Toko in scherven

JAKARTA - Voor de 64 Indonesische families in het wijkje Pondok Ungu Permia in Bekasi was de viering van Onafhankelijkheidsdag op 17 augustus altijd een feest. De buurtbewoners zetten zich gezamenlijk aan lange tafels. Er werd muziek gemaakt, en allerlei heerlijks gegeten. Saté en verse vis. Het wijkhoofd van Pondok Ungu Permia was weken van tevoren bezig met het inzamelen van geld voor de festiviteiten. Vorig jaar, vertelt hij, nog trots bij de herinnering, had hij wel 700.000 roepia (ongeveer 100 gulden) te besteden.

Dit jaar is het allemaal anders. Vandaag staat er alleen wat rijst en tempeh op het menu. Er is met moeite 300.000 roepia bij elkaar geschraapt. De stemming zit er ook niet erg in. De krismon - de krisis moneter - domineert het gesprek aan tafel, tijdens dit 53ste jubileum van Indonesiës (zelf geproclameerde) onafhankelijkheid. Het gaat over die buurtgenoot die ook al zijn baan is kwijtgeraakt, en over het drinkwater, dat alweer duurder is geworden. In Bekasi heerst de krismon-blues.
En dan is er nog dat andere. Dat trauma. Dat wat Novyany (23) zo bang maakt. Vandaag heeft zij haar man Rudi (34) gesmeekt om thuis te blijven, haar niet alleen in hun huisje in Pondok Ungu Permai achter te laten. Er gaan immers al weken geruchten dat het tijdens de Onafhankelijkheidsfeesten weer zal escaleren. Rudi en Novyany zijn half Chinees, en dat kun je zien, bij haar iets duidelijker dan bij hem.
‘Permai’, zo verklaart Rudi de naam van zijn wijk, 'betekent mooi. Maar dat is niet geheel conform de werkelijkheid.’ We lopen door de armoedige straatjes waar plaveisel een luxe uit lang vervlogen tijden geweest moet zijn, en waar aan weerszijden het water stil staat te stinken in het open riool. Om de hoek, bij het buurtwinkeltje, staat met rode letters 'China!’ op de muur gekalkt. De buren zijn er letterlijk uitgeslagen.
Iets verderop scheldwoorden op een leegstaand woonhuis: 'babi’ - varken, dat wat moslims niet aanraken.Tijdens de rellen in mei, vertelt het wijkhoofd beschaamd, zijn 35 winkels in de buurt geplunderd. Driekwart daarvan werd gerund door Chinezen. De meesten van hen zijn nu vertrokken. De plunderaars hadden volgens het wijkhoofd vooral honger. Verder niets persoonlijks - er waren daarvoor nooit problemen geweest tussen de Chinezen en de pribumi, de autochtonen. Er is geen reden voor paniek, drukt het wijkhoofd Rudi en anderen al weken op het hart. Alsjeblieft allemaal kalm blijven onder de geruchten, zodat er tenminste nog iets te vieren valt, deze zeventiende augustus. Hij krijgt zijn zin. In Jakarta en ook in Bekasi, een voormalige buitenwijk van de hoofdstad die is uitgedijd tot een enorme, chaotische voorstad, blijft het de hele dag en avond rustig.
Ongewoon rustig. Want Onafhankelijkheidsdag werd de voorgaande 52 jaren in Indonesië niet alleen groots gevierd, het was ook altijd aanleiding voor de oppositie om aan de orde te stellen dat er geen sprake was van echte onafhankelijkheid onder het Soeharto-regime. Nu is het of de stad de adem inhoudt. Braaf wapperen de roodwitte vlaggen in de warme wind, en hier en daar is een bescheiden festiviteit georganiseerd. Maar verder is de sfeer sober, haast somber. Niet de traditionele bandjes op straat, geen feestende hordes. De mensen blijven thuis, met de deur dicht.
