Toezicht

Met verbazing las ik de zinsnede in het commentaar van Jos van der Lans (in De Groene van 19 april) over het ontstaan van ‘een toezichthoudend proletariaat van kanslozen, dat tot taak heeft de bovenklasse van welgestelden te vrijwaren van de overlast die een nieuwe onderklasse van stedelijke buitenstaanders veroorzaakt’. Deze analyse strookt niet met de praktijk van de meeste toezichthoudersprojecten, want die zitten juist in buurten waar zowel de veiligheid en de leefbaarheid onder druk staan als een concentratie van sociaal-economische kansarmoede bestaat. Anders gezegd: buurten waar de ene sloeber de andere berooft. Het zijn trouwens ook werkloze buurtbewoners, onder wie veel allochtonen, die aldus te werk worden gesteld.

Ook begrijp ik niet waarom ‘de nieuwe lokale toezichtseconomie ’ per definitie, zoals Van der Lans aanneemt, los zou staan van de overige stedelijke bedrijvigheid. Van de flatwachten in de sociale hoogbouw in de Amsterdamse Bijlmermeer bijvoorbeeld kan ik me voorstellen dat ze ook taken in het sociale beheer (handhaven van de woonregels) naar zich toe trekken en de huismeester gaan assisteren bij het beheer. Nu al is duidelijk dat deze toezichthouders stuiten op de gebrekkige werkwijze van woningcorporatie Nieuw Amsterdam. Vernielingen worden veel te laat gerepareerd, overtredingen van de regels worden ge- doogd en er is geen preventief en sanctionerend beleid om vervuiling, verloedering en overlast tegen te gaan. Hoezo kunnen deze toezichthouders hun diensten niet gaan aanbieden aan sociale verhuurders en zelfs bedrijven? Ziedaar de aansluiting, die er zelfs toe kan leiden dat uit deze namaakbaantjes reguliere functies ontstaan. Voor kritiek op paars is alle reden, maar liever geen cultuurpessimisme.
Amsterdam, BERNADETTE DE WIT