Redes Multatuli, Huizinga en Troelstra

Toespraak, artikel, rede

Multatuli (1860): Toespraak tot de hoofden van Lebak (uit ‹Max Havelaar›

In de roman Max Havelaar uit 1860 laat Eduard Douwes Dekker zijn alter ego, de assistent-resident Max Havelaar, een beroep doen op de medemenselijkheid van de inlandse gezagsdragers door een brug te slaan naar hun godsdienst en cultuur.

«Er komt een tijd dat onze vrouwen en kinderen schreien zullen bij het gereedmaken van ons doodskleed, en de voorbijganger zal zeggen: ‹Daar is een mens gestorven.› Dan zal wie aankomt in de dorpen, tijding brengen van de dood desgenen die gestorven is, en wie hem herbergt, zal vragen: ‹Wie was de man die gestorven is?› En men zal zeggen: ‹Hij was goed en rechtvaardig. Hij sprak recht en verstootte de klager niet van zijn deur. Hij hoorde geduldig aan, wie tot hem kwam, en gaf weder wat ontnomen was. En wie de ploeg niet drijven kon door de grond omdat de buffel uit de stal was gehaald, hielp hij zoeken naar de buffel. En waar de dochter was geroofd uit het huis der moeder, zocht hij de dief en bracht de dochter weder. En waar men gearbeid had onthield hij het loon niet, en hij ontnam de vruchten niet aan wie de boom geplant hadden. Hij kleedde zich niet met het kleed dat anderen dekken moest, noch voedde zich met het voedsel dat de arme behoorde.›

Dan zal men zeggen in de dorpen: ‹Allah is groot, Allah heeft hem tot zich genomen. Zijn wil geschiede… er is een goed mens gestorven.›

Doch andermaal zal de voor b ij ganger stilstaan voor een huis, en vragen: ‹Wat is dit, dat de gamelan zwijgt, en het gezang der meisjes?› En wederom zal men zeggen: ‹Er is een man gestorven.› En wie rondreist in de dorpen, zal ’s avonds zitten bij zijn gastheer, en om hem heen de zonen en dochteren van het huis, en de kinderen van wie het dorp bewonen, en hij zal zeggen: ‹Daar stierf een man die beloofde rechtvaardig te zijn, en hij verkocht het recht aan wie hem geld gaf. Hij mestte zijn akker met het zweet van de arbeider die hij had afgeroepen van de akker des arbeids. Hij onthield de werkman zijn loon, en voedde zich met het voedsel van de arme. Hij is rijk geworden van de armoede der anderen. Hij had veel gouds en zilvers en edele stenen in menigte, doch de landbouwer die in de nabuurschap woont, wist de honger niet te stillen van zijn kind. Hij glimlachte als een gelukkig mens, maar men hoorde gekners tussen de tanden van de klager die recht zocht. Er was tevredenheid op zijn gelaat, maar geen zog in de borsten der moeders die zoogden.› Dan zullen de bewoners der dorpen zeggen: ‹Allah is groot… wij vloeken niemand!›

Hoofden van Lebak, eens sterven wij allen! Wat zal er gezegd worden in de dorpen waar wij gezag hadden? En wàt door de voorbijgangers die de begrafenis aanschouwen?»

Johan Huizinga (1934): Artikel ‹Nederlands geestesmerk›

In 1934 schreef historicus Johan Huizinga te midden van de politieke onrust over de machtsovername door de nazi’s in Duitsland het artikel Nederlands geestesmerk, waarin hij onder meer opriep tot een «afwassing» van versleten begrippen.

«In elke maatschappij raken bepaalde termen en namen beladen met gevoelens van afkeer of verheerlijking. Deze gevoelens gaan weliswaar uit van bepaalde overtuigingen van politieke, godsdienstige of culturele aard, maar in het brein van de velen, die de uitdrukking dier overtuiging als leus aanvaarden, zonder de betekenis te verstaan, overstemt het affekt dat aan de term verbonden is ten enenmale het logisch gehalte ervan. Is eenmaal zulk een woord gebrandmerkt of geridderd, dan hecht zich daaraan de haat of de verering van een ganse klasse, ver buiten de oorspronkelijke sfeer van gelding en betekenis. Dan wordt zulk een woord zondebok of sjibbolet, beladen met al de zon den ener eeuw, of heilig teken, waaraan men zijn medestanders herkent.

