Togboech 1943-1945

Op 27 januari is het vijftig jaar geleden dat Auschwitz werd bevrijd. Een van de overlevenden wist in die tijd dagboeknotities bij te houden. Zijn zoon vertaalde dit unieke dagboek uit het Jiddisch.

Onderstaande fragmenten komen uit het dagboek van mijn vader, dat ik in maart 1994 in New York heb gevonden. Het begint bij de deportatie naar Westerbork op 20 juni 1943 en eindigt een maand of twee na de bevrijding. Begin september 1944 wordt Westerbork ontmanteld en gaat hij met een van de laatste transporten naar Theresienstadt. Drie weken later wordt hij, samen met zijn broer Moisje, verder getransporteerd naar Auschwitz. De rest van de familie blijft achter. Na een kort verblijf in Auschwitz-Birkenau gaat hij naar een werkkamp (een cementfabriek met steengroeve) in Golesjoi. Eind januari, als de Russen naderen, worden de kampen in allerijl ontruimd. Wie nog kan lopen, gaat op mars. Als een van de ongeveer negentig zieken die achterblijven komt hij ten slotte, na acht dagen praktisch zonder eten en drinken in een vergrendelde en potdichte trein te hebben gezeten, in Brinlitz terecht, het kamp van Schindler. De treinreis is gruwelijk en spookachtig. De Duitsers weten kennelijk niet wat ze met dit stelletje half gecrepeerde joden aan moeten. Uiteindelijk worden ze, nadat ze hebben beloofd te zullen werken, Brinlitz binnengelaten. De ontvangst is warm. Na de bevrijding op 8 mei door de Russen ontstaan er chaotische toestanden in de kampen. Pas twee weken na de bevrijding verlaat mijn vader, terwijl hij nog nauwelijks op zijn benen kan staan, Brinlitz. Na nog enige tijd opgenomen te zijn geweest in een ziekenhuis in Praag, komt hij na een lange omzwerving op 10 juni aan in Nederland. Het dagboek beslaat ongeveer driehonderd pagina’s (2 dictaatcahiers) Jiddisch handschrift. Hij heeft het dagboek, naar hij zelf schrijft, ‘overgeschreven’ in Amsterdam (tussen september '45 en mei '46). In 1946 wordt het verstuurd naar het YIVO (Yiddish Scientific Institute) te New York. Het dagboek wordt thans vertaald. In onderstaande fragmenten zijn sommige namen om redenen van privacy veranderd. (F. B.)
AMSTERDAM 20 JUNI 1943
Op een zondag vond in heel Zuid en een deel van Amsterdam-Oost de algehele razzia plaats op het restje joden dat er nog woonde. Dit keer sluiten ze met behulp van vrij veel militairen alle straten af en gaan ze ook een aantal huizen binnen om de joden die ze nog kunnen vinden mee te nemen. Buiten deze razzia vielen alleen nog maar zo'n honderd Joodse-Raadmensen met 'stempel’ en de gemengd getrouwden. Deze dag lukt het de Duitsers nog om op deze manier een knappe zesduizend mensen bij elkaar te schrapen, die allemaal naar Westerbork worden verstuurd.
Bij deze razzia zijn wij ook opgepakt, dat wil zeggen: Moisje B. met zijn vrouw Riwka en ik, J. B., met mijn vrouw Channa en mijn zoon Ralf. We hebben onze 'rugzakken’ op de schouders genomen en zijn op weg gegaan, dezelfde kant uit als waar ze alle joden naartoe hebben gevoerd.
WESTERBORK 21 JUNI 1943
’s Maandags vroeg is onze hele familie (d.w.z. Moisje met zijn vrouw en ik met vrouw en kind) aangekomen in Westerbork. Mijn andere kinderen, een meisje, Heleen en Fransje, mijn zoon waren in Nederland bij Nederlandse 'Ariers’ achtergebleven. En Moisjes twee kinderen, Leo en Esther, waren ook bij Ariers ondergebracht. De adressen van de nieuwe ouders (de pleegouders) kenden we niet eens, maar uiteindelijk heeft Moisje daarna toch contact gekregen met de aangenomen ouders van Leo in Velsen. En zelf wist ik dat mijn dochter Heleen zich ergens in Utrecht bevond. En dat was inderdaad alles wat we van onze kinderen wisten toen we in Westerbork aankwamen. Daar in Westerbork hadden ze die zondag en maandag de naam Nieuwe Invasie gegeven, omdat ze daar ook hadden geloofd dat er geen nieuwe joden meer uit Amsterdam zouden komen.
4 SEPTEMBER 1944
De laatste dagen van augustus zijn Moisje en ik aan de Engelse zender gekluisterd. De Engelse en Amerikaanse troepen zijn door de Seine-linie heengebroken en rukken van dag tot dag verder op. Zo meteen staan ze aan de Belgische grens. Het gaat dus goed, werkelijk goed. Ik zeg tegen mijn vrouw dat de situatie kritiek is. We bevinden ons in een beslissend stadium. Als we nog een paar weken in Westerbork kunnen blijven, zijn we gered, want nog even en ze dringen Nederland binnen. En voor ons komt het er nu helemaal op aan, omdat zal moeten blijken wat de Duitsers met ons, de laatst overgeblevenen van Westerbork, denken te gaan doen. Zullen ze ons hier achterlaten voor de Amerikanen of sturen ze ons nog verder? Een ding is zeker: vandaag of morgen komt er een beslissing. De definitieve beslissing van ons lot. Channa weet uit ervaring dat wat ik zeg meestal uitkomt. Maar uitgerekend op mijn verjaardag, de eerste september (en toevallig schrijf ik dit nu ook op 1 september 1945 op) horen we dat er weer een transport wordt voorbereid. Alle mensen uit Westerbork moeten zich verzamelen in de grote hal, waar het podium staat. De commandant in eigen persoon heeft ons iets te vertellen. Zoiets is nog niet eerder voorgekomen, dat de commandant zelf ons joden zal toespreken. En hij heeft gesproken ook en gezegd dat Westerbork nu geevacueerd gaat worden. Er blijven hoogstens nog zo'n driehonderd mensen achter om de liquidatie van het kamp uit te voeren. Zondag 3 september gaat het eerste transport naar Auschwitz. En meteen de maandag erop, op 4 september, gaat alles wat er over is van Westerbork - met uitzondering van de genoemde driehonderd - op transport naar Theresienstadt.
Wij behoren tot de bevoorrechten en gaan naar Theresienstadt.
