De zwarte stem

Tolstoj en de Zoeloes

Hoe noodzakelijk is de ‘zwarte stem’ in de literatuur? Is de Tolstoj van de Zoeloes niet gewoon Tolstoj zelf?

De Amerikaanse geschiedenis kent twee erfzonden, zei de grote historicus Shelby Foote meer dan twintig jaar geleden. De eerste was uiteraard de slavernij. De tweede was de Reconstructie, zoals de periode na de Burgeroorlog heette. De bevrijde slaven werden sociaal, juridisch, economisch en cultureel aan hun lot overgelaten. De Burgeroorlog verdeelt de VS anderhalve eeuw later nog steeds in een Noord en een Zuid, maar de Reconstructie verdeelt de VS nog steeds in een wit en een zwart.

Halverwege de zomer van 2015 verschenen er twee literaire werken die, onbedoeld, die historische verdeling precies lieten zien, twee boeken die bovendien meer aandacht kregen dan zo’n beetje alle andere boeken van het jaar bij elkaar en die via verschillende onzichtbare draadjes met elkaar verbonden zijn. Ze verschenen een paar weken na elkaar. Het ene was geschreven door een redelijk jonge, zwarte man, het andere door een oudere, witte vrouw. De een was onbekend bij het grote publiek, de ander een levend icoon. De een werd bedolven onder laaiend enthousiaste recensies, de ander, laten we zeggen, niet bepaald.

Sterker nog, toen Harper Lee’s Go Set a Watchman verscheen (in het Nederlands vertaald als Ga heen, zet een wachter, zie De Groene van 22 juli 2015), gingen er in de Amerikaanse columnistiek stemmen op om Lee’s uitgeverij aan te klagen voor ouderenmishandeling. Want dit kon toch niet echt het langverwachte nieuwe werk zijn van Harper Lee, die in 1960 To Kill a Mockingbird schreef, dat samen met Mark Twains Huckleberry Finn waarschijnlijk de meest geliefde jeugdroman van de VS is? Dit stroeve, vaak onhandig vertelde boek met die kinderlijke dialogen? Sinds To Kill a Mockingbird had de schrijfster geen verhaal meer gepubliceerd, al een halve eeuw had ze alle publiciteit gemeden, en nu trad ze uit de schaduw terug in het licht – voor dit? Hadden slinkse agenten soms misbruik gemaakt van de wankele weerstand van een 96-jarige vrouw en haar dit manuscript ontfutseld?

Die verontwaardiging was een beetje vertekend. In feite was Ga heen, zet een wachter namelijk geen ‘nieuwe roman’ waar Lee decennia op had zitten broeden. Het was een buitengewoon oude roman. Een jeugdwerk. Nog voordat ze To Kill a Mockingbird schreef, schreef ze Go Set a Watchman. Haar latere uitgever vond het echter niet sterk genoeg, maar merkte op dat er ergens in het boek in het voorbijgaan een korte anekdote wordt verteld over hoe de pater familias, de advocaat Atticus Finch, als enige een valselijk beschuldigde zwarte man durfde te verdedigen in een wit stadje in het racistische Zuiden, halverwege de jaren dertig. Kon ze die anekdote niet uitwerken?

En zo ontstond To Kill a Mockingbird, een lieve, serene jeugdroman, over broertje en zusje Jem en Scout, die toezien hoe hun wijze vader het opneemt tegen de vooroordelen van de gemeenschap waarin ze zijn opgegroeid. Atticus vat zijn humanisme samen in eenvoudige lessen voor zijn kinderen, en zijn lezers: ‘You never really understand a person until you consider things from his point of view…, until you climb into his skin and walk around in it.’ Ook de verfilming werd een klassieker.

