Toeval bestaat niet

Beroemd is hij niet, en toch heeft hij het debat over ‘God en de wetenschap’ in Nederland de laatste tien jaar gedomineerd: prof. dr. ir. Arie van den Beukel, tot voor kort hoogleraar natuurkunde. ‘Het blinde vertrouwen in de wetenschap heeft al lang afgedaan.’

HAD U EIND jaren tachtig het gevoel dat het tijd werd om christenen een hart onder de riem te steken? ‘Mijn broer, die in die tijd predikant was, kreeg veel reacties in de trant van: dominee, dat geloof en zo, dat is niet meer van deze tijd, dat is achterhaald door de wetenschap. Hij vroeg aan mij: is dat zo, hebben jullie het geloof achterhaald? Ik zei: je weet toch wel beter. Als mensen tegen je zeggen: “God bestaat niet”, moet je zeggen: “Dat is onzin, want ik ga al vijftig jaar met hem om.” Toch wilde hij meer weten. Ik wilde dat wel voor hem opschrijven en dat dijde uit tot een boek.’ Heeft u er zelf in uw leven problemen mee gehad? Was 'God en de wetenschap’ voor u een probleem? 'Nee, nooit. Ook niet als student. Ik vraag altijd aan mensen om mij uit te leggen waarom een wetenschapper niet een gelovige kan zijn. Uit de antwoorden blijkt dan dat men of een fout begrip heeft over wat wetenschap is, of over wat geloof is. Het gaat simpel om het uit de weg ruimen van misverstanden.’ Een christen kan onbekommerd natuurwetenschapper zijn en omgekeerd? 'Natuurlijk. Niemand heeft mij ooit kunnen uitleggen waarom dat niet zou kunnen. Overigens, het blinde vertrouwen in de wetenschap heeft toch al lang afgedaan. Dat is iets van vroeger. Er zijn helaas nog steeds veel gelovige mensen die een veel te hoge dunk van de wetenschap hebben (trouwens, ik ken ook heel wat niet-gelovige wetenschappers die nog steeds in hun denken in vroeger tijden leven). Sommige gelovigen denken dat je eigenlijk met goed fatsoen in deze moderne wereld geen gelovige kunt zijn, omdat dat intellectueel niet meer te verdedigen zou zijn. Ze zijn als het ware geïmponeerd door uitspraken van sommige wetenschappers. Wanneer het om verregaande uitspraken gaat, noem ik dat in mijn boeken 'mateloze arrogantie’. Niet iedere wetenschapper gaat zo ver, maar ze zijn er wel.’ Vandaar de positieve reacties van veel collega’s? 'Ja, juist van collega’s die niet van die pretentieuze boekjes schrijven. De verabsolutering van de wetenschap, met name van de natuurwetenschap, heeft al heel wat kwaad gedaan. Collega’s hebben me laten weten dat ze blij waren dat die aanspraken aan de kaak werden gesteld. Tegenwoordig hebben sommige natuurkundigen het over de “theorie van alles”. Binnenkort krijgen we vanuit de natuurwetenschappen inzicht in alles, in de diepste dingen, dan zijn we klaar. Er bleken heel wat fysici te zijn die dat je reinste flauwekul vinden. En terecht natuurlijk. Er is geen Grand Unified Theory. De natuurwetenschappen bieden geen inzicht in de diepe dingen van het leven. Dat is complete onzin. De natuurwetenschappen hebben niets te vertellen over metafysica, ondanks Hawking en Davies. Een timmerman gaat vanuit zijn vak toch ook geen dingen over God roepen?’ Maar ligt de verleiding binnen de natuurwetenschappen toch niet wat dichter op de loer? Vroeger werden dingen aan God toegeschreven die nu makkelijk wetenschappelijk verklaarbaar zijn. Het terrein van God wordt steeds kleiner en het terrein van de natuurwetenschappen wordt steeds groter. Dan is het logisch dat fysici dingen gaan roepen over de diepe dingen van het leven. Want God is uit het leven wegverklaard. 'Daar hebben natuurkundigen natuurlijk gelijk aan. Vroeger, ook in bijbelse tijden, werd voor veel verschijnselen een metafysische verklaring gegeven, terwijl er tegenwoordig gewoon een fysische verklaring is.’ Trek nu de lijn maar door… 'Het beslissende is dat je oog moet hebben voor de grenzen. Geloof en wetenschap moeten beide niet over de grenzen heen gaan. U heeft gelijk dat het terrein van God in de loop der eeuwen steeds kleiner is geworden. Wanneer je de lijn doortrekt heb je over een tijdje God als verklarende factor helemaal niet meer nodig. Dan is zijn rol als gaatjesvuller uitgespeeld. Deze redenering miskent het feit dat godsdienst veel meer is dan een reservoir voor verklaringen van natuurkundige zaken. Daar is de godsdienst helemaal niet voor. Godsdienst gaat over de verhouding tussen God en mensen, wat God in het leven van een mens betekent. Over geloof, hoop en liefde, over uitzicht, en dat heeft allemaal niets te maken met verklaringen van fysische verschijnselen.’ Wat u opnoemt zijn niet-verifieerbare zaken. Dat is leven met een illusie, zeggen Feuerbach en Freud. 'Waarom mag je het niet hebben over niet-verifieerbare zaken? Mijn vak gaat over reproduceerbare verschijnselen, maar dat betekent niet dat er niet daarbuiten oneindig veel zaken zijn die niet aan dit crite rium beantwoorden en desondanks van wezenlijk belang zijn.’ Waarbij de rede geen rol speelt? 'Waarom zou uitsluitend de rede altijd doorslaggevend moeten zijn. Er zijn mensen die zeggen: “De rede, en de rede alleen en verder is er niets.” Dat is rationalisme, een isme waar ik fel tegen ben, zoals tegen alle ismen omdat zij een versmalde kijk hebben op de werkelijkheid. Ik heb een hoge dunk van de rede, maar zeg met Pascal dat er veel dingen zijn die boven de rede uitgaan. In dit verband haal ik ook altijd graag Wittgenstein aan. Hij zegt dat je over de dingen waar de natuurwetenschap zich mee bezighoudt verstandig kunt spreken, maar het gaat uiteindelijk over de zee van het onuitsprekelijke, dat is in het leven het belangrijkste.’ Van de zee van het onuitsprekelijke naar de zee van het oneindige. Heeft u zich als gelovige natuurwetenschapper nooit afgevraagd waarom God dat immense, oneindige heelal heeft geschapen om op die hele kleine aarde, in een uithoek van het heelal, Zijn heilsplan te voltooien? 'Natuurlijk vraag ik me dat af, maar niet als natuurkundige. Bij ieder mens komen dit soort benauwenissen op, het gevoel dat je er niets van begrijpt, en natuurlijk is dat best een aanvechting, maar dat heeft toch iedere gelovige. Zeker weten doe je op deze aarde niets.’ Waarom gelooft u dan nog? 'Omdat geloof met vertrouwen in God te maken heeft. We komen uit Zijn hand voort en we zijn bij Hem in goede handen.’ Is dat vertrouwen nog op iets gebaseerd? 'Niet op iets tastbaars. Het beste woord dat ik kan vinden is resonantie, weerklank. Die bijbelse boodschap resoneert bij je. Als je erover zingt en als je ernaar leeft, heb je het gevoel dat je opgetild wordt, dat God je antwoord geeft. Je zit op de weg, die je met veel vallen en opstaan gaat, en op die weg heb je het gevoel dat het goed is. Henk van Randwijk schreef: “Als ik me vergist mocht hebben, zou ik geen moment spijt hebben, dat ik op deze manier mijn leven heb ingericht.” Als er straks niets mocht zijn, ben ook ik blij en dankbaar dat ik mijn leven met deze God zo heb mogen leven.’ U verwacht dat niet? 'Ik verwacht dat niet, maar ik kan het niet bewijzen. Toch geloof ik van ganser harte dat de zee van het onuitsprekelijke, met Wittgenstein, er is.’ NA 'DE DINGEN hebben hun geheim’, schreef u 'Met andere ogen’, dat vooral over het darwinisme gaat. Waarom moest dat boek ook geschreven worden? 'Omdat uit veel reacties bleek dat men vond dat ik adequaat had afgerekend met de bedreiging vanuit de natuurwetenschap, maar dat een veel bedreigender aanval kwam uit de hoek van de darwinistische biologen, omdat die met de regelmaat van de klok uitspraken doen als “de mens is het resultaat van toevalsprocessen” en “de mens is een schitterend ongeluk”. Als die biologen gelijk zouden hebben, als hun stellingen bewijsbaar waren, dan had het christelijk geloof inderdaad een serieus probleem. Ik vind dat ook. De essentie van het christelijk geloof is dat mens en wereld voortkomen uit de hand van God. Ze zijn doelbewust geschapen, en doelbewust gewild. De schepping heeft daarbij ook een einddoel. Het woord “doel” is heel belangrijk. Als de wetenschap het “doel” zou weerleggen, hebben we een probleem.’ Maar gelukkig…? 'Het antwoord is inderdaad onthutsend. Biologen die dit soort uitspraken doen overspelen op groteske manier hun hand. Ik ben in de literatuur gedoken, heb vele uitspraken op hun wetenschappelijk gehalte getoetst en was verbijsterd door de uitkomst. Ze maken hun uitspraken absoluut niet waar. Ik zie wel in de loop van vier miljard jaar een ontwikkeling in levensvormen, met die constatering ben ik het dus eens en ik zie daar tegelijkertijd Gods hand in. Maar als je je verdiept in de “wetenschappelijke” - en zet wetenschappelijke maar rustig tussen aanhalingstekens - literatuur over het ontstaan van het leven, dan zie je een wetenschappelijke treurigheid waar ik geen woorden voor heb. Het is pure science fiction, het is vermakelijke onbenulligheid. Gelukkig zijn er steeds meer wetenschappers die er geen spaan van heel laten. Ik ben mijn leven lang bezig geweest in een solide tak van wetenschap, als je ziet wat dit soort biologen voor uitspraken doen, het zijn pure geloofsuitspraken. Daar heb ik niets tegen, maar doe niet net alsof er ook maar een greintje wetenschap in zit. De uitspraak dat aan het begin van het leven de scheppende hand Gods te zien is, wordt door evolutiebiologen absoluut niet omvergeworpen, dat staat voor mij als een paal boven water. Een paar jaar terug is in Amerika een boek verschenen van de biochemicus Michael Behe: Darwin’s Black Box, ook in het Nederlands vertaald. In Amerika stond het op de hitlijsten. Behe toont overtuigend aan dat het volkomen ongeloofwaardig is dat het ontstaan en de ontwikkeling van leven het resultaat zou zijn van toevalsprocessen. Wat zich aan biochemische processen afspeelt in de levende cel kan onmogelijk op het conto van het toeval geschreven worden. Zijn conclusie is: in alles wat we waarnemen, zien we de hand van een intelligente ontwerper. Dat is natuurlijk geen godsbewijs, maar het laat wel zien dat al die biologen die de mond vol hebben van toevalsprocessen heel wat te verantwoorden hebben. Kortom, de evidence wijst heel duidelijk een andere kant op.’ Daarin is uw mening sinds 1994 niet veranderd? 'Absoluut niet, integendeel. En de eerste gefundeerde kritiek op mijn boek over het darwinisme moet nog komen.’ Terwijl u in de kerk vloekt. U zegt bijvoorbeeld: 'Het darwinisme staat op instorten’, 'Na Marx loopt ook Darwin op zijn laatste benen’ en: 'De evolutieleer vereist een daad van geloof die veel groter is dan nodig voor wat wij arme christenen geloven.’ 'Dat was ook wel nodig. Het was overigens voor mij een openbaring om te zien dat er in de biologie ook prominente wetenschappers zijn die dat neo-darwinisme ernstig in twijfel trekken. Dan gaat het met name om landen als Frankrijk, Duitsland en Italië. Maar die worden door het wetenschappelijke bijvoegsel van NRC Handelsblad gewoon doodgezwegen, die mogen daarin niet voorkomen, die passen niet binnen de ideologie. Engeland is nog niet zover, maar als Darwin een Belg was geweest, had hij ook daar al lang afgedaan.’ Terwijl Darwin zelf al koude rillingen van het oog kreeg… 'Als Darwin nu zou leven zou hij nog steeds koude rillingen hebben en moeten constateren dat de oogst aan bewijsmateriaal in die 140 jaar extreem mager is.’ Versimpelt u de zaak niet erg? 'Dat moet dan maar aangetoond worden. Ik heb mijn boek door een gekwalificeerde bioloog laten lezen. “Het klopt”, zei hij. Mijn boek over het darwinisme is nu vijf jaar uit. Niet één keer is het onderuit gehaald.’ Was dit alles een bevrijding voor u? 