Toen was welsprekendheid nog heel gewoon

Jaap van Rijn, De eeuw van het debat. De ontwikkeling van het publieke debat in Nederland en Engeland 1800-1920. € 19,90

Nu op tv, radio en internet de godganse tijd door jan en alleman ‘gediscussieerd’ wordt over actuele maatschappelijke onderwerpen kunnen we ons nauwelijks voorstellen dat in het begin van de negentiende eeuw elk voorstel om in gezelschap over deze onderwerpen te praten met, zoals een tijdgenoot het uitdrukte, ‘een onverschilligen, zoo niet bedeesden, met een vragenden, twijfelenden, wantrouwenden of zelfs afkeurende blik bejegend’ werd. Van een publiek debat was in het autocratisch geregeerde Nederland geen sprake.

Medium rijn   eeuw van het debat

Ooit, tijdens de Republiek, was dat anders. Nadat echter eind achttiende eeuw de strijd tussen orangisten en patriotten had geleid tot een burgeroorlog, die weer resulteerde in militaire interventies van Pruisen, terwijl later Frankrijk ons land bezette, was de huiver voor openlijke discussies over politiek en godsdienst enorm groot. In de reglementen van verenigingen werd debat over deze onderwerpen zelfs uitdrukkelijk verboden, en in het, nog allesbehalve democratisch gekozen, parlement werd kritiek op wetsvoorstellen gezien als een persoonlijke aanval op de koning en diens ministers en zodoende als een onvaderlandslievende daad.
Het waren de liberalen die hier verandering in wilden brengen, en een van de middelen hiertoe was in hun ogen het bevorderen van het publieke debat. Zodoende werd in 1846 in Amsterdam de Vrijdagsche Vereeniging opgericht, de eerste Nederlandse debatingclub, die al spoedig gevolgd werd door tal van andere verenigingen die het voeren van rationele en beschaafde debatten wilden bevorderen. Het idee was overgewaaid uit Groot-Brittannië.
In zijn dissertatie De eeuw van het debat vergelijkt Jaap van Rijn de ontwikkeling van het publieke debat in beide landen gedurende de (lange) negentiende eeuw. Een belangrijke overeenkomst was dat zowel in Engeland als in Nederland het parlementaire debat, met alle regels van dien, als voorbeeld gold. Hoewel in Engeland het spelkarakter sterker was dan in Nederland, waar debatteren primair diende te leiden tot het nemen van verstandige besluiten, stond in beide landen het op rationele wijze zoeken naar de waarheid centraal, waarbij onjuiste argumenten werden ‘uitgezuiverd’ en het dienen van het algemeen belang van groter gewicht leek dan het behalen van het eigen gelijk.
Anders dan in Nederland, waar het debatteren vooral een kwestie was van de (liberale) elite, waren er in Engeland tal van debatingclubs die openstonden voor mensen van alle rangen en standen en die een belangrijke bron van vermaak vormden, zodat een Londense krant eind achttiende eeuw opmerkte dat 'de hartstocht voor spreken in het openbaar epidemische vormen begint aan te nemen’. Niet zelden deden de debatingclubs, die vaak bijeenkwamen in kroegen, dienst als fora voor radicale politici. Hoe hoog de gemoederen soms opliepen blijkt uit wat Van Rijn schrijft over de rellen in Birkenhead in 1862, toen een gepland debat over de Italiaanse strijd tussen Garribaldi en de paus leidde tot gewelddadige protesten van de Ierse inwoners van deze stad. Een ander verschil tussen beide landen is dat in Engeland het parlement een bron van trots vormde en een belangrijke rol in de nationale identiteit speelde. Zowel aanhangers van de regering als van de oppositie zagen hun tegenstanders als goede patriotten, die het vooral met betrekking tot allerlei zakelijke kwesties met elkaar oneens waren en daar openlijk met elkaar over konden debatteren. In Nederland daarentegen werden de ideologische scheidslijnen steeds scherper getrokken, en discussieerde men, buiten het parlement, vooral binnen eigen kring.
De opkomst van moderne politieke partijen en de invoering van het algemeen kiesrecht betekenden de neergang van deze debatcultuur. Activisme en organisatietalent werden belangrijker dan overtuigingskracht. Hoewel de debating societies het in Engeland aanzienlijk langer uithielden dan in Nederland, nam hun rol als 'opleidingsinstituut’ voor de politiek af. Het liberale ideaal van het debat als plek waar een rationele publieke opinie tot stand kon komen is wellicht nooit echt werkelijkheid geweest, maar sinds het is losgelaten lijkt de kwaliteit van het publieke debat toch zienderogen achteruit gegaan te zijn. De waarheid lijkt minder belangrijk dan 'het creëren van draagvlak’.
Hoewel Van Rijn zich hier niet over uitlaat, zou men kunnen stellen dat vooral populisten dit vacuüm trachtten op te vullen. Terwijl het politieke debat steeds technocratischer en bloedelozer werd, zijn het vooral populisten die allerlei grote, levensbeschouwelijke kwesties weer op de agenda hebben gezet. In beginsel valt dit toe te juichen, ware het niet dat het debat in Nederland inmiddels gekaapt is door iemand die geen zier geeft om empirische feiten en die door het stelselmatig herhalen van leugens (bijvoorbeeld over een moskee op Ground Zero die noch een moskee is noch op Ground Zero komt) stemming maakt en elk fatsoenlijk debat verhindert. Wat dat betreft stemt Van Rijns boek weemoedig en zou men over die ouderwetse politieke debatten, waarin welsprekendheid en rationele argumentatie samengingen, hetzelfde kunnen zeggen als wat het conservatief-liberale Tweede-Kamerlid Willem Wintgens in 1864 zei over de gelden die via het cultuurstelsel in Nederlands-Indië in de Nederlandse schatkist vloeiden: 'Neemt er uw hoed voor af, Mijne Heren, gij zult ze niet weder zien.’

JAAP VAN RIJN
DE EEUW VAN HET DEBAT: DE ONTWIKKELINGEN VAN HET PUBLIEKE DEBAT IN NEDERLAND EN ENGELAND, 1800-1920
Wereldbibliotheek, 362 blz., € 19,90
Van Goor, 233 blz., € 19,95