De jaren vijftig. Een historiografie

Toen was geluk net zomin gewoon

Tussen 1950 en 1960 zeiden honderdduizenden Nederlanders het vaderland vaarwel omdat het in landen als Canada en Australië beter was. Toch spannen volksmenners de jaren vijftig voor hun karretje als de tijd waarin alles beter was.

Medium sfa002010543
Een echtpaar op vakantie in de jaren vijftig © Nationaal Archief / Collectie Spaarnestad

Vijf jaar geleden publiceerde uitgeverij Waanders Het grote jaren 50 boek. Veel foto’s, beetje tekst. Een van de recensies van dit boek stond in HP/De Tijd en kopte onbeschaamd: ‘Beter wordt het nooit meer’. In de tekst vertelde de recensent dat hij soms droomde van een ander Nederland en somde vervolgens een lange rij moderne kwalen op, van werkloosheid tot multicultureel drama en van voetbalhooligans tot parkeerautomaten, plus ook nog eens woekerpolissen, motorbendes, kinderporno, files, detectiepoortjes, moslimextremisten en andere ellende. Een Nederland zonder al die kwalen, zo vervolgt de tekst, ‘lijkt een utopie maar het frappante is: het is geen utopie, het is een Nederland dat daadwerkelijk heeft bestaan’. Dan komt een verwijzing naar het fotoboek en stelt de recensent onomwonden dat hij terug wil naar die ‘tintelende jaren vijftig. En ik laat jullie graag achter in het sombere en uitgebluste Nederland van 2012.’

Het was niet de eerste keer dat zo’n fraai beeld van de jaren vijftig geschetst werd. Achttien jaar eerder bijvoorbeeld, eind december 1994, kwam NRC Handelsblad met een ‘verloren nummer’, een special gewijd aan de geuren, geluiden en voorwerpen van gisteren. ‘Tussen nostalgie en opluchting’ voegde de krant eraan toe. Maar van opluchting was in de ongeveer driehonderd naar aanleiding van een oproep ontvangen lezersbrieven nauwelijks sprake, van nostalgie des te meer. Vrijwel alle brieven gingen over vrijheid, geborgenheid, onschuld, veiligheid – de verloren jeugd, vooral die van de jaren vijftig. Toen was geluk, aldus het cliché, blijkbaar nog heel gewoon.

‘In de kamer tikte de klok’, schreef iemand in een tekstje dat naar een tijdloze wereld lijkt te verwijzen en vermoedelijk ook verder terug gaat dan de jaren vijftig. Maar de datering doet er niet toe. Het gaat om de wereld die ooit, ook in de jaren vijftig nog, bestaan zou hebben – ‘het oude Nederland’. ‘Buiten ratelde nog een late handkar over de keien. In de verte hoorde ik de laatste tram op weg naar de remise met veel geknars van ijzeren wielen over ijzeren rails in de bocht. Vertrouwde geluiden, waarbij ook ik ten slotte in slaap viel.’

Nog zo’n tekst: ‘Zondag, eind jaren vijftig, West-Brabant. De Hoogmis is zojuist afgelopen. Het vrome volk loopt de kerk uit. Kinderen doen wat ze een uur lang niet mochten: rennen, tikken, roepen. Op het kerkplein ontstaan groepjes. Soort zoekt soort. Vrouwen bij vrouwen, dezelfde vrouwen bij dezelfde vrouwen. Zij brengen elkaar het laatste nieuws. Mannen zetten hun hoeden op. Zij bieden elkaar een sigaar aan. Een fraai tableau vivant ontstaat. De fluisterende boodschappen van de vrouwen wedijveren met de rooksignalen van de mannen.’

Tot slot een derde, deze keer niet toevallig gekozen fragment. ‘Brievenbustouwtje, hangt naar buiten, opent de deur. De bakker en de melkboer doen gewoon de deur open met het touwtje en roepen of er nog wat nodig is. Als het touwtje niet buiten hangt kijk ik eerst door de brievenbus. Dan roep ik door de brievenbus of klepper ermee. Ik krijg op m’n kop als ik steeds opnieuw binnenkom en buiten ga. Het is hier geen winkel, zegt mijn moeder.’