THERESIENSTADT 28 SEPTEMBER 1944
In Theresienstadt hebben we kennis gemaakt met een Moravische jood, Feldman geheten. Deze man heeft ons in contact gebracht met vele belangrijke mensen uit het getto. Zelf was hij hoofdcommissaris van politie, maar na verloop van tijd moest ook hij het veld ruimen. Ik heb kennis kunnen maken met veel belangrijke personen van de 'Maagdenburger Regering’. En zo kwam ik dingen te weten over een hele reeks intieme affaires die zich in het getto hebben afgespeeld. De hele rotzooi - maar al die verhalen kenden we al uit Westerbork. Hier was het gebied echter veel groter en waren de 'baantjes’ daarom veel eervoller. Zo hadden ze hier bijvoorbeeld ook een eigen bank, de Joodse Bank, die joods geld drukte, getto-geld. En zoals gezegd had dat geld ook waarde. Vergelijkbaar met de zogenoemde Lippmann-Rosenthal in Nederland. Hier had deze lokale bank echter een veel grotere betekenis dan Lippmann-Rosenthal. Het is hier niet de plaats om precies te beschrijven hoe het hele apparaat georganiseerd was. Voldoende om te weten dat zelfs een klein kind in Theresienstadt - volgens een bepaald systeem - geld verdiende. Behalve eten kregen we ook per maand een bepaald bedrag aan getto-kronen betaald. Er is alleen maar papiergeld, waarop Moisje Rabenoe met de tora is afgebeeld. Met dit geld kon je (op distributiepunten) oude kleren, oude schoenen en ondergoed krijgen. Allemaal oude spullen die ze in het getto in ateliers hadden weten te maken uit kledingstukken die ze er bij de transporten hadden uitgehaald. Zodat de kleren en alle andere spullen die je kon kopen, eigenlijk gewoon voormalig joods eigendom waren geweest. En die koopwaar kon je in 'echte’ winkels kopen, waar echte winkelbedienden werkten. Natuurlijk waren die aangesteld door de getto-gemeente, al met al een 'cynisch communistisch systeem’. Van dit soort winkels waren er alles bij elkaar wel zo'n zes of zeven.
Ons ontbrak het aan van alles. Wij hebben zo'n honger geleden dat, toen we een oproep kregen om ons gereed te maken voor transport, we daar onverschillig op reageerden. We zeiden tegen elkaar: Wat kan nog erger zijn? Nog een tikkeltje erger dan Theresienstadt, wat dan nog? Hoe het er uitzag in andere kampen, wisten we namelijk niet. We hebben wel wat gehoord over een paar kampen. Dat was slecht, maar ook weer niet zo slecht. Iedereen had daar zijn eigen ideeen over. Wat in Auschwitz gebeurde, daar wist men hier al even weinig van als in Westerbork. Ik heb me hier vaak over geergerd. Hoe was het mogelijk dat we zelfs in Theresienstadt nog niet goed waren geinformeerd over het lot van alle naar Polen weggevoerde joden?
AUSCHWITZ 30 SEPTEMBER 1944
Het wordt licht en de eerste inwoners van Auschwitz komen de trein in. Joden met blauw-witte pakken - kampkleding. Het soort kleding dat normaliter alleen door zware misdadigers wordt gedragen. Alleen al van die kleding zijn we enorm geschrokken. Maar ook een beetje gerustgesteld. We zeiden: het is Auschwitz, maar toch zijn het weer de joden die ons ontvangen. Maar onze vreugde was snel voorbij. Deze joden, die in hoofdzaak Jiddisch spraken, lieten zich namelijk kennen als een stelletje rovers en dieven. Ze commandeerden ons ook. De eerste directieven kwamen uitgerekend van dit stelletje.
'Alles in de trein laten liggen, niets meenemen en eruit!’
Wij begonnen te protesteren: 'Wat wil dat zeggen, niets meenemen! Zelfs de broodzak niet?’
'Nee! Helemaal niets!’
Hun gedrag werd - met al hun geschreeuw daarbij - ruwer en gemener, maar plotseling worden ze wat milder en proberen bij een paar mensen een klokje los te krijgen. Beheimes, honden die jullie zijn, zo meteen nemen ze jullie toch alles af. Die klokjes moeten jullie ook afgeven. Geef ze dan maar liever aan ons joden.’
We lieten de bagage, zoals gezegd, tegen onze zin staan omdat we nog zo naief waren te geloven dat we er beter op konden passen als we die mee zouden nemen. Anders zou er misschien nog wat zoekraken. Maar we hebben snel door dat dit een vergissing was, omdat we meteen al bij het verlaten van de trein worden opgejaagd door soldaten. En als we even later omkijken, zien we hoe de joodse helpers-horlogedieven onze bagage uit de wagons halen en er in verrukking naar staan te kijken. Ze scheuren onze rugzakken meteen open om er snel alle goede dingen uit te halen die wij nog konden meenemen. Ook dat ging snel en omzichtig in zijn werk, om in ieder geval de SS voor te zijn. De rugzakken en de verdere bagage werden daarna zomaar op de grond gegooid. Alles wat erin had gezeten, lag uitgestrooid op de grond. En we zien hoe de leverworstpasteitjes, die we uit Theresienstadt hadden meegekregen, rondslingeren bij de rails van de spoorweg. En als kraaien of zeg maar als wilde beesten stort zich de meute van degenen die ons als eerste hebben verwelkomd op de etenswaren.
Terwijl we onder bewaking van soldaten verder lopen, zonder te weten waar we naartoe gaan, wordt ons door een aantal van de joden die daar in gevangeniskledij rondlopen, toegevoegd: 'Mensen, denk erom, jullie zijn allemaal gezond!’ Dat roepen ze ons na, maar we begrijpen eigenlijk niet zo goed wat ze daar mee willen zeggen. En zo komen we opeens bij een kruispunt aan. Daar houden we stil. We moeten een voor een langs een soldaat lopen; het is een dokter, zeggen ze ons vlak van tevoren. Je moet drie meter van hem af, ingerukt in de houding gaan staan. Moisje loopt voor me uit en ik hoor hoe hij hem vraagt: 'Hoe oud? Gezond?’ En dan wijst hij met zijn hand naar links. Ik loop Moisje snel achterna om hem niet uit het oog te verliezen. Ook ik ga eerbiedig in de houding staan met mijn handen langs mijn zij. Dezelfde vragen. Hoe oud? Ik zeg 42 (ik was toen al 45).
