Toetsgekte

Scholen zouden ruimte en vertrouwen moeten krijgen van de politiek, in plaats van regels en voorschriften. Maar politici laten niet zomaar ‘duizend bloemen bloeien’.

Plofklassen. Als je het woord uitspreekt spatten de kinderen je mond uit, zoveel zitten er bij elkaar opgehokt. Alsof het kippen zijn in een overvolle legbatterij. Het d66-Tweede-Kamerlid Paul van Meenen zegt de bedenker van het woord te zijn. Toch was hij er onlangs niet voor om een maximumnorm vast te leggen voor de grootte van klassen, zoals een burgerinitiatief aan de Haagse politici vroeg. Dat past niet bij wat Van Meenen het meest nodig acht voor het onderwijs: ruimte en vertrouwen. Een maximumnorm zou scholen die slechts één leerling boven die norm uit komen maar opzadelen met de plicht de klas te splitsen, met alle kosten van dien. Bovendien, niet in alle volle klassen krijgen leerlingen te weinig aandacht.

Pak de bevindingen erbij van de commissie-Dijsselbloem van zes jaar geleden over de vernieuwingen in het voortgezet onderwijs in de jaren negentig en Van Meenen lijkt de personificatie van wat daarin aan aanbevelingen stond. Bemoei je niet te veel met het dagelijkse onderwijs, laat het over aan leraren en ouders.

Als man met een decennialange loopbaan in het onderwijs heeft Van Meenen zelf ervaren wat de commissie onder voorzitterschap van het toenmalige pvda-Kamerlid en de huidige minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem in 2008 concludeerde. Politiek draagvlak was in de jaren van de grote onderwijsvernieuwingen belangrijker dan draagvlak in het onderwijs zelf, bewindspersonen hadden last van tunnelvisie, de analyse van de problemen in het onderwijs was onvoldoende, de regelgeving dijde uit, enzoverder, enzovoort. Sindsdien zijn politici huiverig voor grootscheepse onderwijsvernieuwingen. Maar dat wil niet zeggen dat het sindsdien rustig is in de relatie tussen politiek en onderwijswereld, ook al verbleekt die onrust bij die over de pensioenen, de hypotheken, de werkloosheid of de decentralisatie van de zorg.

Er zijn de afgelopen jaren op onderwijsterrein discussies geweest of nog steeds gaande over de urennorm per schooljaar, over de vraag of het salaris van de leraar wel voldoende kwaliteit aantrekt, over de toetsgekte, over het belang van taal en rekenen, over het opleidingsniveau van docenten, over de kwaliteit van de pabo die docenten voor het basisonderwijs opleidt, over de regeldruk op scholen, over de rol van de inspectie, over de doorstroommogelijkheden van het ene soort onderwijs naar een stapje hoger, over het leenstelsel voor studenten, over excellente scholen, over de zesjescultuur en de tegenhanger ervan: de aandacht voor toptalent, over iPad-scholen, over het kunnen volgen van vakken op verschillende niveaus. En dan zal hier vast ook nog wat vergeten zijn.

Wat die discussies met elkaar gemeen hebben, op die over het leenstelsel na, is dat ze allemaal gericht zijn op het verbeteren van de kwaliteit van het dagelijkse onderwijs en het bieden van ontplooiingskansen aan leerlingen en studenten zonder het hele schoolsysteem op de schop te nemen. Niet dat de verschillende politieke partijen dan vervolgens ook eensgezind hetzelfde denken over deze onderwerpen, maar wie het wil zien, neemt eensgezindheid waar: de basisles van Dijsselbloem is geleerd. d66-Kamerlid Van Meenen is daarin niet de enige.

De basisles van de commissie-Dijsselbloem is geleerd

Afgelopen december kwam het jongste pisa-lijstje binnen, een internationale ranglijst van landen aan de hand van de onderwijsprestaties van vijftienjarigen. Daarin zat goed nieuws en slecht nieuws. Het goede nieuws was dat Nederland op die ranglijst, met deze keer wiskunde als speciaal aandachtspunt, op de derde plaats staat. Wel met als toevoeging: van de Europese landen die meedoen. Niet-Europese landen meegerekend, zakt Nederland op dat lijstje.

Het slechte nieuws was dat de goede leerlingen het in Nederland slechter doen dan met hen vergelijkbare leeftijdgenoten in de landen om ons heen. Dé Nederlander mag dan niet bestaan, denken dat koppen niet boven het maaiveld mogen uitsteken en vooral gericht zijn op het gemiddelde zit mogelijk toch diep in onze cultuur ingebakken. Dat ga je des te meer geloven als je de uitkomst ziet van een onderzoek van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap waaruit blijkt dat de betere leerlingen zich vervelen op school. De lessen zijn niet op hen gericht, maar op de gemiddelde leerling.

Staatssecretaris van Onderwijs, de vvd’er Sander Dekker, noemde dat pisa-lijstje geen rustig bezit. Hij zet zich in voor excellente scholen, voor toptalent, voor een cum laude op je diploma van de middelbare school. Het druist in tegen het Nederlandse gelijkheidsdenken. In de ogen van sommigen riekt het te veel naar het Aziatische tijgerdenken.

Wat opvalt aan de manier waarop de staatssecretaris het stimuleren van toptalent wil aanpakken, is dat ook hij de les van Dijsselbloem in zijn oren lijkt te hebben geknoopt. Dekker ging met leraren in gesprek en liet zich door hen inspireren. In zijn brief aan de Kamer over een plan van aanpak voor toptalenten haalt hij ideeën uit de praktijk aan: ga werken met flexibele roosters, laat het jaargroepensysteem los, haal expertise van elders de school in, zet met een aantal scholen samen aparte lessen op in bijvoorbeeld filosofie of vliegtuigbouw.

Het klinkt niet erg directief. Het heeft meer iets van ‘laat duizend bloemen bloeien’. Dat is moeilijk voor Haagse Kamerleden. Wetten en regels maken waaraan scholen zich moeten houden, is hun werk, geeft hun meer voldoening, meer houvast ook. Ruimte en vertrouwen geven aan scholen maakt het hun daarnaast ook moeilijker om bewindspersonen af te rekenen op hun beleid. Ze moeten zelf ook los zien te komen van de toetsgekte.