Dit brievenbustouwtje-verhaal doet onvermijdelijk denken aan het pleidooi van Jan Terlouw in november afgelopen jaar bij De wereld draait door – een pleidooi voor een wereld die in de jaren vijftig nog bestaan zou hebben, een andere wereld, een betere ook. ‘In die tijd woonde ik met mijn jonge gezin in Utrecht’, memoreerde de oud-politicus en kinderboekenschrijver. ‘Overal hingen touwtjes uit de brievenbussen. De kinderen konden gewoon de voordeur opentrekken en bij elkaar binnenlopen.’ En dan, met nadruk: ‘Volwassenen ook. We vertrouwden mekaar.’

De herinnering is authentiek. Geen twijfel mogelijk. Niettemin is het zeer de vraag of zij, althans in haar algemeenheid, juist is. In ieder geval werd ze van alle kanten weersproken, zoals ook de eerder genoemde idealiseringen van de jaren vijftig her en der scherp weersproken werden. Vandaar de onvermijdelijke vraag: hoe dacht de tijdgenoot?

‘Hij heeft geen geld, hij heeft geen toekomst, hij betaalt hoge belastingen, hij heeft geen huis, hij heeft geen ontspanning’

Zeker de vroege jaren vijftig werden door de tijdgenoot als verre van ideaal, om niet te zeggen als ronduit ellendig beschouwd. Steeds weer werd de oorzaak bij de erfenis van de oorlog gezocht. Daarop zou een vrede gevolgd zijn die vooral onvrede had gebracht. ‘Er is een geestelijk restant in ons volk achtergebleven, dat diep geënt is op het instinct der massa en de stem van het geweten dreigt te smoren’, beweerde de Groningse ethicus Hendrik van Oijen in een boekje over de naoorlogse jaren: ‘’t Instinct van het verzet, ’t instinct van de haat, ’t instinct van zelfhandhaving ten koste van alles, ’t instinct van het ongebonden zinnenleven: van honger en geslachtsbevrediging, van grenzenloos egoïsme en brutale willekeur; in één woord: er is indirect een zedelijke overwinning door den vijand over ons volk behaald, waartegen nog dagelijks onze strijd zal hebben te gaan, te beginnen bij onszelf.’

Het zou eenvoudig zijn honderden van dergelijke citaten te geven, uit de wereld van krant, essayistiek, literatuur, kunst en politiek. Maar er zijn ook meer objectieve illustraties van het destijds alomtegenwoordige gevoel van misère – onder Amerikaanse invloed werd publieksonderzoek in de eerste jaren na de oorlog snel populair zodat we voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis van alles en nog wat cijfers hebben. Zo werd er diep en hartgrondig geklaagd over tekorten, te beginnen met het woningtekort. In 1947 was dat volgens 22 procent van de bevolking het meest dringende probleem. In de loop der jaren liep dat percentage op, naar 33 in het najaar van 1951, 41 eind 1953 en zelfs 53 begin 1958. Gezellig, wonen bij je ouders, touwtje uit de voordeur. Vergeet het maar.

Het enorme woningtekort was een van de redenen dat een derde deel van de toenmalige bevolking het liefst emigreerde. Canada, Australië, waarheen ook, als het maar weg was, weg uit Nederland. Tussen 1950 en 1960 zeiden meer dan driehonderdduizend Nederlanders het vaderland vaarwel. Ondertussen bleven de achterblijvers in parlement, krant, kroeg en literatuur onophoudelijk hun ongenoegen uiten. ‘Zo gaan we allemaal naar de verdommenis’, schreef de destijds bekende futuroloog F.L. Polak in 1952 in De Gids. De reden? ‘Twee wereldoorlogen, dictaturen gegrond op onrecht, mensenmoord en terreur, de ontwikkeling van de A- en H-bom, conjunctuurcrisis, geldontwaarding, vernietiging van de middenstand en de enkele mens, genocide en deportatie op de schaal van massale volksverhuizingen, de Koude Oorlog enzovoort brachten het grote publiek dit pessimistisch levensgevoel.’ Eenzelfde lijstje dus als dat van de recensent van HP/De Tijd, maar dan omgekeerd.

