Toevluchtsoord

Het toilet is voor mannen de grot waarin zij zich in moeilijke tijden terugtrekken. Zitten? Geen denken aan. Behalve als je een daad wil stellen.

Medium technologica 38 2012 staan

Belt H. met de mededeling dat hem is gevraagd of hij in godsnaam op het toilet wil gaan zitten.

25 jaar bij elkaar, en nu dit.

Relaties mogen dan beginnen als een feest van herkenning, onafwendbaar komt het moment waarop blijkt dat rode wijn zijn ding niet is en zij niet begrijpt waarom de schepping de aubergine behelst en hij daar zo veel mee kan in de keuken. De onderhandelingsfase breekt aan en grensincidenten bepalen waar iedereen staat. Geen probleem, tot het gaat om Het Staan.

Ooit was die kwestie een privé-aangelegenheid, maar sinds Stephen Shen, de Taiwanese minister van Milieu, de wens heeft geuit dat alle Taiwanese mannen gaan zitten in plaats van staan, heeft het onderwerp het maatschappelijk discours betreden. Het beleid wordt uitgevoerd door iemand die op het milieuministerie verantwoordelijk is voor ‘environmental sanitation and toxic substance maintenance’. Lang geleden heeft de man de strijd verloren tegen kussens op de bank, de sprei over het voeteneinde van het bed en het schaaltje potpourri in de vensterbank en nu blijkt hij ook nog meer gemeen te hebben met de chemische industrie dan met het deel van de mensheid dat bij voorkeur zittend plast.

Vrienden van mijn vrouw hebben het poldermodel losgelaten op de kwestie. Tijdens de verbouwing van hun nieuwe huis kwam er een pot en een urinoir in het toilet. Ik was het al weer vergeten toen ik tijdens een bezoekje gebruik wilde maken van de voorzieningen en na opening van de deur oog in oog stond met zo veel wit porselein dat het spontaan opduikende woord ‘installatie’ een krachteloos eufemisme bleek. Hier werd niet meer ontspannen geplast, dit was geen plaats voor filosofische bespiegelingen tijdens de grote boodschap, in dit kleinste kamertje geen afzondering en contemplatie. Dit was de plek waar een grimmige strijd werd uitgevochten die alleen de Koninklijke Sphinx gelukkig maakte.

Het deed me denken aan een vakantievilla die mij ooit werd aangeboden als schrijfplek. Het huis was de inzet geworden van een verbitterde strijd tussen zeven erfgenamen en dat ze er niet uit waren gekomen was te zien aan het aantal open haarden. Zeven stuks. Allemaal verschillend. In een kamer stonden er zelfs drie. Er waren spekstenen Finse en enorme Russische tegelkachels, gietijzeren allesbranders en ruw gemetselde schoorstenen. Iedere erfgenaam had zich vastgebeten in zijn of haar recht om een stempel te drukken op het huis en dat was op onnavolgbare wijze gesublimeerd in een openhaardenstrijd. Nooit geweten dat er aan ‘eigen haard is goud waard’ ook een duistere kant zit. De stille tocht door het huis en de aanblik van al dat geweld leidde ertoe dat ik bedankte voor het aanbod. Er ging iets onheilspellends uit van dat familiedrama in haardvorm.

In de literatuur speelt het toilet nauwelijks een rol. Mij schiet alleen een scène te binnen uit Roothaerts Dr. Vlimmen, waarin een stropende boerenknecht zich voor de veldwachter verbergt en daarvoor het houten buitentoilet kiest. Onder de klep van de zetel, precair balancerend boven het tonnetje, lijkt hij te ontsnappen aan arrestatie. Tot de veldwachter aandrang voelt en het privaat wil gebruiken.

Vlimmen wordt niet meer gelezen, geloof ik. De trilogie is alleen nog tweedehands verkrijgbaar. Dat is jammer. Net als Anne de Vries’ Bartje en Antoon Coolens Dorp aan de rivier behoort het tot de weinige romans waarin het platteland een rol speelt. Het lijkt alsof romans pas serieus worden genomen als ze zich in een stad afspelen. De eenvoud van Vlimmen, Bartje of Coolens Dorp is blijkbaar geen kwaliteit.

Het toilet is niet alleen voor stropende boerenknechten een toevluchtsoord. In de Britse sitcom Coupling houdt Steve een lange speech over het recht op een slot op de pleedeur. Zijn geliefde heeft die eraf gehaald, want ze zijn nu zo lang samen dat dat wel kan. Steve wijst met welsprekende wanhoop op de betekenis van het toilet voor de man. Voor vrouwen ligt dat heel anders. Jullie gaan in groepen, zegt hij, om neuzen te poederen en te kletsen en god weet wat nog meer. Wij gaan alleen. Voor ons is het toilet de grot waarin wij ons in moeilijke tijden terugtrekken, ‘the final refuge, the last few square feet of man-space left to us’.

En nu is niet alleen het slot eraf, maar moeten wij er ook nog gaan zitten.

Het ligt gevoelig. Op een stuk in The Guardian kwamen binnen twee dagen meer dan zeshonderd reacties. Er stijgt een sterke geur van gekrente mannelijkheid uit op. Een borrelende poel van verongelijktheid en crypto-atavistisch verlangen naar de tijd toen mannen nog echte mannen mochten zijn en op botten knaagden rond een groot vuur, dat ze daarna groepsgewijs uitpisten.

Ik heb het nooit zo gehad op die dingen. De kleedkamerlol, kijken wie het hoogst kan plassen, lekkere wijven een cijfer geven. Het is de wereld van Amstel-bier, van mannen die elkaar ‘pik’ en ‘gast’ noemen en in een grijze Opel Astra rijden.

Misschien dat ik daarom vanmiddag ben gaan zitten. Uit opstandigheid. Als daad. Omdat ik ergens voor wil staan, ook al moet ik ervoor gaan zitten.