Jozias van Aartsen wil scholen van 07.30 tot 18.30 uur open hebben

Toilettraining op school?

VVD-fractievoorzitter Jozias van Aartsen stelt voor om scholen open te stellen van ’s ochtends half acht tot ’s avonds half zeven. Bij de PvdA en het CDA leven bezwaren.

Pas toen een Haags ziekenhuis niet meer aan voldoende personeel kon komen en er daardoor bedden leeg dreigden te blijven staan, kwam er een crèche in het gebouw. Dat moest het voor vrouwelijke verpleegkundigen, fysiotherapeuten, laboranten en doktoren aantrekkelijk maken in het ziekenhuis te werken als ze kinderen hadden. Een mooi gebaar. Maar het cynische is dat de kinderopvang er pas kwam toen het een economische noodzaak werd voor het ziekenhuis zelf.

Met zo’n ietwat cynische blik kan ook gekeken worden naar het voorstel van VVD-fractievoorzitter Jozias van Aartsen om scholen open te stellen van ’s ochtends half acht tot ’s avonds een uur of half zeven. Tijdens de algemene politieke beschouwingen van twee weken geleden schilderde hij hoe er dan een eind zou komen aan het heen en weer gesjouw met kinderen, van en naar school, pianoles, voetbalclub, opvang en thuis. In Nederland zijn het vooral de vrouwen die dat doen, dus het zijn vooral de moeders die hier baat bij zouden hebben.

Maar ook Van Aartsens voorstel komt niet voort uit mededogen met deze dravende vrouwen. Nee, pas nu de economische noodzaak zich bij de werkgevers aandient en het Nederlandse bedrijfsleven alle goed opgeleide vrouwen kan gebruiken, is er een VVD-voorstel én een kamermeerderheid die de naschoolse opvang van kinderen praktisch wil regelen.

Dit voorjaar had Hedy d’Ancona, oud-minis ter van de PvdA, nog niet kunnen dromen van een kamermeerderheid voor zo’n voorstel. Bij de opening van de tentoonstelling Aletta Jacobs en het verlangen naar de politiek in het Atrium van de Tweede Kamer, was ze somber en sprak ze over «de politieke desinteresse ten aanzien van de essentiële issues van het feminisme». Ze merkte op dat «de kinderopvang in de ons omringende landen bijna nergens zo miserabel is geregeld als in Nederland». De zelfstandigheid van de vrouw noemde ze daarom een failure, want voor economische zelfstandigheid is kinderopvang volgens haar on ontbeerlijk.

D’Ancona herinnerde haar gehoor ook nog aan haar voorstel, alweer een decennium geleden, om kinderen vanaf hun tweede jaar verplicht naar de kinderopvang te laten gaan. «Dat werd door de heren afgedaan als staatsopvoeding en er is dus ook nimmer meer werk van gemaakt», aldus D’Ancona in april van dit jaar. Nog geen half jaar later wordt er wel werk van gemaakt «door de heren». Van een verplichting voor de kinderen is in het breed gedragen VVD-voorstel weliswaar geen sprake, het geldt ook nog niet voor de twee- en driejarigen, bovendien is de economische zelfstandigheid van de vrouw niet het hoofddoel, maar een ervaren politica als D’Ancona zal vast haar zegeningen tellen.

Ook zal ze zich waarschijnlijk realiseren dat het nog geen gelopen race is. Want een kamermeerderheid mag dan voorstander zijn van een beter geregelde kinderopvang, het laatste woord is nog niet gezegd. En dat niet alleen omdat minister Maria van der Hoeven (CDA) en haar partijgenoten in de Tweede Kamer de motie van Van Aartsen hebben ontraden, dan wel er niet vóór hebben gestemd. Dat is ook omdat het voorstel nog veel onduidelijk laat. En juist daardoor zijn alle ingrediënten voorhanden voor een echte politieke naschoolstrijd: over geld, kwaliteitseisen én de principiële vraag wie er verantwoordelijk is voor de opvoeding.