De toen nog jeugdige Willem Frederik Hermans liet een van zijn personages in de roman Ik heb altijd gelijk (1951) iets vergelijkbaars zeggen – de woorden zijn meer dan fictie: ‘Het leven heeft de gemiddelde man in Nederland geen enkele vreugde meer te bieden. Hij heeft geen geld, hij heeft geen toekomst, hij betaalt hoge belastingen, hij heeft geen huis, hij heeft geen ontspanning, er is in Nederland geen vrije natuur, hij heeft geen behoorlijk radioprogramma, hij wordt ondergedompeld in een poel van middelmatigheid.’ Utopie? Tintelende jaren vijftig? Papier is geduldig.

Het duurde tot de tweede helft van het decennium tot dit gevoel van ellende verdween. Het scharnierpunt is zelfs vrij precies aan te geven: mei 1955. Bij nader inzien is het net alsof de mislukte bevrijding van 1945 op dat moment in herhaling ging – maar nu écht, én goed. Een opmerkelijke illustratie hiervan is de bijzondere uitgave die het Algemeen Handelsblad op dinsdag 17 mei 1955 uitbracht. Die was getiteld Uit de as herrezen en bestond uit beschouwingen van specialisten uit zo goed als alle cruciale sectoren van de samenleving: gezondheidszorg, infrastructuur, onderzoek, energie, scheepvaart, industrie, vervoer, confectie, landbouw. Allen keken terug op het afgelopen decennium en kwamen zonder uitzondering tot een positieve, zo niet juichende conclusie. Het ging goed met Nederland – eindelijk.

Ook dit optimisme kan weer met cijfers geïllustreerd worden. Terwijl het gemiddelde weekloon sinds 1948 voortdurend gestegen was, had de bevolking daarvan niet geprofiteerd omdat het leven tegelijkertijd duurder was geworden. Dat veranderde pas toen de loonrondes vanaf 1954 plaatsmaakten voor welvaartsrondes (tot 1967, en dat onophoudelijk). De verbetering bleef niet beperkt tot de portemonnee maar bleek ook in de praktijk, te beginnen in het huishouden. In de gemiddelde woning kwam er tot een jaar of tien na de oorlog niet veel meer dan licht en geluid (radio) uit het stopcontact. Maar vanaf midden jaren vijftig leverde datzelfde kastje energie voor ongeveer alles wat een mens zich kon wensen: stofzuiger, koelkast, wasmachine, droogtrommel, strijkijzer, naaimachine, ja zelfs een mini-bioscoop, lees tv. Deze technische veranderingen maakten deel uit van een revolutionair pakket waartoe ook warm en koud stromend water, douche, telefoon, gaskachel, centrale verwarming, gasfornuis, brommer, auto, supermarkt en nog veel meer behoorden. De wereld stond op z’n kop, een mentaliteitsverandering was het gevolg, pessimisme maakte plaats voor optimisme.

De positieve inschatting van de eigen tijd in de tweede helft van de jaren vijftig werd verder in de hand gewerkt door de opkomst van de verzorgingsstaat. Een van de meest pijnlijke ervaringen in het verleden was de kwetsbaarheid geweest. Crisis en oorlog hadden allen daarvan doordrongen: dat er maar iets hoefde te gebeuren of je stond machteloos – niet alleen tegen een brute kracht maar ook tegen een baas die je ontsloeg, een ziekte die je overviel, een willekeurige tegenslag zoals een natuurramp. Het snel groeiende stelsel van sociale en persoonlijke zekerheid maakte aan deze kwetsbaarheid op z’n minst gedeeltelijk een eind, met een historisch ongekend gevoel van veiligheid tot gevolg. Symbolisch hiervoor is de in 1956 ingevoerde Algemene ouderdomswet (aow). Om iets van de revolutionaire betekenis ervan te begrijpen moet je de stralende gezichten zien van de mensen die deze uitkering op 2 januari 1957 voor het eerst ontvingen. Alsof er manna uit de hemel kwam.