'Gezond?’ 'Ja!’ Naar links.
Ik loop snel naar links om Moisje nog in te kunnen halen. Na mij komt Heflich. Hij zegt dat hij een beetje ziek is en de dokter wijst hem naar rechts. En hij gaat naar rechts. Veel meer heb ik niet gezien, want ik moest meteen verder lopen. Maar dan blijven we toch maar even staan om af te wachten hoe iedereen 'geselecteerd’ wordt. En terwijl we daar zo staan, horen we die lieden die daar alweer in hun gevangeniskledij ter plekke zijn, ons mazal-tov toeroepen. Geluk gewenst, jullie zijn de goede kant opgestuurd. Wat wil dat zeggen? Heel eenvoudig, degenen die rechts zijn gegaan, zullen we zo meteen zien branden! Deze tijding en het mazal-tov doen ons niet echt goed. We zijn vreselijk geschrokken. Voor het eerst dat we met de Duitsers te maken hebben, horen we zoiets. We hebben veel dingen geloofd en wisten dat ze in staat waren de meest verschrikkelijke dingen te doen, maar zoiets - onschuldige mensen vergassen en verbranden - zoiets kon je eenvoudig niet geloven. We waren heel erg geschrokken, maar wilden toch niet geloven wat die mensen ons vertelden! Deze lieden wilden we uberhaupt niet al te serieus nemen. Van hen wisten we immers wat voor een dieven het waren. En ze spraken ook met net zo'n accent als de mensen van de onderwereld van Warschau. Juist omdat ik ze zelf heel goed kon verstaan, wilde ik niet al teveel geloof hechten aan wat ze zeiden. Toch waagde ik het een van hen tegen te spreken en ik vraag hem of hij dat echt meent van dat vergassen. Vergist u zich niet?
Daar krijg ik een zeer kort antwoord op. 'Jij, sjmok, klootzak die je bent, idiote sjmok, zo meteen spreek je wel anders!’
Later, als ze hun werk - het afhandig maken van dollars en goud - min of meer achter de rug hebben, proberen ze vrienden met ons te worden. Ze nemen een aantal mensen in vertrouwen en vertellen wat zich hier in feite afspeelt. Zo geven ze ons de eerste les dat het hier een vernietigingskamp is. Er wordt hier uitgemoord. En er wordt vergast. We zijn er met de eerste selectie die we hebben meegemaakt, nog niet van af. Er vinden hier constant selecties plaats. Er worden voortdurend mensen voor het crematorium bijeengezocht. Ze vertellen hoe hun eigen vrouwen en kinderen zijn vergast. Ze rekenen erop dat ook hun beurt spoedig zal komen. Maar zolang er nog nieuwe mensen aankomen, worden zij met rust gelaten. Ze zijn zo hard geworden dat niets ze meer kan schelen. Een mensenleven heeft hier totaal geen waarde. Voor een paar schoenen vermoorden ze hier iemand als hij niet zo goed is die schoenen vrijwillig af te geven. Als ze zoiets doen, krijgen ze daar geen straf voor. Een mensenleven meer of minder is niet van belang. Een rechter is er niet. Precies zoals we hier bij elkaar zitten, zullen ze, als ze daar zin in hebben, iemand koud maken. De Duitsers zullen ze niets doen. Hefker, een wereld zonder normen.
AUSCHWITZ - GOLESJOI 4 OKTOBER 1944
Meteen ’s ochtends gaan we opnieuw in bad en na het bad moeten we onze burgerkleren uitdoen en krijgen we de (blauw-wit) gestreepte kleren. Dat konden we als een blijk van 'genade’ zien, omdat het betekende dat we gingen werken. We houden ons nu bezig met de nieuwe situatie en weten nog niet of we daar tevreden mee moeten zijn of niet. Maar waarom zouden we eigenlijk bang moeten zijn om deze hel te verlaten? Dat is beslist niet erg, want de nieuwe situatie kan misschien wel precies hetzelfde zijn, maar waarschijnlijk toch iets beter. Erger is in ieder geval niet mogelijk.
De wagens arriveren en we gaan zitten. Heerlijk dat we geen bagage hebben. Wat heeft een mens ook nodig. Eten? Waar we terecht zullen komen, zullen ze ons te eten geven. Misschien krijgen we ook wel een bed?! Wie heeft er nu een klokje nodig? En wie een potlood of een stuk papier? Zelfs geen wc-papier. Wie heeft er een zakdoekje nodig. Als je neus loopt, laat hem dan maar lopen. Wie heeft er een mesje nodig? Hebben we dan brood voor onderweg meegenomen om te snijden?! Nee. En hebben we trouwens in Birkenau niet gewoon met onze tanden gegeten en met onze handen stukken van het brood afgescheurd? Dit alles hebben we niet nodig en daarom hebben we het ook niet bij ons.
En zo rijden we verder, misschien wel drie uur achter elkaar. We merken dat onze bestemming nadert en zien een grote cementfabriek. En we horen het ook. We rijden naar binnen. Het dorpje heet Golesjoi.
GOLESJOI 4 OKTOBER 1944
We stappen uit. We staan op de binnenplaats van een fabriek. Geen grote binnenplaats (de plaats voor het appel), voor een grote cementfabriek. En daaromheen heuvels met kleine burgermanshuisjes. Barakken zijn er niet. We gaan in rijen van vijf staan. De plaatselijke kampoudste, 'Jip’, een Duitse christen, inspecteert ons. Hij stelt ons voor aan de Oberscharfuhrer, de commandant. En na wat gecommandeer vraagt hij ons weer de bekende vraag: of we goud bij ons hebben. Daarna mogen we een soort kelderruimte van de fabriek betreden. Daar kunnen we slapen en eten. We beginnen niet direct te werken. Eerst drie weken quarantaine. De manier waarop we worden opgenomen, kan wat je noemt streng worden genoemd, maar is niet te vergelijken met het geschreeuw in Birkenau. We hebben weer wat moed verzameld. Na de grote spanning van de laatste vier paar dagen, die wel maanden leken te duren, voelen we ons wat verlicht.
DECEMBER 1944 Meer dan eens ben ik in mijn dunne kampkleren doorweekt van de regen en de sneeuw thuis gekomen. Al die tijd heb ik me goed kunnen houden en ben ik niet ziek geworden. En dat terwijl plotseling een nieuwe epidemie was uitgebroken: buikloop. Bijna iedereen in het kamp was ermee besmet. Het was echt een verschrikking. Een paar dagen ziek en dan stierven de mensen. Elke dag worden de doden gemeld, maar nu bijna allemaal door buikloop. Zo zie ik nog voordat het Kerstmis is talloze mensen doodgaan. Ook kennissen van mij.
