Economie

Tolerantie

Afgelopen zondag noemde Ian Buruma bij Buitenhof de Europese Commissie en haar coterie een moderne aristocratie die heilig gelooft in haar eigen goede bedoelingen en daardoor niets begrijpt van de oplaaiende euroscepsis. Daarmee sloeg Buruma de spijker op de kop.

Want net zoals de Aristoi uit Aristoteles’ Politica zelfbenoemde ‘besten’ waren die zich als zodanig door wijs en moedig bestuur hadden bewezen, zo zien Europese bestuurders en ambtenaren zichzelf als heroïsche dragers van een groots en meeslepend politiek project dat vrede, veiligheid en voorspoed voor Europese burgers moet garanderen en alleen daarom al boven iedere twijfel verheven zou moeten zijn, en daarmee – nolens volens – zijzelf.

En net zoals de Aristoi zich door de bereidheid het leven voor de stadsstaat te geven het ambt waardig hebben betoond, zo kenmerkt ook het Europese ambtenarendom zich door een sterk esprit de corps, gestoeld op de wetenschap de ‘beste’ te zijn: door het gevreesde Europese ambtenarenexamen – het Concours –, een goudgerand arbeidscontract, schitterende emolumenten en een meer dan luxueuze outillage in de vorm van fraaie bebouwde omgeving, uitmuntende voorzieningen en genereuze ondersteuning.

Precies daar gaat het fout. Van de 350 miljoen kostende nieuwbouw voor de Europese Raad in het hart van het Brusselse Eurokwartier, de vacatiegelden van 304 euro per dag die europarlementariërs boven op hun maandsalaris van achtduizend euro en een maandelijkse onkostenvergoeding van 4300 euro ontvangen, de stilzwijgende afspraak om iedere lidstaat zijn eigen commissaris te gunnen à raison van anderhalf tot twee miljoen euro per commissaris per jaar, tot aan parlementsvoorzitter Martin Schulz die, blijkens een interview met de Financial Times, gewoon is zichzelf in het verre Straatsburg te fêteren op copieuze hoeveelheden foie gras… het ademt een sense of entitlement die, tegen de achtergrond van falend crisisbeleid (krimpende economieën, stijgende werkloosheid, oplopende sociale spanningen) en potsierlijk micromanagement (restaurants die geen bijvulflessen met olijfolie op tafel mogen zetten), op z’n zachtst gezegd misplaatst is.

Nu de prestaties tegenvallen en alleen goede bedoelingen resten, wordt het nare, intolerante kantje van de Europese Aristoi steeds beter zichtbaar. We kenden al langer de ondemocratische, want stuitend paternalistische stijlfiguur dat ‘zij’ – de eurogelovigen – het beste met ‘ons’ – simpele burgerzielen – voor hebben, maar dat zij er, gezien onze eurosceptische uitlatingen, kennelijk onvoldoende in zijn geslaagd ons dat duidelijk te maken. Van Rompuy, Timmermans, Barroso, Kroes – allemaal hebben ze zich er wel eens aan bezondigd. De afnemende democratische legitimiteit van de Europese Unie is zo bezien een marketingprobleem, niet een fundamenteel vraagstuk van vergruizende soevereiniteit en vermalen democratische grondrechten.

Bedenkelijker in mijn ogen is de neiging van de Aristoi en hun waterdragers om iedere aarzeling jegens euro, Europese Unie, politieke integratie, Interne Markt af te doen als ‘populisme’. Sinds mijn ‘coming out’ als euroscepticus is me het al meermalen overkomen. Journalisten die mijn grote zorgen over sluipende soevereiniteitsoverdracht meewarig aanhoren en mijn tegenstander in het radiodebat met geniepige techniekjes presenteren als de stem der redelijkheid en mij daarmee, van de weeromstuit, wegzetten als verwoorder van het onredelijke, want emotionele onderbuikgevoel. Kamerleden die mij publiekelijk van opruiing betichten terwijl ze even daarvoor bekenden mijn zorgen wel degelijk te delen. Collega’s die mijn opvattingen ‘gevaarlijk’ noemen omdat ik een alternatief suggereer – ontmantel zo snel mogelijk de ‘doomsday machine’ die euro heet – zonder op de keerzijde ervan te wijzen.

Een fraai voorbeeld hiervan overkwam mij drie weken terug, in Maastricht, op een bijeenkomst georganiseerd door D66. Onder de titel Celebrating Europe (wie verzint zoiets!) maakte ik in schrille kleuren duidelijk dat er niet veel te vieren viel: afnemende welvaart, groeiende sociale onrust, oplopend wederzijds wantrouwen, terugkerend nationalisme. Onder de ruim honderd aanwezigen was er welgeteld één die mij bijviel. Tijdens zijn afscheidsspeech bestond de onbeschofte Poolse gastheer het om mij, zonder mijn zorgen ook maar een ademtocht waardig te keuren, weg te zetten als populist en daarmee als niet behorend tot de kring van verstandige mensen. Op de borrel na afloop werd ik gemeden als de pest.

Hoe meer het Europese project scheuren gaat vertonen, hoe meer de voorstanders ervan zich opsluiten in hun eigen opiniegetto. Om toch de schijn van democratische openheid hoog te houden, nodigen ze mij uit: hoogleraar, beschaafd, Gooise ‘r’, netjes gekapt en geschoren…

Hoe heette dat vroeger ook weer: o ja, repressieve tolerantie.