Voor de mensen die op 2 januari 1957 voor het eerst AOW ontvingen was het alsof er manna uit de hemel kwam

Toch werden bij zoveel ‘geluk’ vanaf het allereerste moment kanttekeningen geplaatst. Onder anderen door de voormalige minister van Justitie en hoofdredacteur van Het Parool Gerrit Jan van Heuven Goedhart, destijds hoge commissaris bij de Verenigde Naties. Tijdens Dodenherdenking van 1955 hield hij op de markt in Almelo een verhaal waarin de oude, sombere toon nog altijd domineerde. Deze keer was de aanleiding echter niet de naoorlogse misère maar haar tegendeel: de moderne welvaart. Zij bedreigde de Nederlanders met, zoals Van Heuven Goedhart het zei, ‘welgedaanheid en zelfverzekerdheid’. Hij was niet de enige die met een dergelijke waarschuwing kwam, er zouden er vele volgen. Want een welvaartspsychose dreigde. De oorlog mocht niet vergeten worden. Een Koude Oorlog was gaande. Vereist waren zuinigheid met vlijt, doorzettingsvermogen, verbetenheid en een rechte rug. Kortom, het leven was niet leuk en ook niet voor watjes.

Het was precies dat oeverloos gehamer op oorlog en ascese dat een jongere generatie mateloos ergerde. Hoewel ergernis ook in de jaren vijftig her en der al te beluisteren viel (strips, nozems, rock-’n-roll, Vijftigers, Cobra), duurde het tot ver in de jaren zestig eer zij massaal werd. Dat gebeurde op ongeveer hetzelfde moment als waarop de uitdrukking ‘jaren vijftig’ furore maakte; een opmerkelijke en ook altijd genoemde gebeurtenis is de oprichting in 1966 van Stichting Jeugdsentiment De Jaren Vijftig. Deze stichting publiceerde eind 1968 Het groot gedenkboek van de jaren vijftig, richtte in de Amsterdamse Heintje Hoekssteeg een (tweede) tentoonstelling in en verzorgde zelfs een televisiedocumentaire.

In eerste instantie ging het de betrokkenen, onder wie Wim Noordhoek, Guus Luijters, Jan Donkers, Arend Jan Heerma van Voss en Hans Keller, vooral om zaken die een zeker sentiment (wat iets anders is dan nostalgie) opriepen, tastbare zaken vooral zoals strips van Kuifje, Eric de Noorman en Kapitein Rob, De lach, kauwgomplaatjes en muziek van Eddy Christiani en De Millers. Maar belangrijker dan de herinnering was de nadrukkelijke suggestie dat het tijdperk waartoe deze zaken behoorden definitief voorbij was. Weliswaar ging dat besef gepaard met enige weemoed (‘jeugdsentiment’), opluchting had de overhand. Daarmee waren de jaren vijftig geboren. Zo ook de kwalificatie daarvan. ‘Niet erg onbezorgd, evenmin zeer vrolijk en nimmer onbekommerd’, schreef de Friese Koerier naar aanleiding van een van de activiteiten van Stichting Jeugdsentiment.

Voorzover na te gaan (onder meer op basis van de enorme, doorzoekbare en via de Ngram Viewer zelfs gedeeltelijk kwantificeerbare database van Nederlandstalige kranten, tijdschriften en boeken die door de Koninklijke Bibliotheek wordt beheerd) won de uitdrukking ‘jaren vijftig’ vanaf het eind van de jaren zestig inderdaad behoorlijk aan populariteit. Terwijl ze in 1961 nog slechts 31 keer voorkomt, was dat aantal in 1965 gestegen tot 85, in 1968 tot 394 en in 1973 (een voorlopig hoogtepunt dat pas in de tweede helft van de jaren tachtig overtroffen werd) tot 745 keer. Alles wijst erop dat de uitdrukking steeds weer gepaard ging met eenzelfde gevoel van opluchting. Ach jade jaren vijftig is de titel van een boek dat in 1974 verscheen en wat betreft toon en inhoud sterk lijkt op de publicatie van Stichting Jeugdsentiment. In die twee relativerende woordjes ‘ach ja’ schuilt heel het verhaal. Het is alsof een volwassene over zijn kindertijd spreekt: de lichte glimlach over wat voorbij is valt in het niet bij de onmiskenbare vreugde over het feit dat het voorbij is.