(…)

De jongste stroming in het ‹verwerdt Europa›, die van het extreem nationalisme, heeft nu als blankste parel in zijn kroon het ‹heroïsme› gesteld. Het is een parel uit de fabriek. Want wie waarde hecht aan de echte, diepe betekenis van een woord, weet wel, dat heldendom evenals heiligheid geen programpunt kan zijn, dat het bereikt kan worden op het vergeten ziekbed en in het stoffige kantoor evengoed als op het slagveld of in het vliegtuig. Ik weet wel, er zit in die hevige drang naar het heroïsche, die het geslacht van deze tijd drijft, een edele aspiratie, die van het zelfvergeten in de daad en van het doen instromen van alle machten der poëzie in het werkelijke gemeenschapsleven. Maar men kan niet streven naar het heroïsche. De naam held is de prijs, die de levenden geven aan de gevallene, die zelf van geen heldendom wist. Toewijding en plichtsvervulling moet als lof voor onze daden genoeg zijn. Bij het hedendaagse heroïsme evenwel, zoals politieke machten het aanprijzen, ligt de prikkel in hoogmoed en barbarie. Het is de intoxicatie der gedresseerde scharen.

Dit valse heroïsme is van de morele kwalen, waarmee onze tijd geplaagd is, wellicht de ergste, en van alle gedachteloos misbruikte termen de gevaarlijkste.

Hoe nuttig zou het zijn, als men van tijd tot tijd eens al de politieke en culturele termen die gangbaar zijn, op een rij kon zetten voor een grote schoonmaak. Om sommige als kapot of versleten in het asvat te werpen, andere grondig te reinigen van het stof en vuil, dat er aan kleeft. Zodat men bijvoorbeeld liberaal in zijn oorspronkelijke betekenis hersteld en los van alle gevoels nuances, die een eeuw van partijconflict er aan gehecht heeft, weer kon gebruiken in de zin van ‹dat wat een vrij man waardig is›. Zou men niet burgerlijk, ontdaan van al de negatieve associaties, waarmede nijd en hoogmoed (want die zijn het tenslotte) het woord beladen hebben, weer eenvoudig kunnen opvatten als ‹al wat tot het stedelijke leven behoort›? Men zou zich dan daarbij misschien kunnen herinneren, dat de Babylonische, de Griekse, de Romeinse, de Westers-christelijke cultuur en nog enige andere meer in steden zijn gegroeid en door steden gedragen.»

Pieter Jelles Troelstra (1918): Rede in de Tweede Kamer

Pieter Jelles Troelstra, leider van de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij, maakte in 1918 van de revoluties in Rusland en Duitsland gebruik om de Haagse achterkamertjes politiek de wacht aan te zeggen en het Nederlandse proleta riaat op te roepen «zijn taak niet te verzuimen».

«Wij leven in een tijd, waarin het volk wil weten, wat er met zijn zaak gebeurt, waarin het oog van het volk naspeurt alle geheime hoekjes, en men niet wil, dat er achter de schermen, gedekt of niet gedekt, krachten zullen werken, die een gewichtige invloed hebben op het leven en welzijn van het volk, en van wie men eigenlijk niets weet, die buiten het volk omgaan. Hier is voor mij van veel meer belang nog dan de vraag van het parlementaire stelsel deze vraag: er is een sterke drang, ook bij ons, in alle democratische landen, om de invloed van het volk ten opzichte van het buitenlandse beleid te versterken, tot gelding te brengen. Men keert zich tegen geheime diplomatie, men wil eten, waaraan men toe is.

(…)

Men heeft hier te doen met een beweging, die reeds te lang heeft gevoeld, dat met alles wat zij doet, zij iets kan vooruitkomen – zij is ook vooruitgekomen – zichzelf omhoog kan brengen – zij heeft zich ook omhoog gewerkt –, maar die bij alles heeft gevoeld: tot de grote zaken waarvoor wij werken, komen wij nooit, zolang de oppermacht in de Staat in handen blijft van de klasse, wier belang in wezen tegenover het onze staat, wier economisch bestaan rust op een stelsel van uitbuiting, een klasse die van daar zal moeten verdwijnen; waar zij haar politieke macht uitoefent, zal de eerste grondslag kunnen worden gelegd voor een verdere langzame, maar stevige nieuwe opbouw in de richting van de idealen, die die klasse in gemeenschap met haar zusterpartijen en klassen in andere landen heeft.»