Wat het werken betreft, hoop ik de winter door te kunnen komen, want de winter is nu onze grootste vijand geworden en de belangrijkste oorzaak voor het verslechteren van onze situatie. Ik huil op mijn bed. Ik kijk naar buiten en zie dat het alweer sneeuwt. De wind steekt op. Half vijf worden we gewekt: 'Allemaal opstaan.’ Ik word er beroerd van. Ik lijd sterk onder de kou. En van vele anderen hoor je hetzelfde. Hoe zou het me in godsnaam lukken om ziek te worden om dan tenminste niet de zware winterkou in te hoeven om te werken!
Direct na Kerstmis nam de kwaal van de buikloop toe. Ten eerste was de 'goelasj’ niemand goed bekomen en ten tweede lijkt het me dat de koude en de ondervoeding daarbij ook een grote rol hebben gespeeld. Tot mijn geluk ben ikzelf ook aan deze ziekte gaan lijden. Direct na nieuwjaar kom ik op de ziekenafdeling terecht, precies wat ik wilde.
JANUARI 1945 Ik heb twee weken in bed gelegen en voel me uiteindelijk al weer beter. Maar ik heb bijna geen kracht meer en kan amper lopen. Ze willen me echter niet langer op de ziekenafdeling houden. En 13 januari ga ik er weg. Ik word ingedeeld bij het steenkoolcommando. Ik zie hoe ik dieper en dieper in het dal raak. Ik zie al voor me hoe mijn lot hetzelfde zal zijn als dat van iedereen. Eerst bij de steenkolen als Muzelman en daarna …, misschien terug naar Auschwitz. Misschien dat ik daar ga sterven… Tot nu toe ben ik geestelijk sterk gebleven. Geen aardappelschillen gegeten. Ik heb niet al die weerzinwekkende dingen gedaan die anderen deden. Ik heb nog steeds elke morgen Moisje hartelijk goedemorgen gezegd. Wat bij iedereen bewondering heeft gewekt.
Na twee dagen bij de steenkolen te hebben gewerkt, word ik weer ziek en weer dezelfde kwaal. Ik vraag verlof om niet te hoeven werken. Dit verlof krijg je gewoonlijk maar een paar dagen. Wat moet ik daarna doen? Mijn vrijstelling van het werk loopt maar tot de achttiende januari.
18 JANUARI 1945 De laatste dagen van mijn verlof heb ik ook weer een paar keer een krant in handen gekregen. Er wordt gesproken over een nieuwe Russische invasie die 8 of 11 januari schijnt te zijn begonnen. Heel wat mensen die al een tijd lang in Golesjoi zitten, hopen nu op de verlossing. En plotseling, op een vrijdagmorgen komt er een bevel. Pakken. Opschudding in Golesjoi. Ik kan nauwelijks geloven wat ik hoor. Ja, pakken!! De groep van de steengroeve is al terug van het werk. Ook de andere commando’s zijn terug. Het is blijkbaar ernst. Er wordt gepakt.
Er wordt gezegd dat de Russen eraan komen, zo niet vandaag, dan morgen. Er heerst werkelijk een vreselijke chaos. Na een paar bevelen komt het ergste: iedereen naar buiten 'op appel’ als willen ze ons tellen. Verder weten ze ook niet wat ze moeten doen. De commandant, dat stuk ellende, is alleen nog maar met zichzelf bezig, met het pakken van zijn kostbaarheden. Daarbij komt dat het snijdend vriest en er een vreselijke wind staat. En wij staan daar maar op de binnenplaats, van top tot teen met dekens ingepakt. De kou is onverdraaglijk. De Russen hebben voor ons mensen van Golesjoi een slechte dag uitgezocht. Eindelijk dan worden de mensen commandogewijs bij elkaar gezet. Steengroeve, Bouw, Rails-aanleg, enzovoorts. De mensen van de ziekenafdeling mogen binnen blijven. Dr. Rubinstein komt naar me toe en haalt me uit mijn commando.
'Naar de ziekenafdeling. Je zult niet mee kunnen komen’, geeft hij me te kennen, 'en wie er niet mee kan komen, wordt onderweg neergeschoten. Ze gaan te voet.’
Ik wil me eerst nog verweren, omdat ik met Moisje mee wil gaan en bij hem wil blijven. De kou is me echter de baas geworden. Ik kan de kou en het op appel staan niet langer aan. Ik stem ermee in naar binnen te gaan, naar de ziekenafdeling. Waar het inderdaad fantastisch warm is. De anderen, zo'n negenhonderd man, beginnen te lopen. Lange, lange colonnes met in dekens gehulde mensen en begeleid door bewakers. En met de commandant en de kampoudste Jip. Een verschrikkelijk beeld. Van heel dichtbij heb ik nog door het raam gezien hoe de colonnes op weg zijn gegaan.
Waar naar toe? Wat is er met ze gebeurd? Ik weet het tot op vandaag niet. En mijn broer was een van hen.
BRINLITZ 28 JANUARI 1945
Na een reis van acht dagen in een vergrendelde wagon, waarbij iedereen zichzelf als verloren beschouwde, was het moment waarop we de trein uitkwamen een techiat hamesiem, een soort opstanding uit de dood.
Terwijl we naar buiten worden geholpen, zien we voor het eerst weer de vrije hemel. Het is buiten heel erg koud en de sneeuw ligt meters hoog, maar toch vreest niemand van ons de kou. We lopen voorzichtig over de krakende sneeuw en banen ons een weg van de spoorlijn naar het nieuwe kamp. We weten niet wat ons daar te wachten staat. Maar toch hebben we nu al vertrouwen in dat nieuwe kamp omdat ze ons door ons de trein uit te laten komen als het ware verlost hebben. Je gaat mensen niet uit zo'n benarde positie bevrijden om ze vervolgens te doden. Voor ons eigen gevoel hebben we weer hoop gekregen en moed verzameld. Maar naar buiten toe zien we eruit als mensen die alleen nog kruipen, een stel kreupelen en invaliden. We maken nauwelijks nog de indruk van levende mensen. En het is dan ook geen wonder dat de mensen die van een afstand naar ons groepje staan te kijken een zeer geschrokken indruk maken. Ze slaan hun handen voor het gezicht vanwege de schrik die wij bij ze teweegbrengen. Ook de eerste kampbewoners zien we van een afstand naar ons staren. Ze kijken ons verstomd aan, wat goed van hun gezichten valt af te lezen. We moeten een verschrikkelijk en huiveringwekkend beeld hebben opgeroepen.
