Toen was feminisme nog heel gewoon

Marilyn French (1929 – 2009)

Marilyn French, vertolkster van het vrouwelijk onbehagen, laat een spraakmakend oeuvre van feministische klassiekers na. Plus wat goedbedoelde troep uit Nederland in de vorm van gedecoreerde borrelglaasjes.

Alsof de duvel ermee speelt, zeg je dan. Twee dagen voor haar dood, op 2 mei jl., werd in The New York Review of Books uitgebreid haar vrouwengeschiedschrijving besproken, het vierdelige From Eve to Dawn, dat in Nederlandse vertaling al in 1995 was verschenen dankzij haar goede contacten bij uitgeverij Meulenhoff. In de Verenigde Staten waren ze niet zo happig op het uitgeven van dit omvangrijke boekwerk. Toen ik haar in 1999 interviewde in haar woning in New York was ze bezig op uitdrukkelijk verzoek van een kleine feministische uitgeverij het hier en daar wat in te korten. Bijna tien jaar heeft het dus al met al nog geduurd voor de Amerikaanse uitgave er daadwerkelijk kwam – het laatste deel verscheen in 2008 – en ze heeft nog net wél of net niet meer meegemaakt dat het werd besproken in het prestigieuze periodiek.
Niet dat je echt veel wijzer wordt van deze recensie. Het is vooral het opnieuw oplepelen van een aantal historische anekdotes die Marilyn French aanhaalt, en een milde kritiek op haar gebruik van bronnen. De cruciale passage staat ergens halverwege: had French niet meer de diepte in moeten gaan door een aantal uitzonderlijke vrouwenlevens te beschrijven, zoals dat van Emma Goldman of Sojourner Truth, in plaats van alles met de grote slag te willen beschrijven en duiden? Weliswaar zou haar boek dan meer lijken op boeken die er al zijn, zo redeneert bespreekster Hilary Mantel, maar het zou ook misschien meer raken, en nuttiger en preciezer zijn dan het nu is.
Nuttiger en preciezer, vást. Maar meer raken? Als Marilyn French ergens goed in was, dan was het wel in het raken van haar lezers. Dat gold zeker voor haar romans – bekend is het verhaal van de vrouw die French opbelde om haar te bedanken dat ze na het lezen van haar boek haar man had verlaten – maar ook voor haar megalomane non-fictiewerk, met als hoogtepunt The War against Women (1992), consequent met hartstochtelijke woede geschreven. Het type grootse onderneming – de héle wereldgeschiedenis nog eens over willen doen, maar dan vanuit vrouwelijk gezichtspunt – dat ook alleen wordt aangevat door héél grote vrouwen, kaliber Simone de Beauvoir en Germaine Greer. En dat er dan wel eens iets niet helemaal klopt, so what? Met altijd maar enerzijds, anderzijds red je de wereld niet. Er is een oorlog tegen vrouwen gaande, laat dat alsjeblieft helder zijn, en wezenlijk wordt het er niet beter op door de eeuwen heen.
French was persoonlijk alle nuance allang voorbij: ‘Het kan me niet schelen wat mensen van me denken en het kan me niet schelen wat mensen over me zeggen. Ik probeer anderen niet te behagen.’

