INTERVIEW MET onderwijzeres blijdorp

Toen klas groep werd

De gevolgen van twintig jaar vernieuwingsdrang heeft Pien Blijdorp als juf, soms geamuseerd dan weer verbijsterd, kunnen aanschouwen. ‘Alles moest telkens anders, met een nieuw etiket erop.’

Eerst wil Pien Blijdorp kwijt dat ze lesgeven nog steeds een prachtig vak vindt. ‘Werken met kinderen is fijn. Ze zijn spontaan en het zijn net sponsjes; optimaal in staat om op te nemen. Als daar tenminste de ruimte en de tijd voor is.’ Ze zal met groot plezier blijven werken totdat ze over drie jaar 65 jaar wordt. Dan heeft ze 35 jaar lesgeven achter de rug, ruim drie decennia van drastische veranderingen in het basisonderwijs. Nee, ze is niet optimistisch over de toekomst. ‘Het enige wat Den Haag doet om weer grip op het onderwijs te krijgen, is méér administratie. Maar wil het goed komen, dan moet je vanaf de basis opnieuw beginnen. Het is fout gegaan toen de kleuterschool en de lagere school tot het basisonderwijs werden samengesmolten. Toen klassen groepen gingen heten. Het was bovendien een gigantische operatie en tegelijkertijd moest er fors bezuinigd worden. Als je een huis gaat verbouwen terwijl je geen rode cent te besteden hebt, gaat het hele pand inclusief de bewoners naar de knoppen.’

Ze noemt zichzelf graag juf, want ze heeft niets op met al die termen – leerkracht of docent basisonderwijs – die erop zijn geplakt om het beroep een andere status te geven. ‘Een echte juf is een roeping, net als een ouderwetse huisarts. Je bent er altijd mee bezig. Als ik mijn buurman dennenappels in zijn tuin zie bijeenharken, loop ik er gauw even heen om ze mee te nemen voor een rekenles of om te knutselen. Mijn vak is in de afgelopen jaren overwoekerd geraakt door veranderingen en papiermolens om vernieuwingen vast te leggen, te controleren en te evalueren. Het is net alsof Den Haag groot wantrouwen koestert jegens de mensen op de werkvloer. Er is geen vertrouwen meer in de vakkennis van de docenten.’

Ze verzucht, zoals veel collega’s, ‘dat er nooit naar de leraren is geluisterd’, waarbij ze voorzichtig zegt: ‘Met dank aan de vernieuwingsdrang van de Partij van de Arbeid. Ik heb veel collega’s murw gebeukt zien afknappen. Uitgerekend deze partij heeft een parlementair onderzoek naar twintig jaar onderwijs voorgesteld. Dat vind ik raar. Het kost allemaal weer zoveel tijd.’

Pien Blijdorp ging na haar opleiding aan de Pedagogische Academie werken in de middenbouw, de tweede en derde klas, die na de fusie van de lagere school met het kleuteronderwijs groep 4 en groep 5 gingen heten. Ze ervaart het opdoeken van de oude kleuterkweekschool als een ramp. ‘Kleuteronderwijs is een specifiek vak, waarvoor je vroeger werd opgeleid in een driejarige kweekschool tot kleuterleidster. Kleuters leren ervaringsgewijs en dat vergt ervaringsgericht onderwijs. Op de oude kleuterkweekschool kreeg je bijvoorbeeld les in de opbouw van vouwreeksen. Eenzelfde opbouw heb je bij de begrippen klein, groot, licht en zwaar en vormt de basis bij tellen en rekenen. Wordt dat niet goed onderwezen, dan kunnen de kinderen later grote moeilijkheden krijgen met rekenen.’

Het ervaringsgerichte onderwijs moest in groep 3 vervolgens terugkomen in de vorm van een speelleerklas. ‘Met de invoering van de basisschool moesten we ineens breed inzetbaar zijn. Maar dat werkt niet. Want iedere leerkracht heeft zijn voorkeur voor een bepaalde groep en heb je niet een gedegen kleuteropleiding gehad, dan kun je kleuters wel bezighouden, maar ze echt onderwijzen is even wat anders. Dat leer je niet in een korte applicatiecursus.’

Het idee achter de basisschool snapt Blijdorp wel: een gelijke start creëren. ‘De kleuterschool was niet verplicht en zo kon het voorkomen dat kinderen, vaak uit sociaal lagere klassen, zonder kleuterschool ineens in de voormalige eerste klas kwamen. Dat zorgde bij de start voor een verschil in ontwikkeling. Het was dus een goede gedachte, maar pedagogisch-didactisch klopt het niet. Dit vind ik typerend voor de manier waarop de politiek tegen onderwijs aankijkt. Theorie versus praktijk. En op iedere verandering werd een mooi etiketje geplakt.’