Directeur Schindler en zijn vrouw heten ons welkom. De directeur helpt een aantal mensen een stukje bij het lopen door ze met de hand te ondersteunen. En hij laat zijn medelijden met ons openlijk blijken door te zeggen: 'Mijn hemel, jullie zien er niet eens meer als mensenkinderen uit.’
We worden in bad gestopt. We krijgen te eten. En we worden met zijn allen in een bijzonder groot huis twee aan twee in bed gelegd. Om tot onszelf te kunnen komen. Het lijkt wel een soort ziekenboeg, zoals we daar liggen bij te komen. En in mijn geval zal het tot 15 maart duren. De angst om in de gruwelijke kou van Golesjoi buiten te moeten werken, heeft zich in alle heftigheid in mijn maag en hart genesteld. Zodat alleen al de aanblik van witte sneeuw me van angst doet verstijven.
Zo lig ik daar tot rond de vijftiende maart, ongeveer zeven weken. De sneeuw begint te smelten. En ik troost me met de gedachte dat, als het er nog van komt dat ik moet werken, het dan tenminste geen winter meer is.
1 APRIL 1945 Eenmaal met werken begonnen, ontdek ik hoe sterk ik ben afgezwakt. In Golesjoi heb ik me, vergeleken met hier, nog een held gevoeld. Ik ben vaker ziek geworden, met diarreeklachten. En mijn voeten beginnen te zwellen. Eerst dacht ik dat dat kwam van het vele liggen. Het blijkt echter een verschijnsel te zijn dat velen van ons hebben. Door de honger. En door het te mager zijn. Ik heb ook gemeend dat het van het vele waterige eten kwam - misschien was dat ook wel zo - omdat ik merkte dat het water in mijn voeten heel veel woog. Bij mij was er vaak wel een verschil van vijf kilo. Begon het zwellen, dan woog ik 42 kilo en als mijn voeten helemaal opgezwollen waren, dan woog ik 48 kilo. Bij een van ons, een Hongaarse jood, is de zwelling elke keer hoger gekropen, van de voeten naar de rest van het lichaam. Ook zijn hoofd zwol op. Een zeer vreemd hoofd had hij gekregen en na een paar dagen is hij gestorven.
Bij mij liep de zwelling in mijn voeten ook vaak terug, vooral als ik lag.
6 MEI 1945 Zondags werkten we als regel niet, maar door de nachtploeg van zaterdagavond werd wel gewerkt. Die zondag komen de arbeiders van de nachtploeg thuis en vertellen dat het donker was in de hal. Meier, de chef, die anders zo streng is, had zich helemaal niet meer met het werk bemoeid. Er werd ook buiten die paar uur om dat het werkelijk donker was omdat er geen elektra was, niets uitgevoerd. Om de zoveel uur werd er door Tsjechische saboteurs in de elektrische centrale sabotage verricht.
De chefs waren ten einde raad. De toestand was catastrofaal. Met dat nieuws kwamen de arbeiders van de nachtploeg naar huis. En nu begonnen we er allemaal in te geloven dat er belangrijk nieuws ophanden was. Sommigen dachten dat de Russen vlakbij waren en elk ogenblik hier konden zijn. Dat de oorlog al helemaal op zijn einde liep, konden ze echter niet geloven. Een ding was zeker, er gingen belangrijke dingen gebeuren; gingen ze ons weer evacueren??!
7 MEI 1945 Vandaag, maandagavond, vertrekken zeventig bewakers van de SS en met hen ook de commandant. Meteen daarna deelt de heer Schindler mee dat de produktie wordt stopgezet. Het heeft geen zin meer om door te werken. Hij verzoekt ons rustig te blijven. We mogen doen wat we willen. We mogen vrij rondlopen op het terrein.
8 MEI 1945 Ze delen ons mee dat er in de hal een grote luidspreker is opgehangen. We horen muziek en wat bijzonder is: alleen maar Engelse muziek.
’s Middags drie uur moeten we allemaal in de hal komen. We kunnen dan naar een redevoering van Churchill luisteren. We kunnen onze oren haast niet geloven: een redevoering van Churchill en dat uitgerekend in de hal. Voor het eerst na zoveel maanden horen we weer radio. En nog wel de Engelse zender. De SS-bewaking is al niet meer in het kamp. Nog maar zo'n 25 soldaten, die op wacht staan. Die wilden echter niet meer door ons gegroet worden.
Ik ga snel de hal binnen om de rede van Churchill te horen. Een verklaring van Churchill. We staan er met zijn allen nieuwsgierig, maar wat onverschillig bij om het nieuws te vernemen.
'Duitsland heeft gecapituleerd.’
Die woorden horen we in alle talen door de luidspreker klinken. Ik wacht met ongeduld af of we ook een Nederlandse vertaling te horen krijgen. En ja!! Ook in het Nederlands. De tranen komen me in de ogen - ik word door mijn gevoelens overmeesterd. Het lijkt allemaal wel een wereld van fantasie, alsof het een droom is. Aan het eind van de redevoering wordt op de radio het Engelse volkslied gespeeld.
Meteen zetten we allemaal onze werkkamppetjes af, nemen ze in de hand en gaan in de houding staan. In de verte staan nog een paar Duitse soldaten te kijken hoe we daar staan, maar ze zeggen helemaal niets.
Na die redevoering is het ons duidelijk dat we thans vrij zijn. Maar we moeten nog op onze hoede blijven. Er zitten nog Duitse soldaten om ons heen. In Churchills rede heette het dat Duitsland hedennacht om twaalf uur de wapens tegenover Rusland moet neerleggen. Dat wil zeggen dat de soldaten pas tegen twaalf uur ’s nachts geen geweren meer mogen dragen. Ondertussen zijn ze nog gewapend en moeten we oppassen.
Ongeveer twee uur later roept de heer Schindler ons bij elkaar. En steekt een redevoering tegenover ons af. De inhoud was ongeveer als volgt: Niet alle Duitsers zijn slecht. En als we er zo meteen achter komen hoeveel van onze mensen in Auschwitz zijn geliquideerd en nog meer, dan moeten we niet wraakzuchtig zijn tegenover alle Duitsers: niet iedereen is schuldig.