Dat was mij ook zo wel duidelijk geworden toen ik bij haar belet kreeg, in oktober 1999. Kort ervoor was het – ook weer – aangrijpende Mijn seizoen in de hel verschenen, over de slokdarmkanker die haar zeven jaar eerder had getroffen en waarvan ze wonder boven wonder was genezen. Een boek dat ik ademloos had gelezen, al was het maar vanwege de gedetailleerde beschrijving van haar sociale leven, haar vriendenkring, waar ze met wie ging eten, en wát, en de omgang met zoon en dochter. Op de 48ste verdieping van een van de hoogste gebouwen in het levendige TriBeCa, aanschurkend tegen het nog van geen aanslag of crisis wetende Financial District, bevond ik me opeens in het decor van een leven dat ik dacht al helemaal te kennen. Persoonlijk assistente Judy had de deur opengedaan, me de zonnige zitkamer binnengeleid en een enorm glas ijswater voor m’n neus neergezet.
‘Marilyn komt zo bij je.’
Toen ik een slokje probeerde te nemen, kletterden de ijsblokken bijna op mijn schoot en voorzichtig zette ik mijn glas terug op een van de onderzetters op de goudkleurige salontafel waarop de zware kunstboeken keurig in het gelid lagen. Van schrik vergat ik bijna om me heen te kijken. Veel Georgia O’Keeffe-achtige kunst aan de muur, inheemse snuisterijen her en der, en bloemen op de antieke eettafel in de hoek die er niet uitzag alsof er ooit aan gegeten werd. Het echte leven moest zich buiten deze toonzaal afspelen. Om het wachtkamergevoel van me af te schudden, liep ik naar een van de grote ramen rondom en vergaapte me aan het uitzicht op de Hudson en de Brooklyn Bridge.
‘Hai.’
Het klonk zacht, maar onverbiddelijk. En het was een schok om haar op me af te zien schuifelen. Het hoofd was bekend, maar de gestalte was geknakt. Klein, mager en een beetje krom. Tegelijkertijd was haar uiterlijk op en top verzorgd: sieraden, gebeeldhouwd kapsel, zachtgroene lange broek met bijpassende trui. En een ijzeren grimas die door moest gaan voor een glimlach. Er was geen tijd voor plichtplegingen, dat was meteen duidelijk. Amper ook voor het cadeau dat ik in een aanval van ik-weet-niet-wat van huis had meegenomen: kunstig gedecoreerde borrelglaasjes die in haar minzame afhandeling razendsnel werden gereduceerd tot hun werkelijke betekenis. Goedbedoelde troep.
‘I am rather peaceful’, stak ze dreigend van wal, om al snel uit te komen op het volstrekte tegendeel. ‘De wereld maakt me iedere dag zieker.’
Terwijl zij haar wereldbeeld in straf tempo ontvouwde, raasde het in een verwarrende mix van ontzag en teleurstelling door mijn hoofd: dit is Marilyn French. Ik zit op de bank naast Marilyn French. De schrijfster van al die boeken, feministische klassiekers, The Women’s Room (1977), The Bleeding Heart (1980), Her Mother’s Daughter (1987), door mijn generatie evenzeer bewonderd en gevreten als op neer gekeken en in een hoek gegooid. Want dat blijft merkwaardig, die mengeling van haat en verering voor vrouwen die zeiden waar het op stond, en daarmee meteen de reikwijdte van hun intelligentie toonden. Niks diepzinnig of duister, gewoon grof en strijdvaardig. Marilyn French was in de jaren zeventig en tachtig een van de feministische diva’s, samen met Gloria Steinem, Kate Millet, Germaine Greer, Simone de Beauvoir en onze eigen Anja Meulenbelt. Hun proza stond ten dienste van de boodschap, en was zo transparant dat het weinig te raden over liet. French schrok er in The Bleeding Heart niet voor terug om als haar personage iets verschrikkelijks overkwam – en er overkwam haar voortdurend iets verschrikkelijks – dit in hoofdletters en met spaties uit te spellen. Misschien niet de meest hoogstaande literaire techniek, maar ach, zoals Germaine Greer het toentertijd zei, of liever gezegd uitspuugde: ‘Literatuur? Alsof er niets belangrijkers is op de wereld!’
Achteraf gezien was feminisme toen nog zo gewoon. En zo praktisch. Je droeg geen bh, en in Greers geval ook geen slipje overigens, en je probeerde op te houden met dat eeuwige glimlachen. Als je op straat een mannelijke tegenligger in het vizier kreeg: níet wijken. Onder het mom: laat hem maar eens opzij gaan voor jou. Zit je in de trein naast zo’n vent die wijdbeens anderhalve zitplaats opeist, niet beleefd en angstvallig in een hoekje kruipen. Pak de ruimte terug, ook ’s avonds op straat. De onveranderlijk grote betekenis van The Women’s Room, een soort Desperate Housewives avant la lettre, inclusief het perspectief van de huisvrouw die bevriend is met een buurvrouw die vermoord wordt, is dat het een geheel nieuwe fase in de literaire geschiedenis inleidde, namelijk die van de bekentenisliteratuur. Boeken hadden nog de macht om diep in te grijpen en levens te veranderen. Marilyn French werd overstelpt door brieven, Anja Meulenbelt werd bij de kassa van de supermarkt aangehouden: ‘Ik heb me zó in uw boek herkend.’ Het vrouwelijk onbehagen was in fictie gevat en feit geworden.

