hem weinig goeds. Op terroristische activiteiten staat de doodstraf. En al is die officieel opgeschort, volgens Amnesty International en Human Rights Watch maken de veiligheidsdiensten zich schuldig aan systematische buitenrechtelijke executies. 'IK HEB EEN goed hart, dat weet ik zeker. Soms vind ik het ongelooflijk wat ik heb gedaan. Maar het is voortgekomen uit iets goeds. Ik wilde mijn volk helpen. Ik wilde iets doen voor de gewone Algerijnen. Die zijn overgeleverd aan de willekeur van een corrupte regering die nergens voor terugdeinst.’ Youssefs guerrillagroep was gelieerd aan het Fis, het Front Islamique du Salut, dat eind jaren tachtig explosief groeide door een mix van oppositie tegen de gehate regering en revitalisering van de Islam. In 1990 werd hij lid. Youssef: 'We wilden van Algerije een beter land maken. De rijkdom zou beter worden verdeeld. Ik verspreidde posters op de universiteit. Die kreeg ik van een tussenpersoon in Algiers. Ik kopieerde ze zelf. Na een poosje kreeg ik de opdracht bijeenkomsten te beleggen. Vooral na het ongeldig verklaren van de verkiezingen in 1991 en het verbod op het Fis werd ik erg actief. Ik werd een leider, organiseerde demonstraties. Uiteindelijk werd ik gearresteerd, in januari 1992. Zonder enige geldige reden en zonder bewijs. Er is een wet die inhoudt dat de politie de universiteit niet mag betreden. Maar in Algerije stelt de wet niets voor. Ze kwamen met honden. Ik werd zes dagen vastgehouden.’ Die zes dagen vormen een keerpunt in zijn leven. Hij werd seksueel misbruikt en gefolterd. Youssef: 'Toen ik werd vrijgelaten, zag ik alleen nog maar duisternis. Het licht wilde maar niet terugkeren. Vanaf die tijd ben ik verder en verder gegaan. Mijn partij ging ondergronds. Er vonden steeds meer sabotageacties plaats van groepen die iets met het Fis te maken hadden. Ook rond mijn dorp opereerde een guerrilla-eenheid. Door die groep werd ik benaderd en ik stemde toe. Ik stond volledig achter onze acties, want ze ondermijnden de kracht van de staat. Toen het moorden begon, veranderde ik van gedachten. Maar toen was het te laat.’ YOUSSEF BEWOONT een huis van degelijke oer-Hollandse nieuwbouw. Acht in een rij. De kale woonkamer wordt gedomineerd door een grote televisie en een oude bank. Youssef deelt de woning met een zwijgende landgenoot. Net als hij gevlucht voor het geweld, net als hij uitgeprocedeerd. Telkens als ik hem kom opzoeken, haalt Youssef me van het station. Hij is altijd rustig en altijd vriendelijk. Soms valt hij stil, maar hij geeft uiteindelijk antwoord op elke vraag, hoe schaamteloos gesteld dan ook. Voordat hij wordt uitgezet wil hij zijn verhaal in ieder geval één keer helemaal hebben verteld. Na onze gesprekken begeleidt hij me steevast weer naar het station. Het zijn zwijgende polderwandelingen, uitgeleiden uit een verwarrende wereld. Youssef is 29, nog geen twee jaar ouder dan ik, en toch had hij mijn vader kunnen zijn. Youssef: 'Er is een waarheid die verborgen wordt gehouden. Of misschien durft niemand hem te zien. Wat de regering terroristen noemt, zijn geen bloeddorstige moordenaars. Het zijn arme en slecht opgeleide dorpelingen die denken dat ze vechten tegen onderdrukking. Je kunt hun vertrouwen winnen door vriendschap. De meesten kunnen niet lezen en schrijven. Mijn huisgenoot bijvoorbeeld heeft net geleerd hoe hij zijn naam