Hierna verzoekt hij ons om vijf minuten stil te blijven staan om onze doden te herdenken. Wat een cynisch en treurig moment - het ergste wat ik heb meegemaakt…
We staan daar in stilte, maar de tranen lopen als riviertjes langs onze gezichten. En meteen daarna breekt ook een hysterisch geweeklaag aan van heel veel vrouwen.
Na de rede hebben onze mensen de heer Schindler op de handen gedragen. Hij heeft ons van de dood gered. Hij heeft over ons gewaakt. Hij, de gewezen SS'er.
>u602<9 MEI 1945Gisteren zijn we gaan slapen, wat meer opgemonterd, maar nog wel zeer gebroken.
De reactie op het gebeurde begon te komen. Leeft mijn vrouw nog! Leven mijn kinderen nog! Hoe kom je iets te weten?
We gaan slapen en de Duitse wacht sluit onze deur net als anders af… Dat alles maar goed moge aflopen.
Buiten rijden nog de hele dag treinen. Met vele, vele wagons met tanks en dergelijke.
De treinen rijden nog steeds en er valt nog niets te merken van de Duitse capitulatie. Twaalf uur ’s nachts horen we hoe de laatste trein stil houdt op het station van Brinlitz, niet ver van ons raam. En de locomotief blaast stoom af en fluit. Fluit en stoomt. Dit is iets nieuws. Twaalf uur precies trekt de locomotief alle registers open en hoest alle stoom uit. Blaast zijn laatste ademtocht uit. Daarna rijdt er geen enkele trein meer voorbij. De weg is geblokkeerd.
Zes uur vroeg in de morgen staan we op. We zijn benieuwd of er ’s nachts niet iets is gebeurd. We kijken naar de deur van de barak. Die staat open. Er staat wel een post met een geweer in de hand - maar he, het is een van de gevangenen die het geweer draagt. Niet meer een Duitser. Een joodse soldaat, gekleed in concentratiekampkleren. Het staat hem goed, dat geweer.
Direct horen we dat om twaalf uur vanacht precies de laatst overgebleven Duitsers zijn vertrokken. Ook de heer Schindler. We zijn achtergebleven zonder beschermheer - helemaal alleen.
De hele dag, de woensdag, zijn we vrij, werkelijk vrij en er is verder niemand. Geen Duitsers en geen Russen. De Tsjechen hebben een koe naar binnen gebracht en wij slachten hem. Maken er een feestmaal van ter ere van de dag van de bevrijding. Maar direct na de soep (de gouden soep) is bijna iedereen ziek geworden - met diarree.
10 MEI 1945 Elf uur verscheen er een Russische officier, de eerste patrouille. We zijn hem tegemoet gelopen als ware hij de messias. Hij kon ons helemaal niets vertellen. ’s Middags zullen er nog meer Russen komen. Wij hebben direct grote spandoeken gemaakt in het Russisch. Met Russische tekens. En daarmee op de Russische gasten gewacht.
Het werd een zeer bijzondere ontvangst. De officieren hebben ons ook in het Russisch geantwoord en ons gezegd dat wij vrij waren en onder Russische en Tsjechische bescherming stonden. We mogen nu gaan en staan waar we willen.
De Russen geven ons de raad om naar buiten te gaan, het dorp in om kleding op de kop te tikken en alle andere dingen die we nodig hebben. Om aan al die dingen te komen, is heel eenvoudig. We moeten bij het Duitse deel van de bevolking naarbinnen gaan en alles van ze afpakken wat ons bevalt.
11 MEI 1945 Er verschijnen steeds meer Russen. En de wegen naast ons kamp worden geheel overstroomd door Russische troepen die nu al vier dagen lang zonder ophouden voorbijrijden in de richting van Praag. Wij schatten de troepensterkte op enkele tientallenduizenden. Bij ons in het kamp hebben we een Duitse christen ontdekt die waarschijnlijk als misdadiger naar het Duitse concentratiekamp was gestuurd. Die man was van meet af aan een kapo. En onze mensen waren daarvan op de hoogte, maar zolang het oorlog was, konden we hem niet aanpakken. Door een toeval is hij een paar weken terug bij ons terecht gekomen. Nu leveren we hem uit aan de Russische militairen. Maar zij geven hem ons terug en verlangen van ons dat wij die man zelf berechten.
Een officier eist dat we hem ophangen. Na lang intern beraad hebben we hem een dag lang bescherming gegeven, onder bewaking van de net gevormde soldaten van onze eigen mensen. Daar zijn de Russen echter niet mee tevreden. En nogmaals eisen ze dat we hem ophangen.
Na sterk aandringen geven we hem, waar iedereen bij is, het bevel de grote hal in te gaan. Wij kijken allemaal toe. Er wordt een galg gemaakt. Het gaat niet erg vlot. De voorbereidingen duren zo lang dat de Russen kwaad worden. Een paar van ons raken opgewonden. En een klein groepje stormt op de kapo af en begint hem te lynchen. Nog voordat er veel tijd voorbij is - de man leeft amper nog - heeft iemand moed verzameld en hem doodgeschoten. De eerste wraakactie op de nazi-beesten.
20 MEI 1945 Alweer een week voorbij. De ene dag volgt de andere op en ik kom maar niet weg uit dit ellendige kamp. Ik mag vertrekken, niemand staat me in de weg. Met de trein kun je mee. Het station is tien minuten van het kamp vandaan. Geld voor de trein hoef je niet te betalen. En de treinen zijn ook elke dag vol en ieder uur van de dag rijden, in beide richtingen, mensen voorbij die naar huis gaan.
Ik kan almaar niet weg, omdat ik niet kan lopen en daarnaast weet ik ook niet hoe ik daarna verder zou moeten. Je komt niets te weten. Ze weten niet of de trein wel naar Praag gaat of niet. Allemaal onbetrouwbare berichten. Hier in het kamp is nu eten. En wat eten betreft, hoe weet je hoe het daar buiten mee staat? Er is niemand bij wie je iets kunt vragen. De Russische soldaten bemoeien zich niet met ons. Ze komen alleen af en toe kijken.
We mogen ons kamp uit. En we gaan ook. En we lopen zomaar wat rond in de verschillende dorpen. We eten de ene keer bij de ene boer en de andere keer bij een andere. We krijgen eieren en we krijgen bij de boeren ook gebakken suikerkoeken. De Duitse boeren zijn als de dood voor ons en geven ons wat we vragen. Ik kom in het kamp terug met dertig eieren, met een hele kip. Helaas word ik, door me te overeten, weer goed ziek met diarree en al.