Ze vertelt hoe er telkens nieuwe vakken ingevoerd en weer afgeschaft werden. ‘Geestelijk maatschappelijke stroming, techniek, muzikale vorming, noem maar op, ik weet het niet eens allemaal meer. Ook moesten er allerlei cursussen gevolgd worden, zoals speerpunt lezen, speerpunt spellen, speerpunt begrijpend lezen, speerpunt rekenen. En dan kwam er iemand van de School Begeleidingsdienst ons uitleggen hoe we het moesten doen. Vakken als geschiedenis, aardrijkskunde, biologie werden geïntegreerd. Nu worden ze weer gegeven als aparte zaakvakken, gelukkig.’

De vakken moesten op een steeds andere manier worden aangeleerd. ‘Het oude koopmansrekenen werd vervangen door wiscobas, wiskundige bewerkingen. Vaardigheden, hoe ze tot een antwoord kwamen, werden belangrijker dan het goede antwoord. Best leuk hoor, maar enorm tijdrovend. Bovendien: voor slimme kinderen is het wel goed, maar zwakkeren raken in de war.

Adaptief onderwijs, weer zo’n kreet. Dat wil zeggen: ieder kind heeft een eigen intelligentie en werktempo. Dat is natuurlijk een waarheid als een koe. Ieder kind moet op eigen niveau gaan werken. Tegelijkertijd moet een klas wel aan het einde van het jaar voldoen aan “eindtermen”, een norm die is vastgesteld in Den Haag. Dat wordt getoetst en als er te veel kinderen onder de norm vallen, krijg je als school op je donder. Het is toetsen en nog eens toetsen. Die controle genereert weer een papiermolen. Als school moet je alles op papier vastleggen voor de kwaliteitswaarborg.’ Over het niveau van de huidige Pabo-leerlingen kan Blijdorp meepraten. Ze kent het: stagiaires die met een rood hoofd stamelend voor het bord zeggen dat ze de tafels niet kennen, niet kunnen spellen en het verschil tussen 4 en 5 mei niet weten. ‘Maar zij kunnen het niet helpen. De opleiding en de vooropleidingen schieten te kort. Aangeleerde vaardigheden moet je bijhouden. Bovendien schort het op de Pabo’s aan praktijkbegeleiding.’

Volgens Blijdorp heeft de teloorgang van het onderwijs vooral te maken met bezuinigingen. ‘Op een gegeven moment moest er bezuinigd worden op het goede speciaal onderwijs, een systeem waartegen in het buitenland enorm opgekeken werd. Een school mocht ineens geen kind aan de poort weigeren en moest alle kinderen aan boord houden. Dat betekent dat veel kinderen met gedrags- en leermoeilijkheden op de basisschool moeten blijven. Dat zou een goede zaak zijn als het georganiseerd zou worden zoals in de Scandinavische landen, waar alle specialisaties onder één dak zitten. Hier moet deskundige hulp van buitenaf “ingehuurd” worden en daar gaat veel kostbare tijd mee verloren. Het gaat over te veel schijven.

Voor zorgleerlingen kan een basisschool “een rugzak” aanvragen, maar dan moet je eerst het Regionaal Expertise Centrum (rec) inschakelen. Vervolgens komt er iemand van het rec observeren, eventueel met een videocamera, in de groep, en moet er een handelingsplan opgesteld worden. Dat moet dan weer iedere zes weken geëvalueerd en bijgesteld worden. Als een kind een rugzakje krijgt, kan daarmee hulp, speciaal materiaal of speciaal meubilair betaald worden. Daarnaast worden remedial teachers ingezet om dit soort kinderen speciale lessen te geven. Ook daar hoort uiteraard een papiermolen met protocollen bij. Het gekke is ook nog dat er steeds meer zorgleerlingen bijkomen.’

Ze kent het allemaal vanuit haar klas: dyslexie, dyscalculie, nld (mondeling taalvaardig maar moeite met abstracte begrippen), autisme, lichamelijk gehandicapt, syndroom van Down, hoge sensitiviteit, hoog begaafd, allergie voor van alles, adhd. ‘Vroeger was een adhd’er een “beetje druk kind”. Nu moet zo’n kind, dat opgroeit in een overgeprikkelde samenleving en les krijgt in volle, drukke klassen, aan de Ritalin. In het algemeen merk ik dat kinderen vroeger beter konden omgaan met “uitgestelde aandacht”. Alles moet “nu meteen” en vooral ook “leuk zijn”. Den Haag zegt nu dat het onderwijs de kinderen weer moet motiveren. Maar ook in het dagelijkse leven buiten school is niet altijd alles leuk. Dat kunnen kinderen op school best leren.’

‘Hoe het allemaal fout is gegaan in het onderwijs’, zegt ze tot slot, ‘is in wezen niet belangrijk.’ ‘Het is veel belangrijker om te kijken hoe de zaak weer op de rails te krijgen is. Ik denk dat het terugdringen van de bureaucratie en de protocolkolder sowieso nodig is. Die werken remmend, blik vernauwend. Er moet weer ruimte komen voor eigen initiatief en creativiteit. En: herstel heeft rust en tijd nodig.’

Voor meer onderwijs in De Groene Amsterdammer klik hier