moet spellen. Ze worden misbruikt en ze zien het niet. Het gaat stap voor stap. Sluipend bijna. De amir zorgt ervoor dat je in het begin niet betrokken raakt bij gewapende acties. Als je je dienstbaarheid hebt bewezen, word je ingezet bij moord en geweld. Dan kun je niet meer terug. Het klinkt misschien gek, maar er zijn veel mensen in die groepen die in feite niet echt schuldig zijn aan de moorden die ze begaan. Ze kunnen niet anders. Vluchten is verraad, en op verraad staat de doodstraf. Voor jou en je hele familie. Ik was als enige opgeleid, ik zag dat ik erin werd gezogen, maar zelfs ik kon geen “stop” roepen. Dat zou mijn einde zijn geweest. Pas hier ben ik me gaan realiseren wat er is gebeurd, hoe het precies is gegaan. Op de universiteit was ik een leider, maar in de militaire tak had ik niets te zeggen. Ik stond net als iedereen onder bevel van onze amir. Dat was een simpele ziel die een paar boeken had gelezen. De man onder hem was monteur. Ze hadden een geweldige mensenkennis. Ze wisten precies wie ze voor welke klus moesten uitkiezen. Ze wisten dat ik geradicaliseerd was door mijn gevangenschap. En ze hadden me nodig.’ 'HET ECHTE GEWELD begon toen de prijzen voor voedsel de pan uit rezen. De regering greep niet in. Mijn groep maakte een plan om de handelaren ervan te overtuigen in ons dorp normale prijzen te hanteren. In een proclamatie schreven we nieuwe, lagere voedselprijzen voor. Wie zich daar niet aan hield kreeg de doodstraf. Ik had inmiddels een baan als leraar wiskunde. Als ik ’s morgens naar de school liep, zag ik het bericht hangen. Ik vond de doodstraf wel wat ver gaan, maar, dacht ik, dan houden ze zich er tenminste aan. Eén van de slagers in het dorp had een grote mond. Hij vertelde aan iedereen dat die proclamatie onzin was, dat de islamisten kinderen waren die niet wisten wat ze wilden. “Gister een alcoholist, vandaag een islamist”, zei hij. Een dag later werd zijn lichaam gevonden. Zijn hoofd lag op een andere plek. Ik wist meteen dat dat het werk was van mijn groep. Bij de eerstvolgende ontmoeting vertelde ik dat ik aan zoiets niet wilde meewerken. Vanaf die tijd heeft de amir me gewantrouwd. Ik was goed bruikbaar, maar ik zou ook een gevaar voor ze kunnen worden. Onze groep was ongeveer veertig man sterk. De ontmoetingen waren altijd buiten het dorp, in de bergen. Daar waren we moeilijk te vinden. Iedereen droeg een ninja-achtig masker, een zwarte bivakmuts. Ik niet. Toen ik voor het eerst werd gesommeerd op een ontmoeting te komen, werd me dat niet verteld. Ik vond ook niet dat we iets illegaals deden. We hadden toch het recht ons te verzetten? Op de bijeekomsten werd weinig gesproken. Er werd niet gebeden of gepreekt. Dat de terroristen fundamentalisten zijn is propaganda. Zo probeert de regering in te spelen op de angst van het Westen. Ons “fundamentalistische” geweld verschafte de regering de mogelijkheid hardhandig het volk te onderdrukken. Een van de ontmoetingen was hemelsbreed op tweehonderd meter afstand van een gendarmeriebarak. Ik kon de soldaten zien. We zetten wachtposten uit zodat we niet verrast zouden worden, ze hielden contact met de amir via walkie-talkies. De bewapening was nog niet zo goed in die tijd. We hadden vooral jachtgeweren met afgezaagde loop. Geen kalasjnikovs. Die kwamen later, toen het geweld echt op gang kwam. Vaak kwamen die