Ik ben ziek, maar ik wil hier toch weg. En ik weet niet waarheen. Een heleboel mensen zijn al vertrokken. Gaan naar het station toe, stappen in een trein en rijden weg. Waar naartoe? Wie zal het zeggen. Ik ga dat ook doen. Ik ga naar Praag toe - en daar zie ik wel weer verder!
21 MEI 1945 Vier uur ’s middags sleep ik me met twee rugzakken, een op de rug en een in de hand, naar het station toe. Je kunt je niet voorstellen hoe zwaar het voor mij is om die twee pakken te dragen. De weg was misschien maar tweehonderd meter lang, maar ik dacht dat ik er dood bij zou neervallen. Tenslotte helpt een Tsjech me met een rugzak en ondersteunt me tot aan het station. De stof die ik in het kamp had gekregen, heb ik willen meenemen. Alles bij elkaar woog het misschien wel zo'n vijftien kilo.
Ik ga in de trein zitten die in de richting van Praag gaat. Zonder biljet. Niemand vraagt ernaar. Vijf uur vertrekt de trein. Vrij snel komt de trein aan in het Tsjechische Teriboi. Daar stappen we over. Ik ben in het gezelschap van een vriend uit het kamp, een Berlijnse jood, Zawerski genaamd. Ik blijf op het station zitten tot 7.15 uur. Het Rode Kruis werkt zeer goed. We gaan op het station bij het Rode Kruis naar binnen en krijgen daar koeken en eenvoudige broodjes.
Maar steeds word ik er aan herinnerd dat ik het eten nog niet goed kan verdragen, omdat ik te veel pijn ondervind van mijn diarree. Ik ben daar zeer bang voor, maar ik heb ook geen keuze. (En zo heb ik daarmee getobd vanaf de bevrijding tot aan mijn komst in Nederland).
AMSTERDAM 12 JUNI 1945
Tien uur ’s avonds komt de trein in Amsterdam aan. Fantastisch! We stappen uit. Het perron is donker. Er is geen elektrisch licht. Slechts een uitgang is verlicht. En daar vandaan komen we zo de wachtkamer in. Ook deze keer net zoveel soep als je wilt. Daarna moeten we een paar tafeltjes langs. We worden ingeschreven. Ik krijg distributiekaarten. Na deze ceremonie kunnen we gaan waar we willen. Ik ontdek dat het al erg laat in de avond is, zeker al half twaalf. En nu weet ik niet wat ik moet doen. Trams rijden niet, wordt gezegd. En in heel Amsterdam is geen elektrisch licht. Ik zou wel naar mijn kennis Meier toe willen. Maar hoe kun je midden in de nacht naar vreemde mensen toegaan? Tenslotte wordt me verteld dat ik beter met een auto naar het PIZ kan rijden (het Portugees Israelietisch Ziekenhuis). Ik besluit om te wachten. Eindelijk komt er zo'n bus aan en stap ik met nog vijftien mensen in de pikdonkere autobus. Ik kan geen hand voor ogen zien. Ik word die transportwagen binnengeduwd. En in de duistere, stille nacht rijdt de wagen naar het PIZ. We stappen daar uit en merken op dat daar wel licht brandt. Er wordt me verteld dat dit het enige huis in de hele omgeving is waar licht brandt. Het is een soort ziekenhuis. Ik krijg een bed toegewezen. En ik ga voor de eerste keer slapen in een schoon, wit bed.
Ik krijg een stamkaart, met nummer 73542. En een adres, Weteringschans 104, waar ze me kunnen vertellen wat ik verder kan doen. En ook het adres van Volksherstel, Raamgracht 4.
13 JUNI 1945 Goed uitgeslapen, kleed ik me aan en het eerste wat ik doe, is zien of mijn vriend Lewinsohn zich nog in Amsterdam bevindt, en - hoe fantastisch - ik ga naar binnen en tref hem aan alsof er nooit iets aan de hand is geweest.
We zijn heel erg blij. Van Lewinsohn komend, kom ik in de Kerkstraat mijn vriend Fuks tegen. En meteen daarna mijn neef Frits Nenner. Voor hen is het een wonder om mij te zien, een soort wederopstanding der doden. Dezelfde namiddag is Fenius bij me gekomen. Ik word uitgenodigd om morgen bij Nenner te komen eten. Overal moet je te voet gaan. Geen tram, geen licht. Een dode stad.
14 JUNI 1945 Ik zit, direct na het ontbijt, bij Lewinsohn als er iemand van de politie naar me toekomt. Ik begin met inlichtingen te vragen over de transporten uit Theresienstadt om iets meer over mijn vrouw te weten te komen.
Amsterdam maakt op mij de volgende indruk. Een heleboel huizen zijn beschadigd. De winter was verschrikkelijk en de mensen hebben de lege huizen, waar de joden woonden, afgebroken en het hout opgestookt in de kachels om het warm te krijgen.
De voedselvoorziening is nog niet in orde. Het lijkt echter al beter te zijn dan een paar weken geleden. In het PIZ krijgen wij, de teruggekeerden, goed te eten. Er is geen elektriciteit en de huizen zijn donker. Gas is er ook niet. Er gaan geen trams.
Van feestelijkheden is geen sprake meer, het leven is stil en de mensen zijn geduldig en afwachtend met het idee dat het elke dag een beetje beter gaat. En er verschijnen ook kranten. Komisch aandoende kranten met namen uit de bezettingstijd, van de illegale pers: De Waarheid, Het Parool en Trouw. En soortgelijke namen. De inhoud doet kinderlijk aan, amateuristisch, alsof die kranten door kinderen worden uitgegeven. En de omvang bestaat slechts uit een blad met twee kantjes. Dat is alles. Wat kan daar al in staan? Het voornaamste is dat er distributieberichten worden gepubliceerd, wat het enige is wat de mensen interesseert.
Vandaag staat er in die vreemde kranten belangrijk nieuws, namelijk dat de tram volgende week gaat rijden; echter maar een paar uur per dag. Het brood is wit, zo wit als ik jaren, jaren lang niet heb gezien - ik geloof niet dat we ooit zulk wit brood hebben gegeten. De mensen nuttigen voornamelijk biscuits uit van die blikken bussen. Sommige mensen kauwen op die biscuits en op straat liggen blikken van alle soorten conserven; allemaal geimporteerd uit Amerika of Engeland.