Het in dit verband altijd weer genoemde voorbeeld is Tegels lichten van Henk Hofland uit 1972. Het boek is één lange tirade over een land dat crisis, wereldoorlog en welvaart ten spijt bedompt was gebleven. Gebrek aan creativiteit, dociliteit, wereldvreemdheid, aanpassingsbereidheid, gepolder, systeemdwang, het aantal negatieve kwalificaties van Nederland in Tegels lichten is legio. Het was tijd voor verandering, stelt Hofland steeds weer, maar hij bedoelt, veelal zonder het met zoveel woorden te zeggen: de verandering is gaande – the times they are a-changin’. Zo was begin jaren zeventig inderdaad het alomtegenwoordig gevoelen: het Nederland zoals dat in de jaren vijftig bestaan had, het oude Nederland, had zijn tijd gehad.

De vermoedelijk beste samenvatting van dit gevoelen kwam vele jaren later en, op het eerste gezicht vreemd, op ongeveer hetzelfde moment dat de publieke opinie al weer een draai had gemaakt. In 1995 publiceerde de bevlogen, jong gestorven Utrechtse historicus Hans Righart een zinderend boek over de wat hij noemde ‘eindeloze jaren zestig’, eigenlijk over de breuk die tussen 1955 en 1975 plaatsgevonden zou hebben. Aan de ene kant stond volgens Righart een traditioneel land waarin van vernieuwing geen sprake was, waarin hard gewerkt werd, weinig vrije tijd was, de lonen laag waren en een geest van harmonie en overleg heerste. Maar ‘achter deze façade van rust en onbeweeglijkheid [lees: de jaren vijftig] lag nog een ander Nederland’, schrijft Righart in een centrale passage van zijn boek. Dat is het land dat zou worden, een modern land, met lege kerken, een ontvolkt platteland, seksuele vrijheid, economische groei, onrust, vrije tijd, speelsheid, lees de jaren zestig.

‘Die nieuwe krachten bliezen de vermolmde luiken van het huis open, lieten vrijwel niets van het oude meubilair op z’n plaats en woeien vreemde dingen van buiten naar binnen’, schrijft Righart in een passage die van enthousiasme bijna van de pagina springt. ‘En tot overmaat van ramp kregen op hetzelfde moment de bewoners van het huis ruzie met elkaar. De kinderen besloten de bouwval te verlaten en de wijde wereld in te trekken, hun ouders raapten nieuwsgierig de nieuwe, vreemde voorwerpen op, richtten de gehavende huiskamer opnieuw in en fatsoeneerden het buitenwerk zo goed en zo kwaad als het ging. Maar de opgestoken storm zou nog verder aanzwellen en nog jaren duurde het voor de wind weer ging liggen en de kinderen terugkeerden. Zij vonden een huis dat onherkenbaar veranderd was en hun ouders leken wel andere mensen te zijn geworden. Niemands leven was meer zoals vroeger, ook dat van de kinderen niet.’

Onder provo en nieuw links bleef veel meer bij het oude dan de, vooral jongere, tijdgenoot destijds veronderstelde

Op het moment dat Hans Righart zijn boek schreef, klonk al enige tijd kritiek op de steevast ‘links’ genoemde jaren zestig. Met die kritiek kwamen ook de pogingen om iets terug te vinden van ‘de wereld’ die in en door dat revolutionaire tijdperk verloren zou zijn gegaan. Hiermee ging de beeldvorming van de jaren vijftig een nieuwe en, naar zich laat aanzien, voorlopig laatste fase in. Daarin zijn twee richtingen te onderscheiden. Aan de ene kant is er de meer professionele richting die de klemtoon op de ambivalentie van het tijdperk legt en vraagtekens zet bij grove noemers als ‘jaren vijftig’ en ‘jaren zestig’ of tegenstellingen als traditioneel versus modern of behoudend versus progressief. Aan de andere kant is er een meer populaire, ja zelfs populistische richting die op eenzelfde manier met de jaren vijftig speelt als in de jaren zestig gebeurde: zij spant het decennium voor haar karretje. Verschil is wel dat de huidige menners het karretje in precies de tegenovergestelde richting laten rijden. Het is deze richting die op dit moment actueel is.

