Toer van schaijk choreograaf/beeldend kunstenaar

‘IK HEB ME lange tijd beeldhouwer genoemd, maar als ik nu een beroep moet opgeven, zeg ik choreograaf. Als choreograaf heb ik ook meer erkenning, als beeldend kunstenaar ben ik eigenlijk onbekend. Ik timmer niet aan de weg. Vroeger heb ik het wel gedaan, in Parijs met een map onder m'n arm de galeries langs, als een soort marskramer. Ontzettend. Sporadisch heb ik wel exposities, maar mijn leven bestaat toch voornamelijk uit dans. De meeste tijd besteed ik aan choreografie en het ontwerpen van decors. Danser voel ik me niet meer, al heb ik onlangs nog in vijf voorstellingen gedanst van mijn laatste ballet. Daarvoor had ik me weer helemaal in de training gestort. Ik heb dat stuk als een soort afscheid bedoeld, niet zozeer als danser, want dat ben ik eigenlijk al jaren niet meer, maar van een hele generatie van mijn favoriete dansers met wie ik zo lang heb gewerkt, en die nu, net als ik, voor het eind van een carrière staan. In die zin was het een afscheid, dat ik in eigen persoon met hen wilde beleven. Dat was de reden voor mij om nog een keer het toneel op te gaan.’

‘EEN CARRIERE heb ik nooit gepland. Het kabbelde vanzelf in een bepaalde richting. Ik ben ook niet ambitieus. Wel perfectionistisch, maar ik heb niet het gevoel dat ik mezelf aan een verbaasde wereld moet openbaren. Mijn balletten heb ik altijd voor mijn dansers gemaakt, niet voor het publiek. Ik hoopte iets te maken waar de dansers iets aan zouden beleven. Hoewel ze me erg trouw zijn geweest ben ik altijd nerveus gebleven als ik voor de groep stond. Ik ben heel onzeker, dat is een familietrek. Het is me nooit gelukt om zekerheid te ontlenen aan de dingen die ik kan. Ik heb mezelf altijd als een schlemiel gezien. Zoals ik ook altijd het gevoel heb onwelkom te zijn, zelfs bij mijn beste vrienden. Een soort aarzeling om op de bel te drukken.
Ook als ik danste was ik heel zenuwachtig, vooral de uren ervoor. Dat is zo onredelijk gemeen van het lichaam, die zenuwen, waardoor je het gevoel hebt dat je knieën je niet meer dragen. Als je eenmaal uit de coulissen was gestapt, ging het wel weer. Het vreemde is dat ik bij mijn laatste voorstelling in het Muziektheater bijna geen last van zenuwen heb gehad. Misschien omdat ik voor mezelf had beslist dat het mijn laatste dans zou zijn.
Dansen is een heel extraverte bezigheid, terwijl ik natuurlijk heel introvert ben. Ik denk dat veel mensen die heel introvert zijn juist om die reden het toneel op gaan. Omdat je dan achter het masker van een rol jezelf kunt uiten.’
'VAN KLEIN KIND af heb ik al getekend en geboetseerd. Ook door mijn moeder, die beeldend kunstenares was. Zij was ook enorm ballet-minded en ze had allerlei boeken over ballet. Die keek ik wel eens in, maar het boeide me niet buitenmate. Met school was er de jaarlijkse gang naar het Scapino Ballet, en ik vond er niks aan. Tot er in een van die balletten een klassieke danseres optrad en ik gefascineerd raakte door dat geometrische bewegen van die benen op spitzen. In de jaren vijftig kwam het Ballet van de Marquis de Cuevas naar Nederland. Dat boeide me enorm en al vrij snel had ik het gevoel dat ik zelf wilde gaan dansen. Maar mijn vader was er tegen. Al had hij een brede culturele kennis, met ballet had hij zich nooit beziggehouden. Hij vond het niet zo'n leuk idee dat zijn zoon dat zou gaan doen. Toen ik mislukte op het lyceum, doordat mijn belangstelling zó naar dans en kunst uitging, mocht ik nog altijd niet naar het ballet. Wel naar de Academie voor Beeldende Kunst om beeldhouwer te worden. Maar in mijn achterhoofd zat die dans nog steeds. Ik ben toen met privé balletles begonnen. Mijn vader, die zag dat ik toch doorzette, stuurde me naar Sonia Gaskell voor een gefundeerde opinie over mijn talent. Gaskell had het niet helemaal begrepen en dacht dat ik auditie kwam doen. “Je kunt komen in de groep”, zei ze. Jongens in de dans waren niet zo rijk gezaaid, ik was goed gebouwd en had wel aanleg. Zo kwam ik bij het Nederlands Ballet. Daar leerde ik ook Rudi van Dantzig kennen. Hij zag mij in de pauzes zitten tekenen en vroeg of ik een decor wilde ontwerpen voor zijn tweede ballet. Als ik het nu zie was het primitief, maar voor die tijd kon het wel. Techniek had ik niet, in het schilderen ben ik autodidact.’