Sommigen hebben ook een bon voor een tablet chocolade en de mensen zien er naar uit om dat tablet te kunnen krijgen. Je kunt ook een beetje groente en fruit zien, zoals aardbeien. Er moet binnenkort wat vis te krijgen zijn. Bier - als je een cafe vindt waar ze dat verkopen, kun je het voor 35 cent per glas krijgen. De mensen zien er afgemarteld uit, half dood. Ze hebben het over een verschrikkelijke winter, een hongerwinter. Mensen zijn van de honger omgevallen. Duizenden doden vanwege de honger.
Heel veel mensen lijden nog aan hongeroedeem. Er wordt hoopvol op de komende ontwikkelingen gewacht. Er wordt over stakingen gepraat, die meestal door de arbeiders worden gewonnen.
Over mijn dochter Heleen hoor ik bij Meier dat er goede berichten zijn. Alles is in orde. Waar Fransje zich bevindt, weet ik nog niet. Ik hoop dat ik snel te weten kan komen wat het adres van zijn pleegouders is.
Over Moisje, Riwka en hun dochter Esther hoor ik helemaal niets. Geen spoor… Verschrikkelijk…
18 JUNI 1945 Ik ben op de Herengracht 410 geweest, bij OPK (Oorlogspleegkinderen) om daar mijn kinderen op te laten sporen, speciaal Fransje, want van hem weet ik nog altijd niet waar hij zich bevindt.
Weer datzelfde geloop. Zoals elke dag, een boel te regelen. Van al dat geloop en het overal achteraan gaan, word ik erg moe; mijn voeten doen erg pijn, iets wat ik heb overgehouden van het kamp. En van al dat rondlopen, zonder tram, van het ene uiteinde van Amsterdam naar het andere, word je stapel.
20 JUNI 1945 Ik ben op zoek naar de lijsten van Theresienstadt en vind lijst nummer 5, waar onder de overlevenden inderdaad ook Channa en mijn kind Ralf staan vermeld.
23 JUNI 1945 Naar ik van verschillende mensen hoor, moet Channa al twee weken, vanuit Theresienstadt onderweg zijn - Ralf is bij haar. Ik maak me erg zorgen. Ik begrijp echter wel dat als ze al in leven is gebleven, ze hier wel op een gegeven moment zal opduiken. En onderweg bestaat geen gevaar meer. Ik ben desondanks ongerust, ik zie er vreselijk naar uit mijn vrouw en mijn kind Ralf eindelijk terug te zien.
26 JUNI 1945 Gisteren heb ik een brief van mijn dochter Heleen gekregen. Ze is in Utrecht, bij de familie Bakker, Javastraat 28. Ik maak al plannen om naar Utrecht toe te gaan. Er gaat echter nog geen trein. Er gaat wel een boot.
Vandaag is er hier feest in de straten ter ere van de bevrijding. Er wordt op straat gedanst. Uit alle huizen hangen vlaggen.
27 JUNI 1945 Direct ’s ochtends begin ik aan de reis naar Utrecht, naar mijn dochter. Ik heb een sterk verlangen mijn dierbare dochter terug te zien. Mijn vrouw is nog niet terug. Je hoort niets en je ziet niets.
Ik stap op de vrije tram, die tot tien uur ’s ochtends rijdt. Om acht uur ben ik al bij de boot op de Ruyterkade. Het is een koude ochtend. Ik zit drie uur lang op de boot. Er blijkt plotseling wel een trein naar Utrecht te rijden, maar het is moeilijk te geloven dat je daarvoor kaartjes kunt krijgen. Ik ga liever met de boot. Half twee ben ik in Utrecht. Tot mijn spijt ben ik toevallig net niet op het goede moment gekomen, want Heleen is bij mijn komst niet thuis. Mevrouw Bakker ontvangt me erg hartelijk en verzoekt me te blijven wachten. Om vijf uur komt mijn dochter thuis, bij haar tante Bakker. Toen ze binnenkwam, heb ik haar niet dadelijk herkend. Zo'n grote meid was het geworden. De tranen stonden me in de ogen, maar ik wilde niet huilen. Ik heb mijn dochter innig gezoend.
Omdat ik nog erg mager was en mijn haar nog niet was aangegroeid na het afscheren in het concentratiekamp, moet ik er verschrikkelijk hebben uitgezien. Het deed me verschrikkelijk veel verdriet dat mijn dochter mij in deze staat moest zien. Maar het lijkt erop dat ik als vader niet eens zo'n verschrikkelijke indruk op het kind heb gemaakt, als ik van tevoren had gevreesd. Heleen was heel blij om me te zien.
Ik ben daar blijven slapen en eten.
29 JUNI 1945 Terug in Amsterdam ben ik inlichtingen gaan inwinnen over een woning, want ik wil wel eens weg uit het PIZ.
Channa moet tenslotte toch een keer arriveren. En ik zou liever willen dat ik al een woning had voordat zij terug is.
Ik neem contact op met de Algemene Woningbouw Vereniging. Ze zeggen me daar een woning toe.
30 JUNI 1945 Heleen en de heer Bakker komen in Amsterdam bij me op bezoek. Ze willen met me spreken bij Meier. Het was een lastig probleem hoe ik voor Bakker een plaats moest verzorgen om te eten en te slapen. Heleen slaapt bij Meier. Ik reken er een beetje op dat mijn vrouw toevallig zal arriveren en gelijk met mij Heleen zal zien.
Maar ondertussen hoor ik niets en zie ik niets… Ik ga er al vanuit dat Heleen en Bakker naar Utrecht terugkeren.
1 JULI 1945 Terwijl ik zomaar in het PIZ bij het middageten zit, komt de heer de Vries me vertellen dat mijn vrouw bij hen in de woning is. Ze is dus in Amsterdam. Wat een vreugde…
Het was toen drie uur in de middag, zondags 1 juli. Ik kom bij De Vries binnen en daar zitten mijn vrouw en Ralf mij al op te wachten.
Wat een geluk, Heleen is er nog net. Ze was nog niet op de terugreis en komt er zo meteen aan. Wat een geluk… Alleen Fransje is er nog niet, ik weet niet waar in Nederland hij zich ergens bevindt.
En van mijn broer Moisje hoor ik helemaal niets. Riwka en haar kind zijn vast en zeker niet meer in leven.
Leo, Moisjes zoon, bevindt zich in Velsen.
We zitten zo een tijd bij elkaar en begroeten elkaar, zoals dat gaat.
De meest bijzondere dag uit het leven van een joodse familie na de treurige oorlog. Na de grote catastrofe.