De Haagse PvdA-wethouder van Onderwijs, Pierre Heijnen, ziet de motie als een instrument om een doorbraak te forceren naar een goede naschoolse opvang voor alle kinderen van ouders die daar behoefte aan hebben. Na acht jaar wethouderschap in een grote stad ziet hij echter haarscherp dat de Tweede Kamer de consequenties helemaal niet heeft doordacht. Ook zijn eigen partij dus niet, die de motie wel mede heeft ondertekend. Volgens Heijnen zijn de financiële gevolgen gigantisch. Hij schat de kosten ervan in de miljarden.

Heijnen rekent voor hoe er per school van vierhonderd leerlingen alleen al één volledige baan gemoeid zal zijn met het organiseren van de opvang voor en na school. Dus ook als de school een derde partij zou inhuren om de kinderen daadwerkelijk op te vangen is die ene man of vrouw volgens hem nodig. En die moet er volgens Heijnen al in augustus van het ko mend jaar zijn, anders krijgen de scholen het niet met ingang van 2007 voor elkaar zoals de Tweede Kamer wil. «Regelt de Kamer dit niet, dan neem ik haar dat zeer kwalijk. Dan maken ze goede sier met niks in de hand.»

Behalve om geld voor mankracht gaat het volgens Heijnen ook om vele miljoenen euro’s om de scholen te verbouwen, zodat er lokalen komen die omgebouwd kunnen worden tot bijvoorbeeld een huiskamer en de school een keuken krijgt voor het bereiden of opwarmen van maaltijden. Ook is er niet goed nagedacht over de gevolgen van het voorstel voor de net ingevoerde marktwerking in de kinderdag opvang. Want de partij die de opvang op de school gaat regelen, heeft allerlei concurrentievervalsende voordelen: ouders zullen voor de opvang in het schoolgebouw kiezen, omdat ze dan minder hoeven te sjouwen met de kinderen, bovendien is de opvang op de school goedkoper omdat er geen ander gebouw hoeft te worden gehuurd of gekocht.

Niet alleen Heijnen vraagt zich af hoe Van Aartsen dit allemaal wil gaan betalen. De werkgevers zien hem aankomen, ook al hebben ze de vrouwen hard nodig. De belastingbetaler oftewel de kiezer zal het hem niet in dank afnemen en door alleen de ouders is het niet op te brengen. De opvang lekker goedkoop regelen door deze over te laten aan vrijwilligers en uitkeringsgerechtigden, zoals Van Aartsen wilde, is al afgeschoten. De PvdA eist kwaliteit.

CDA-kamerlid Jan de Vries ziet precies dezelfde haken en ogen als de lokale PvdA-politicus. Maar waar de laatste zegt: «Laten we ondanks dat alles deze kans grijpen», vindt de CDA’er dat zijn fractie om die redenen juist geen ja tegen de motie kan zeggen. «De uitvoering ervan kost miljarden. Je kunt haar daarom niet zo maar vrijblijvend op een achternamiddag indienen, dan maak je mensen blij met een dode mus.»

Maar een kamerlid als Van Aartsen mag toch wel een toekomstvisie hebben waarin ouders minder met hun kinderen van hot naar haar hoeven te sjouwen, en vervolgens mag hij toch proberen daar in de praktijk naartoe te werken? De CDA’er heeft daar op zich niks tegen. De Vries zou het zelfs op prijs stellen als er meer vanuit dit soort visies wordt gedebatteerd in de Kamer. Volgens hem krijgt de kiezer dan veel helderder de uitgangspunten van de verschillende fracties voor ogen en ziet hij beter naar welke einddoelen de partijen toewerken. Maar dat streven naar ferme en heldere taal mag volgens de CDA’er niet leiden tot onuitvoerbare voorstellen: «Dat leidt tot teleurstelling bij de burger en daarmee wordt het vertrouwen in de politiek nog verder geschaad.»

Behalve praktische bezwaren zetten de christen-democraten ook principiële vraag tekens bij het voorstel. Die zijn niet af te doen met de karikatuur die Van Aartsen ervan probeerde te maken. Hij beet minister Van der Hoeven vorige week toe dat ook werkende moeders goede moeders zijn. Daarmee probeerde hij te maskeren dat zijn voorstel veel vragen en wrevel heeft opgeroepen, bij schoolleiders, kinderopvangorganisaties en ouders.