rechtstreeks van het leger. De terroristen hebben overal connnecties. In onze groep zat zelfs een politieman. We voerden aanslagen uit, opgedeeld in kleine commando-eenheden. Mijn eerste opdracht was het saboteren van telefoonlijnen met een eenheid van zo'n vijftien man. Daarna volgde een aanslag op een houtfabriek van de staat. We spaarden de beheerder, de fabriek staken we in brand. Later hebben we het gemeentehuis van ons dorp vernietigd. Dat was allemaal nog onschuldig. Ik voelde dat het fout ging toen ze aankwamen met een fatwa, een doodvonnis, voor een oude vriend van me. Hij werkte in Algiers bij de politie. De amir vertelde ons dat hij martelde. “Ik ken hem, hij is tot zoiets niet in staat”, zei ik. “Wil je een bewijs”, vroegen ze? Een tijdje later kreeg ik foto’s te zien van mijn vriend in volle actie. Ik heb geen flauw idee waar ze die foto’s vandaan haalden, maar ze hadden ze. Ze hebben zijn keel doorgesneden.’ 'OP EEN DAG kwam mijn broertje me halen. “Er zijn mensen die je willen spreken”, zei hij. Buiten stond een auto. Ik had de chauffeur en de bijrijder nog nooit gezien, maar de twee achterin kende ik wel. Ze hoorden bij onze groep. Ik moest instappen en kwam in het midden te zitten. Ze lieten me een fatwa zien voor een agent uit ons dorp. “Dat is degene die jou mishandeld heeft”, zeiden ze. Er waren twee shotguns in de auto, en een kalasjnikov. Ik zag ook messen. Ik kreeg een Baretta 9 mm in mijn handen gedrukt. We stopten voor zijn huis. Ik moest uitstappen. Eén van hen ging met me mee en klopte op de deur. De agent deed open en er volgde een order. Schiet! Ik deed het. Ik raakte hem in zijn gezicht. Hij stond zo dichtbij, ik kon niet missen. Zijn lichaam viel op de grond. Ik was helemaal slap. Ze moesten me in de auto tillen. Mijn familie was in gevaar, ze hadden me van huis opgehaald. Ik kon niet anders. Dus ik heb het gedaan. Wat kan ik er nog over zeggen? Ze hadden me nodig voor iets groters dan dit, dat weet ik zeker. Ik moest me compromitteren. Niet meewerken zou mijn einde zijn geweest. Ook mijn familie zou er niet goed zijn afgekomen. Na de moord werd ik gezocht. Mijn signalement werd verspreid. Ik verzocht de amir om rust. Ik was er slecht aan toe, helemaal in de war. Er werd een schuilplaats voor me gemaakt in de bergen, in een grot. Daar ben ik meer dan een week geweest. Daarna ben ik gevlucht. Een vriend heeft me naar de Marokkaanse grens gebracht. Hij is later vermoord. Via Marokko ben ik in Spanje terechtgekomen. Daarvandaan ben ik met de trein naar Parijs gegaan. Uiteindelijk ben ik doorgereisd naar Nederland. Het is een wonder dat ik ben weggekomen. Hier ben ik volledig ingestort. Ik sprak met niemand meer en wilde terug naar Algerije. Dan zou ik er vanaf zijn. Ik ben niet de enige, zeg ik vaak tegen mezelf. Iedereen die bij de terroristen terechtkomt, wordt uiteindelijk gedwongen te doden. Daarna word je een psychisch wrak. De enige remedie voor terroristen is een psychische behandeling. Ik heb mezelf hard aangepakt. Ik kan nu terugkijken op wat ik heb gedaan en hoe het zover heeft kunnen komen. Uiteindelijk blijf je zelf de enige schuldige. Af en toe slaat het weer toe. Dan zie ik mezelf niet meer, maar iemand anders. Ik weet dat de nieuwe Youssef elk moment kan exploderen. Hier of in Algerije. Eigenlijk maakt het niets uit.’ De naam Youssef is gefingeerd