'Ik had me er nooit zo mee beziggehouden, maar door al die forse uitspraken van biologen begon ik me wel wat ongemakkelijk te voelen. Toen mij bleek dat die uitspraken nergens op gestoeld waren, vond ik dat wel vermakelijk, maar ook verontrustend. De ideeën die door darwinistische gelovigen de wereld worden ingeblazen en dat begint al bij het onderwijs, hebben altijd een sterk anti-godsdienstige tendens gehad en zijn van meet af aan ook zo gebruikt. Het darwinisme is altijd een soort visitekaartje geweest van de bestrijders van het geloof. Dan is het best interessant om erachter te komen dat het nergens op stoelt. De bewijslast ligt nu bij de mensen die zeggen dat het bestaan van de aarde en van de mens het resultaat is van toevalsprocessen. Ik zou niet graag in hun schoenen staan. Voor Darwin was de cel nog een zwarte doos, maar wij weten in grote details wat voor een fascinerende en supercomplexe zaken zich daarin afspelen. En hoe meer we daarvan nog te weten komen, des te helderder zal het worden dat het leven niet door toeval ontstaan is.’ Dan is het enige andere antwoord, zoals bijvoorbeeld de Britse astronoom Fred Hoyle zegt, dat het leven uit de ruimte gekomen is. 'Hoyle had al enorme moeite met de Big Bang, omdat die veel te veel aan de christelijke scheppingsgedachte deed denken. Bij de ontdekker van het DNA, Francis Crick, zie je precies hetzelfde. Hij is door onafhankelijk onderzoek tot de conclusie gekomen dat het leven onmogelijk door toevalsprocessen ontstaan kan zijn. Een Schepper kan er natuurlijk in zijn denken niet geweest zijn, dat vindt hij flauwekul, en dus heeft hij nog maar één uitweg, het leven moet via ruimtevaartuigen uit het heelal tot ons gekomen zijn. Zo redden Crick en Hoyle zich eruit. En dat zijn dan nog de mensen die tot de eerlijke conclusie komen dat het toevalsverhaal niet deugt.’ Waarom gaat u de kant van de ruimteschepen niet op? 'In mijn hele leven op de weg van God, waar ik veel resonantie van Hem gekregen heb, weet ik dat er Iemand met mijn leven doende is. Dat is mijn overtuiging. Als je hier niet aan wilt, moet je met zo'n verhaal van de ruimteschepen komen. Een andere uitvlucht is er niet. Kortom, of je gelooft in de hand van een Schepper, of je gelooft in ruimteschepen, een derde weg is er niet.’ Ik merk van dit dilemma niets in de wetenschapsbijlagen van de Volkskrant, Trouw en NRC Handelsblad. 'Die zijn in handen van overtuigde darwinisten. Maar als je bijvoorbeeld Figaro Magazine leest, dan merk je het wel.’ U ZEGT UITEINDELIJK in 'Met andere ogen’: 'Ik kom niet van God los, en dat wil ik ook niet.’ 'Inderdaad. Ik heb het gevoel dat het zo goed is en dat ik in het duister terecht zou komen als mij dat zou afgenomen worden.’ Dus, mijn volgende opmerking: u schept zich een veilige God, waarbij u zich geborgen voelt. Heel verklaarbaar, heel menselijk. 'Tegen zo'n opmerking heb je geen verweer. En het zou zelfs een terechte opmerking kunnen zijn. Maar toch wil ik er niet vanaf. Stel dat iemand met een glashard bewijs kwam dat de liefde niet bestaat, dan zou dat voor mij geen enkele reden zijn om mijn huwelijk te beëindigen. Want ik weet wel beter, maar ik kan het niet bewijzen.’ Niet? 'Ja, misschien toch wel in zekere zin. De cumulatieve evidence voor het christelijk geloof door de eeuwen heen, en ook in mijn leven en dat van de mensen die om mij heen staan, is zo groot dat ik met een gerust hart geloof. Want hierin gaat het niet om een wiskundig bewijs, maar om een vorm van bewijs zoals die bijvoorbeeld in de rechtspraak of de natuurwetenschappen wordt gehanteerd. In deze takken van wetenschap wordt een bewijs opgebouwd vanuit evidence, vanuit verschillende invalshoeken. Uiteindelijk worden op basis van dit bewijsmateriaal uitspraken gedaan. De bewijskracht voor het christelijk geloof is voor mij voldoende om er vertrouwen in te hebben.’