De principiële vraag van het CDA geldt niet de rol van de moeder, maar de vraag wie verantwoordelijk is voor de opvoeding: de ouders of de school. Daarover zou De Vries wel eens een echt principieel debat willen in de Tweede Kamer, met mooie toekomstvisies, maar dan ook met de heel concrete gevolgen daarvan.

Het woord staatsopvoeding valt niet bij De Vries, zoals in de tijd van D’Ancona wel het geval was, maar de overheid moet wat hem betreft niet verantwoordelijk worden voor de opvoeding van de kinderen: «Dat mag niet het eindperspectief zijn van het traject dat we met deze motie inslaan. Het CDA vindt dat de op voeding de verantwoordelijkheid blijft van de ouders.» Of, om het eens met een voorbeeld te verduidelijken: ouders moeten niet hun kind op vierjarige leeftijd bij de basisschool droppen met de mededeling dat het nog niet zindelijk is. Toilettraining is in de ogen van De Vries niet een taak van de school. Ook onaangepast gedrag moeten ouders niet eenzijdig bij de school neerleggen: «Vaak ligt de oorzaak bij de ouders, omdat die bijvoorbeeld geen grenzen stellen. De school moet het dan maar eenzijdig oplossen, maar dat vergroot de problemen meestal alleen maar.»

De Vries ziet twee ontwikkelingen die een steeds grotere druk leggen op de school om als opvoeder op te treden. Aan de ene kant zijn er steeds meer gezinnen waarin de werkende ouders de school dankbaar gebruiken als professionele opvoeder. «Ik hoor van scholen dat dit soort ouders vaak onredelijke eisen stellen over bijvoorbeeld schooltijden of bijlessen die vooral de ouders zelf en hun carrières goed uitkomen. Veel aversie bij scholen tegen het voorstel van de VVD komt daaruit voort.»

Daarnaast ziet de CDA’er een groeiende groep ouders die onmachtig zijn hun kinderen zelf op te voeden. «Ik begrijp dat professionals dan kiezen voor het belang van het kind en de opvoeding overnemen, maar ik ben er meer voor om ouders aan te spreken op hun verantwoordelijkheid. Je ziet gelukkig ook steeds vaker dat er in contracten tussen scholen en ouders afspraken worden gemaakt over bijvoorbeeld een ontbijt dat de kinderen achter de kiezen moeten hebben voordat ze naar school komen. Daarnaast is het taboe op verplichte opvoedingsondersteuning gelukkig verdwenen.»

De Vries wil dat de school zich houdt aan de kerntaak en dat is volgens hem onderwijs geven. Zijn PvdA-collega in de Kamer, Mariëtte Hamer, vindt het best dat de school zich aan de kerntaak houdt als maar erkend wordt dat die kerntaak is veranderd: «Daar hoort wat mij betreft ook bij: van alles regelen om het kind heen, omdat de beide ouders werken.» Haar partijgenoot wethouder Heijnen vindt bovendien dat opvoeden en lesgeven niet los te zien zijn van elkaar. Daarnaast stelt hij zich pragmatisch op. Voor hem is het een gegeven dat veel ouders hun kinderen niet kunnen of willen opvoeden: «Ik vraag me af of het voor veel kinderen slechter is als ze door professionals worden opgevoed.»

Als De Vries zijn principiële debat over de verantwoordelijkheid voor de opvoeding zou krijgen, zal hij de PvdA dus tegenover zich vinden. De eerste ondertekenaar van de motie, VVD’er Van Aartsen, zal het dan moeilijk krijgen. Zijn woordvoerder Onderwijs, Eric Balemans, uit wiens koker het voorstel voor de naschoolse opvang komt, vindt dat die opvang de verantwoordelijkheid is van de ouders, samen met de kinderopvang. Wat Balemans be treft wordt van de school verder niks ge vraagd. De directeur hoeft alleen maar de sleutel af te geven, zodat het gebouw beschikbaar is.