Armoede en angst regeren. Angst dat de rellen van 13, 14 en 15 mei, waarbij winkels en winkelcentra werden geplunderd, branden zijn gesticht, 160 (vooral Chinese) vrouwen werden verkracht en 1200 mensen het leven verloren, zich zullen herhalen. Juist vandaag, op Onafhankelijkheidsdag.
DIT IS DE STAD van de roddel en de geruchten. Heel Jakarta gonst ervan. Er doen verhalen de ronde over groepjes mannen die in winkelcentra geld beloven aan iedereen die kan aantonen een Chinees gemolesteerd te hebben. Niet alleen de Chinezen, maar ook de pribumi zijn bang, vooral de vrouwen. En de bules, de westerlingen, die met al hun geld zo'n aantrekkelijke prooi vormen.
Een herhaling van de rellen met alle schade vandien zou wel eens de nekslag voor deze stad met zijn tien miljoen (voornamelijk arme) zielen kunnen betekenen. Jakarta is volgens het nationale bureau voor de statistiek van de 27 provincies het hardst getroffen door de economische crisis. Na dertig jaar van gestage economische groei, vorig jaar nog met ruim vijf procent, zal dit jaar in de stadseconomie een gat geslagen worden van zeventien procent.
De gevolgen zijn overal zichtbaar. Een leger van werklozen hangt doelloos rond op straat of zit een beetje te dammen met bordjes van karton en flessedoppen. Bedelaars, veel meer dan de stad al kende, zwermen rond de stoplichten en steken hun hand uit naar de automobilisten. De bussen, altijd al overvol, puilen nu uit met hordes zwetende mensen die vaak al uren bij de halte hebben staan wachten. Sinds een paar weken rijdt de helft van de publieke bussen en minibussen niet meer. De transportbedrijven kunnen eenvoudigweg geen benzine, laat staan nieuwe banden meer kopen. De criminaliteit, nooit zo'n groot probleem in deze politievrezende stad, stijgt met sprongen. En daarmee weer de onveiligheidsgevoelens.
Gouverneur Sutiyoso van Jakarta heeft de inwoners van zijn stad de afgelopen weken voortdurend bezworen de geruchten over ophanden zijnde onlusten niet te geloven. Tegelijkertijd liet hij een grote groep militairen en politieagenten aanrukken, die nu al enige dagen opzichtig door de straten van de hoofdstad patrouilleren. Vervolgens adviseerde hij de burgers extra veiligheidsmaatregelen te treffen voor de 17e, en zich zelfs te bewapenen. Geen religie ter wereld die zelfverdediging verbiedt in levensbedreigende omstandigheden, aldus de gouverneur. De weinige gebruiksartikelen die de afgelopen weken echt goed verkochten waren dan ook wapens. Verder kuisheidsgordels (om verkrachters te ontmoedigen) en vliegtickets, gedateerd voor de 17de.
IN DE AANLOOP naar die beladen datum kwam een ware exodus op gang van mensen, onder wie vele Chinezen, die Jakarta en steden als Bandung en Medan liever verruilden voor een andere bestemming.
Van een vliegticket kan Liu Miauw Sjin (55) alleen maar dromen. Sinds twee weken staat hij weer achter de toonbank van Toko Salim te Bekasi. Is hij niet bang? Hij schokschoudert. 'Het is nu in Gods handen’, zegt hij. Die van hemzelf zijn leeg, sinds mei.
Wie binnenloopt in Toko Salim voor een pakje kretek-sigaretten of een flesje ketjap, ziet vooral veel lege planken en lege kasten. Vooraan, dicht bij elkaar, zodat het nog wat lijkt, staan wat pakjes mie en wat Gilette-scheermesjes. Zijn leveranciers, bij wie hij op het moment van de rellen al een forse schuld had, hebben Sjin wat geld en producten geleend om het opnieuw te proberen. Opdat zij wellicht ooit nog wat van hun centen terugzien. Niets hier is van hem, zegt Sjin gelaten. Alles is weg. Behalve het gammele houten tafeltje waar niemand belangstelling voor had en waar nu de geleende kassa op staat.