‘Als iemand mijn hele oeuvre zou lezen’, zei French met een hese stem die overduidelijk voorgoed was aangetast door haar ziekte, ‘zou hij volgens mij een beeld krijgen van vrouwenlevens in het Westen in de twintigste eeuw. De romans vormen sociologische documenten.’
Op de drempel van het millennium, nog onwetende dat twee jaar later bij haar om de hoek de hel zou uitbreken, vertoonde French een mengeling van nog immer militant feminisme (‘Een wereld die geregeerd wordt door mannen is alleen op het welzijn van mannen uit’). en de relativering van iemand die de dood in de ogen heeft gezien (‘Ik heb alleen nog kleine wensen: een glas koude jus d’orange, een goed boek, een bezoek aan iemand van wie ik houd’). Maar inderdaad ook: iemand die het glimlachen voorgoed had afgeleerd. Zoals ze tegen me praatte, me voorhield dat vrouwen de prooi zijn in deze wereld (‘Jij weet het, je bent nooit bang voor een andere vrouw, je bent altijd bang voor een man. Of je nu in een lift staat met een vreemd type, of ’s avonds over straat loopt met een man achter je. Je weet dat je bang bent’), was ze niet een wijze serene vrouw, maar een kwaaiige heks. En dat bedoel ik niet negatief, maar wel geïntimideerd. Niet alleen omdat het de hele tijd leek alsof ze me de les aan het lezen was, met een ondertoon van ‘wacht jij maar tot je ook oud bent, dan zul je nog wel ’s zien wat er gebeurt’, maar vooral omdat het was alsof ik die middag even een kijkje kreeg op de tol die iemand met een compromisloze levensinstelling betaalt. Daar zat ze, in haar luxueus gedecoreerde toonzaal, kind, kraai, hond noch geliefde om haar af en toe even over het hoofd te strijken, of uit te lachen desnoods, alleen de permanente schaduw elders in de ruimte van een nerveuzig bewegende persoonlijk assistente.
Ook wat dit betreft hield ze zichzelf op geen enkele manier voor de gek: ‘Succes heeft me geen van de dingen gebracht die ik had verwacht. Het leverde me geen eeuwige liefde op. Het soort succes dat ik als feminist en vrouw had, is heel anders dan het soort succes van de oude schrijvers over wie ik heb geschreven. Ik werd niet door de maatschappij op handen gedragen. Ik werd niet voor duizenden feesten uitgenodigd. Ik was ongewenst. Ik was een feminist, een boze vrouw.’
Een boze vrouw, die overigens erg veel van mannen – en seks – heeft gehouden. En dus helemaal niet zo haterig was jegens mannen als de afgelopen week in de obituaries werd gesuggereerd. In haar boek over haar ziekte schreef ze blij te zijn rijkelijk en op grote schaal van seks te hebben genoten toen het nog kon. En haar meest geliefde persoon op de wereld, zo vertelde ze me, was haar zoon. Net als haar dochter was hij feminist, maar haar dochters leven maakte dat, vanwege haar ingewikkelde relaties met mannen, alleen maar gecompliceerder. Haar zoon vond ze een beter mens dan ze zelf was. Waarna ze in een hartstochtelijk betoog uitbarstte over hoe moeilijk mannen het hadden in dit leven. ‘Zij hebben een masculin mystique, zoals wij een feminin mystique hadden. Ik denk dat sommige mannen zich daarvan nu bewust worden. Ik zie het in films, die het macho ego laten zien zoals het is. Het is totaal verzonnen, het is helemaal vals, het gaat in tegen de menselijke natuur en het is destructief voor mannen. Je bent door een vrouw geboren, daar valt niks aan te doen. Als je een echte man bent, moet je nog een keer geboren worden door een man. Vandaar die mannelijke initiaties, in het leger, in de kerk. Alles wat ze associëren met vrouwen moet worden verlaten: emotionaliteit, compassie. Wat je leert als je geboren wordt door een man, is angst voor en gehoorzaamheid aan de man die boven je staat. In ruil daarvoor krijg je twee dingen: de mogelijkheid om zelf die man te worden, ooit, en dominantie over de vrouwen in je leven. We weten allemaal dat het bijna niemand lukt om die man aan de top te worden. En ook hun vrouwen doen nooit helemaal wat zij willen. Dus bijna alle mannen leven in angst. Meer nog dan vrouwen, want die zijn in hun dagelijks leven niet zo bang als mannen dat zijn. Een man moet altijd iets terug kunnen zeggen, terug kunnen slaan, anders is hij een watje. De meeste mannen boven de vijftig zijn depressief. Het is een menselijke reactie op wat het leven bij hen aanricht.’
De ijsblokjes tinkelden in mijn glas toen ik nog een slok nam. Als vanouds raakte ik in de spell van deze zieneres met haar boze oog, deze Cassandra van de twintigste eeuw.