Maar eerst nog even over die verstandiger en meer ambivalente richting. Alsof de duivel ermee speelde brachten twee Nederlandse kranten op precies dezelfde dag in 1995 twee geheel verschillende visies op de jaren vijftig. Op 24 december van dat jaar kwam niet alleen NRC Handelsblad maar ook de Volkskrant met een bijlage over de jaren vijftig. De Volkskrant legde echter een volstrekt andere klemtoon, niet op de schoonheid en lieflijkheid van wat sindsdien verdwenen was, maar op de grootsheid van wat sindsdien gekomen was: moderne kunst, industrialisatie, gemechaniseerd huishouden, supermarkten. De jaren vijftig, zo bleek, hadden een Januskop. Ze keken niet alleen twee kanten op, ze konden ook van twee kanten bekeken worden.

Precies deze Januskop stond ook centraal op een congres dat de Vereniging voor de Geschiedenis van de Twintigste Eeuw in juni dat jaar in Utrecht hield. De lezingen van dat congres werden naderhand gebundeld in een boek met de veelzeggende titel Een stille revolutie. De jaren vijftig waren niet zo suf als nadien werd gezegd, zoals de jaren zestig niet zo modern waren als werd beweerd. Elke tijd is overgangstijd, steeds weer schuiven de platen van de geschiedenis over elkaar. Zoals nozems en rock-’n-roll een nieuwe tijd aankondigden, zo bleef onder provo en nieuw links veel meer bij het oude dan de, vooral jongere, tijdgenoot destijds veronderstelde.

Medium vol00030002 3 92 00000923
Het harde leven van een gezin in Sleen, Drenthe, 1950 © Henk Jonker

‘Het eigen karakter van de jaren vijftig schuilt vooral in het handhaven van het precaire evenwicht tussen traditie en vernieuwing’, schrijven de samenstellers van de bundel in hun inleiding, om vervolgens meteen iets over de jaren zestig te zeggen – de twee, zo blijkt telkens weer, zijn als broer en zus. ‘In dat licht is het meest opmerkelijke van de jaren zestig niet zozeer dat de modernisering in allerlei opzichten in tempo versnelde, maar dat op dat moment de betekenis van de traditie werd ontkend. Daardoor werd het ook mogelijk vrijwel het gehele verleden samen te ballen in één decennium, “de jaren vijftig”, en op die periode terug te zien als op de eigen jeugd, met een kenmerkende mengeling van weerzin en vertedering.’

Weerzin en vertedering inderdaad. Dat is de houding ten opzichte van de jaren vijftig die sinds het midden van de jaren zestig domineert, met aanvankelijk steeds meer nadruk op de weerzin en later, vanaf het eind van de jaren tachtig, begin negentig, op de vertedering. Van die vertedering bleek het vervolgens nog maar een kleine stap naar, althans gedeeltelijke, bewondering. De verandering is goed waarneembaar in de geschriften van een man die in niet geringe mate bijgedragen heeft aan het nieuwe, politiek geladen perspectief op de jaren vijftig: Pim Fortuyn.

Toen Fortuyn in 1988 de Groninger universiteit verliet om directeur te worden van de OV-Studentenkaart BV hield hij een lezing onder de deels van W.F. Hermans gepikte titel ‘De zestiger jaren: een wonderkind of een total loss?’ In deze lezing ligt in een notendop niet alleen het eigen levensverhaal maar ook een politiek programma besloten – beide kwamen er ook, het levensverhaal met Babyboomers: Autobiografie van een generatie in 1998 en het politiek programma met de lpf in 2002. In de tussentijd had de ambivalentie die Fortuyn al in de jaren tachtig ten opzichte van de jaren zestig ervaren had, plaatsgemaakt voor weerzin. En met die weerzin groeide de bewondering voor het tijdperk waaraan de jaren zestig een eind gemaakt zouden hebben: de jaren vijftig.