Die avond in mei. Ze hoorden geschreeuw op straat. De ruiten van de Chinese buren gingen aan diggelen. Rookwolken trokken langs. Sjin trok zijn vrouw en zijn vijf kinderen mee naar buiten, bang dat zijn winkel, hun achterhuis en zijzelf in vlammen zouden opgaan. In het donker zag de razende mensenmassa hun typisch Chinese ogen niet. Het rolluik voor Toko Salim bleek niet lang bestand tegen de hamer waarmee het werd bewerkt. En daar stormden ze naar binnen, de plunderaars. Klanten zagen ze, buren ook, met spullen naar buiten komen. Hun spullen.
De volgende dag is Sjin met zijn gezin gevlucht. Terug naar West-Kalimantan, waar hij in 1991 weggegaan was, op zoek naar werk. Maar er is nog altijd geen werk in West-Kalimantan. Na drie maanden is Sjin daarom weer naar Bekasi teruggekeerd. Wat kon hij anders? Ze moeten toch eten. En hij wijst op zijn broodmagere vrouw, die verlegen opkijkt van het kleed op de grond waar zij speelt met de kinderen. Het kleed is het enige meubilair in het achterhuis. Sjin heeft nog geluk gehad, zegt hij. Zijn vrouw en dochter zijn ongemoeid gelaten. Een tante van hem niet. Ze woonde verderop. Na de verkrachting is ze doorgedraaid. Gek geworden. Ze is nu bij familie in haar geboortedorp.
In de gammele auto van Rudi rijden we door Bekasi en bekijken de uitgebrande winkelcentra. De ingegooide spiegelruiten van kantoren met Chinees klinkende namen op de gevel. De rijen verlaten winkeltjes, de gehavende rolluiken naar beneden. Rudi vertelt: 'Ik reed naar huis van mijn werk en kwam terecht in de rokende straten, tussen de woedende menigte. Ik was zo bang! En ik dacht: Wat is er in mijn volk, dat altijd zo religieus is, dat iedere speech begint met een gebed, dat tolerantie predikt - wat is er in dat volk gevaren?’ De onlusten hebben alles alleen nog maar erger gemaakt. De prijzen zijn nog verder gestegen; de voedseldistributie - traditioneel bijna geheel in handen van Chinezen - is lamgelegd.
Rudi is er, zoals zovelen, van overtuigd dat de rellen zijn aangesticht. 'Ik ken de patronen in dit land zo langzamerhand’, zegt hij. 'Altijd richten onlusten zich tegen de Chinezen, en altijd blijkt dat later een afleidingsmanoeuvre of een politieke daad te zijn geweest.’ De relatie tussen pribumi’s en Chinezen is al heel lang moeizaam. De Chinezen zijn niet alleen jaloersmakend succesvol als handelaars, maar ze zijn ook in meerderheid christen.
VOLGENS DE Jurnal Perempuan, een in Jakarta vervaardigd feministisch tijdschrift, is het echter onmogelijk dat de recente rellen enkel uit racisme zijn geboren. Gewone Indonesiërs missen volgens de auteur alleen al de capaciteit om in minder dan vijftig uur op talloze plekken tegelijk systematisch geweld tegen Chinezen te organiseren en daarbij 160 vrouwen te verkrachten, veertig winkelcentra, vierduizend winkeltjes en talloze huizen plat te branden, en 1200 mensen de dood te laten vinden. En dat allemaal zonder door de politie te worden opgepakt.