'VIER JAAR LATER brak er een vervelende periode aan bij het Ballet. Er ontstond een anti-Gaskell-stemming. Het was chaotisch, er was geen werkrooster. In die tijd splitste ook het Danstheater zich af. Ik had daar moeite mee en dacht: wat doe ik hier nog? Toen ben ik teruggegaan naar de academie. Die heb ik afgemaakt en daarna heb ik een beurs gekregen om een jaar in Antwerpen te studeren. Ik heb ook in marmer staan hakken op Paros. Terug in Nederland ontwierp ik een decor voor Rudi’s ballet Monument voor een gestorven jongen en ik hielp hem met het uitzoeken van bewegingspatronen. Voor de hoofdrol waren er twee bezettingen, maar de een kreeg een blessure, de ander kon het mentaal niet aan. Het was tien dagen voor de première en Rudi vroeg of ik het wilde doen - ik was er zo nauw bij betrokken geweest. Toen heb ik een jaarlang als gast die rol gedanst. Daarna ben ik naar Gaskell gestapt en heb gevraagd of ik terug kon komen. Dat kon, als tweede solist. Zo ben ik toch weer bij het ballet terechtgekomen.
Ik ben toen wel blijven schilderen en beeldhouwen. Een voordeel van schilderen is dat je zo kunt beginnen. Beeldhouwen vraagt zoveel technische voorbereidingen. In een danscarrière, als je om vijf uur ’s middags thuiskomt, ga je niet nog eens een heel armatuur opzetten - ik maakte meestal grote dingen. Ik heb nooit het gevoel gehad dat het ene vak het andere in de weg zat, ik heb me ook nooit versnipperd gevoeld. Ik denk wel eens dat je, om werkelijk een volwaardig kunstenaar te zijn, je met oogkleppen voor moet vastbijten in één ding. Zoals Van Gogh. Maar ik vind het eigenlijk wel prettig dat ik die dingen allemaal kan.
De overeenkomst tussen de vakken is dat je altijd met vorm bezig bent. In het begin schreven critici over mijn balletten: je kunt zien dat hij beeldhouwer is. Ik maakte inderdaad nogal uitgedachte composities. Ik tekende ze zelfs uit, hele bewegingsreeksen. Dat was ook een hulpmiddel omdat ik zo nerveus was als ik voor die dansers stond, dat ik alles kwijtraakte.
Op het moment dat ik een choreografie maak, ben ik nooit erg gelukkig. Ook door mijn onzekerheid. Ik heb wel momenten, als ik in de zaal zit en naar een ballet van mezelf kijk en voel dat het publiek ook gefascineerd is, dat ik denk: ja, dat is toch niet zo gek. Ik denk dat alleen dilettant-kunstenaars gelukkig zijn als ze ergens mee bezig zijn. Als je iets beroepsmatig doet, of het nu dansen, beeldhouwen of muziekmaken is, ik geloof niet dat je dan echt gelukkig bent. Daar is het te diepgaand voor. Je bent je altijd zo bewust van de tekortkomingen. Ik ben geen gedeprimeerd mens, ik heb wel last van depressies. Door de strekking van mijn balletten, die vaak te maken hadden met de toestand in de wereld, de vervuiling enzovoort, word ik wel een pessimist genoemd. Ik vind mezelf meer een optimist die niet veel reden meer ziet voor optimisme. Waar moet je nog optimistisch over zijn?
Maar als je lekker aan het werk bent, kun je wel eens een gelukkig gevoel hebben. Met schilderen en beeldhouwen eerder dan met ballet. Omdat verf en klei geen mening hebben over wat je met ze doet. Bij dansers heb ik altijd het gevoel: ze vinden het vast shit wat ik doe. Toch voel ik me het meest thuis in de wereld van de dans. In de beeldende kunst ken ik weinig mensen. Eigenlijk gebeurt er niet zo veel met mijn schilderijen. Ik ben nu bezig aan een schilderij dat ik 'Choreografisch concours’ heb genoemd: drie kerels die als wilden aan het dansen zijn. Ik maak dat voor mezelf. Als het klaar is begin ik weer aan een ander schilderij.’
'WAT IK nog graag zou willen, is werken met een kleine groep, vanuit een eigen studio. Als ik hierover praat is de reactie vaak: Nederland is al zo vol met kleine groepen. Dan moet je wel met iets totaal nieuws komen. Maar het interessante is juist dat het niet om een postmodern experiment gaat, maar om klassiek getrainde dansers. Acht of tien mensen, in een soort familieverband, dat is nog wel een ideaal.’