De jaren vijftig zouden de laatste periode zijn waarin een geleide, bezielde en gedeelde samenleving bestaan zou hebben

Een van de begrippen waarmee Fortuyn in zijn afscheidsrede de jaren zestig associeert is ruimte. Daarin stond hij niet alleen, zij het dat men in plaats van ruimte over het algemeen liever van vrijheid sprak. Fortuyn niet, hij koos voor ruimte omdat dit begrip hem de gelegenheid gaf met een woordspel zijn politieke boodschap te verkondigen. De jaren zestig hadden veel gebracht, stelt hij. Inderdaad, dat ontkende Fortuyn nooit – kon hij ook niet ontkennen, daarvoor was zijn marxistische verleden te sterk en waren zijn seksuele mogelijkheden te zeer aan de toenmalige revolutie schatplichtig. Maar met de jaren begon hij steeds beter in te zien dat de verovering van ruimte slechts een deel van het verhaal vertelde. Het andere deel was dat men die ruimte niet goed had weten te benutten, met een gevoel van leegte tot gevolg.

Ruimte en leegte waren in Fortuyns ogen dan ook begrippen voor hetzelfde, het ene positief, het andere negatief, het ene vol belofte, het andere vervuld van dood. Want leegte kon angstwekkende consequenties hebben. En zonder vermelding van het boek waaraan hij welhaast zeker zijn ideeën had ontleend, Escape from Freedom van Erich Fromm uit 1942, verwees Fortuyn vervolgens naar het recente verleden. ‘Een zich emanciperende middenklasse zag de ruimte waarmee zij zich geen raad wist, gevuld met het nationaal-socialisme dat de weg wees naar een nieuwe wereldorde, waarin voor haar een dominante rol zou zijn weggelegd.’

De jaren zestig hadden volgens Fortuyn met het badwater ook het kind weggegooid. Het badwater was de verstikkende sfeer die hij onder meer in zijn autobiografie duidelijk beschrijft – met name van een katholiek onderwijs waarin elke ‘levendige fantasie, eigen mening en hang naar creativiteit’ wordt doodgeslagen, met als gevolg ‘een dikwijls saaie en strenge wereld waarin ik mij te vaak onbegrepen en noch thuis noch welkom voel’. Het was goed dat deze wereld verdwenen was, stelt Fortuyn. Niet goed daarentegen was dat daarmee ook alle principes verdwenen waren die aan deze wereld ten grondslag hadden gelegen – sommige daarvan hadden volgens hem zelfs eeuwigheidswaarde. Een daarvan was elite. Er waren volgens Fortuyn nu eenmaal enkelen die ‘het’ wisten en velen die zo ver nog niet waren of wellicht nooit zo ver zouden komen. Een samenleving die dit ontkent en ‘bestuurd’ wordt door een groep die, zoals velen van zijn postmodernistische leeftijdgenoten, bij alles vraagtekens zet, ‘verweest’. De verweesde samenleving was ook de titel van een ‘religieus-sociologisch tractaat’ dat Fortuyn in 1995 publiceerde.

Ook – en nauw verwant aan dit besef van de noodzaak van een elite – diende een samenleving volgens Fortuyn gedragen te worden door één of enkele centrale ideeën. Is dat niet het geval, dan verwordt zij, zoals onder premier Kok gebeurde, tot een bv waarin het enkel gaat om de middelen en niet langer om de doeleinden. Ook dan ligt ondergang op de loer. Een ‘bezield verband’ (mijn, niet Fortuyns woorden) is nodig. Maar zo’n verband kan volgens Fortuyn eigenlijk alleen bestaan als het een tegenbeeld of tegenidee heeft, grof gezegd een ‘vijand’. Fortuyns wereldbeeld was sterk manicheïstisch, er was volgens hem goed en kwaad. Van postmodernistisch geschipper en modieus cultuurrelativisme wilde hij niet weten. Dit verklaart mede zijn weerzin tegen de islam – waar hij vanzelfsprekend ook grote ideologische bezwaren tegen had. Deze religie kreeg bij hem de functie die het communisme tijdens de Koude Oorlog had vervuld: van antithese. Tot slot – de opsomming is niet volledig zoals ook Fortuyns voor- en afkeuren geen afgerond geheel vormen – was er de noodzaak van betrokkenheid en zelfs actieve inzet van de bevolking. Als ‘het volk’ niet solidair was met elkaar, zijn leiders en de maatschappelijke principes of niet bereid was van die solidariteit de consequenties te aanvaarden, was het allemaal om niets.