De moslimmeerderheid in Indonesië is makkelijk manipuleerbaar zolang zij haar grote economische achterstand houdt. Dus helemaal tijdens tijdens de krismon. Maar door wie is er gemanipuleerd en waarom? Volgens de Jurnal Perempuan hebben alleen regering en leger daar de mankracht en de mogelijkheden voor. Anderen denken aan moslimfundamentalisten. Weer anderen zoeken de daders in kringen rond voormalig president Soeharto, die aan een mogelijke comeback werkt. Of in overige politieke groepen die willen dat er geen vertrouwen in de regering Habibie ontstaat. En er zijn wellicht ook zakenlieden die het internationale vertrouwen in Indonesië niet zo nodig hersteld hoeven zien. Want hoe verder de roepia keldert, hoe meer hier de dollar waard is. Met dollars valt er dan heel wat land op te kopen, bijvoorbeeld.
President Habibie heeft het afgelopen weekend in zijn eerste State of The Nation, een twee uur lange speech, de rellen en verkrachtingen van mei veroordeeld als 'barbaars’. Hij erkende het trauma waar zijn land nu mee worstelt, en de 'schade aan het gezicht van de natie’. Aldus de president die de ogen van de wereld op zich gericht voelt, met protestdemonstraties van Chinezen in Hongkong en Beijing, en een instortende toeristensector.
Anderen ontkennen nog altijd dat er groepsverkrachtingen zijn voorgevallen. Met unieke redeneringen. Zoals deze, van een hoge ambtenaar. De verhalen over verkrachtingen moeten volgens hem verzonnen zijn, want welke man kan er nu 'passie’ voelen tijdens razende rellen? Parlementsleden hebben geprotesteerd tegen Habibies plan om buitenlandse delegaties onderzoek te laten doen naar de verkrachting van Chinese vrouwen.
IN PLAATS VAN te jagen op de daders, zit de staatspolitie nu achter de mensen aan die 'geruchten over de onbewezen verkrachtingen’ verspreiden. Woordvoerders van organisaties die 'overdreven berichten’ de wereld in hebben gestuurd over de meirellen, kunnen worden vervolgd wegens het verspreiden van valse informatie. Bij de politie zijn immers nauwelijks aangiften binnengekomen. Waarbij even verzwegen wordt dat veel slachtoffers geen aangifte durven doen, uit angst of overtuiging dat politie of leger bij de verkrachtingen betrokken is geweest.
Ondertussen gaat het geweld door. Sinds mei hebben Chinese Indonesiërs nog tien verkrachtingen en vele bedreigingen gemeld bij het Kalyanamitra crisiscentrum in Jakarta. Anderen hebben anti-Chinese pamfletten zien circuleren. Volgens een recente enquête gelooft in Jakarta twaalf procent van de mensen dat het leger betrokken is bij de terreur tegen de Chinezen. Maar niemand weet het zeker, niemand heeft bewijs. En dus regeert de angst.
LIU MIAUW SJIN heeft het met zijn eigen ogen gezien: politieagenten moedigden de menigte aan zijn winkel te bestormen. Dezelfde corrupte lui aan wie hij al jaren geld afdroeg voor bescherming. Zij spoorden de mensen aan te pakken wat ze pakken konden bij die rijke Chinezen. Maar door wie de agenten op hun beurt waren opgestookt…
Sjin wil er niet meer over praten. Hij gaat naar achteren. En keert terug met een paar kleurenkiekjes in de hand. 'Zo was het’, zegt hij kortaf, en er lopen tranen over zijn magere wangen. Het zijn foto’s van Toko Salim in zijn hoogtijdagen. Met een glimmende Sjin achter de toonbank in een ruim gesorteerde winkel. Balen rijst, opgestapelde kratten cola, kleurige flessen Dreft-afwasmiddel, en meer van dat begeerde westerse spul. Ja, dat zaakje van hem, dat liep als een trein. Driehonderd miljoen roepia. Allemaal kwijt.
De plunderaars van die avond kopen nu weer sigaretten bij hem. Business as usual. En Sjin kan ze niet eens zijn winkel uit schelden. Hij heeft ze te hard nodig.