Fortuyn is lang niet de enige die sinds het begin van het nieuwe millennium dit soort gedachten verkondigde. Balkenende’s normen-en-waardendebat putte uit hetzelfde vaatje, zoals ook de denkbeelden van Wilders, Baudet en vele anderen drijven op de tegenstelling tussen wij en zij, uniform en pluriform, absoluut en relativerend, goed en kwaad, bezield en onverschillig. Het verklaart de neiging van talloze moderne denkers, politici en anderen om te verwijzen of zelfs terug te grijpen op de jaren vijftig. Die jaren zouden in onze geschiedenis de laatste periode zijn geweest waarin zo’n geleide, bezielde, gesloten en gedeelde samenleving, alle nadelen en kanttekeningen ervan ten spijt, bestaan zou hebben.

Hoe ver deze gedachte ondertussen is doorgedrongen en op z’n minst gedeeltelijk als juist wordt beschouwd, blijkt uit de boeiende lezing die Margo Trappenburg, bijzonder hoogleraar grondslagen van het maatschappelijk werk aan de Universiteit Utrecht, in 2012 voor het Nederlands Huisartsen Genootschap hield. In deze lezing pleit ook zij voor terugkeer naar de jaren vijftig. Daartoe citeert ze uitvoerig uit bladen als Huisarts & Wetenschap en Medisch Contact en illustreert ze de omslag die vanaf de jaren zeventig zou hebben plaatsgevonden. Vanaf dat moment werd de patiënt een cliënt en de arts een regelaar die op afroep desgewenst advies gaf, maar die vooral bezig was met behandelplannen, digitale dossiers en praktijkorganisatie. Wie wilde er nu geen situatie waarin een arts je gewoon aankijkt, bevraagt, een diagnose stelt en adviseert? luidt Trappenburgs retorische vraag. Wie wil er nu geen aanpak die haaks staat op de overgeorganiseerde, gespecialiseerde, door protocollen verbrokkelde aanpak van vandaag? Zo gesteld is slechts één antwoord mogelijk: terug naar de jaren vijftig.

De ideologische omarming van de jaren vijftig sinds het begin van dit millennium is door twee factoren enorm versterkt. De eerste is de alomtegenwoordige, almaar groeiende ervaring van verwarring, crisis, vloeibaarheid. Of deze ervaring juist of nieuw is, is een tweede. Vast staat dat ze voor velen een feit is en dat dit een verlangen naar het tegendeel met zich meebrengt.

Dit is te meer het geval – en dat is de andere versterkende factor – als zo’n verlangen gestimuleerd wordt door de biologische klok. Mensen die in de jaren vijftig hun vormende ervaringen hadden, zijn op dit moment in de avond van hun leven. Daarmee is een zekere weemoed, zo blijkt uit onderzoek steeds weer, onvermijdelijk. Die weemoed richt zich veelal op de periode dat men nog jong, onbekommerd en vol verwachting was. Vandaar het enorme aantal websites, boeken, verzamelclubs en wat al niet meer dat naar de jaren vijftig verwijst. De rode draad daarvan is niet zozeer dat geluk toen heel gewoon was. Want dat is eenvoudigweg niet waar. De rode draad is dat het verlangen naar een tijd van geluk heel gewoon is. En als zo’n tijd in het heden moeilijk vindbaar en voor de toekomst niet meer denkbaar is, dan blijft nog slechts één plek over. Inderdaad, het nabije verleden.