Large beautiful 20strangers 20  20image 202
Peter Zelewski – uit zijn serie Beautiful Strangers. © Peter Zelewski

Op die wijze lessen was Go Set a Watchman een hardhandige revisie. In dit verhaal keert de 26-jarige Scout terug naar het stadje van haar vader. Inmiddels woont ze in New York, is ze geïnteresseerd geraakt in de burgerrechtenbeweging en vraagt ze zich af hoe dat in haar oude stadje zal zijn (‘Tot betrekkelijk kortgeleden leefde Maycomb County zo geïsoleerd van de rest van het land dat sommige inwoners, onkundig van de politieke voorkeur van het Zuiden gedurende de laatste negentig jaar, nog steeds voor de Republikeinen stemden’).

Haar broer Jem is overleden aan een hartkwaal. Haar vader Atticus is ondertussen alweer 72, kan zijn handen niet goed meer gebruiken, heeft last van zijn gewrichten. Dat er iets veranderd is, voelt Scout meteen aan, al kan ze niet helemaal plaatsen wat. Uiteindelijk vindt ze tussen haar vaders paperassen een pamflet: ‘Op het omslag stond een tekening van een mensetende neger; boven de tekening stond het opschrift De zwarte pest. De schrijver was iemand met diverse academische titels achter zijn naam. Ze opende het pamflet, ging in haar vaders stoel zitten en begon te lezen. Toen ze het uit had, pakte ze het bij een hoek beet, hield het vast zoals ze een dode rat bij de staart zou houden.’

Haar vader, de nagenoeg heilige uit To Kill a Mockingbird (‘Hij was privé en in het openbaar dezelfde man. Zijn gedragscode was de simpele nieuwtestamentische ethiek, zijn beloning was het respect en de toewijding van allen die hem kenden (…) Hij was nooit een rijk man, maar hij was de rijkste mens die zijn kinderen ooit hadden gekend’), blijkt actief binnen burgerraden vol uiteraard witte, xenofobe burgers die zich grote zorgen maken over de emancipatie van gekleurde mensen in het Zuiden. Atticus is uiteindelijk niet de crypto-racist die Scout vreest dat hij is, maar hij verzet zich wel tegen de emancipatiewetgeving, omdat die volgens hem niet strookt met de cultuur van het Zuiden. Ze besluiten elkaars tegenstrijdige mening te accepteren – een soort eind goed, al goed.

Harper Lee gaf bij het verschijnen van de roman geen interviews, dus het was aan de lezer zelf om de moraal van het boek te ontdekken. Die lijkt de volgende: een mens kan individueel oprecht zijn, maar toch meedraaien in een hypocriet systeem. Atticus Finch deed het nobele juiste in To Kill a Mockingbird als individu, hij deed het laffe in Go Set a Watchman als deel van een cultuur.

Hoe dan ook waren de critici bij de verschijning meer dan verbijsterd. Wie dat niet geweest zal zijn, was Ta-Nehisi Coates, de schrijver van dat andere boek van 2015, Between the World and Me (vertaald als Tussen de wereld en mij, zie De Groene van 18 november 2015). Het korte boek is een open brief aan zijn veertienjarige zoon, nadat die huilend naar zijn kamer is gegaan nadat bekend is gemaakt dat de agent die Michael Brown doodschoot in Ferguson, omdat hij wat sigaartjes had gestolen en probeerde weg te komen, niet zal worden vervolgd. Coates gaat na vijf minuten naar zijn zoon toe, maar niet om hem te troosten, want hij moet leren dat ‘de politiebureaus van dit land bevoegd (zijn) om je lichaam te vernietigen. (…) Het maakt niet uit of het met een misverstand begint. Het maakt niet uit of het uit een domme richtlijn voortvloeit. Maar als je sigaretten verkoopt zonder de juiste vergunning kan je lichaam worden vernietigd. (…) Loop je in een donker trappenhuis: je lichaam kan vernietigd worden. De vernietigers zullen maar zelden ter verantwoording worden geroepen. Meestal krijgen ze een pensioen.’

‘De vernietigers zullen maar zelden ter verantwoording worden geroepen. Meestal krijgen ze een pensioen’

Als je er even over nadenkt zijn de lijntjes tussen Ta-Nehisi Coates en Harper Lee best evident. Het ene boek komt voort uit het andere. Lee beschrijft hoe goede mensen een fout systeem overeind houden, omdat ze zich niet iets beters kunnen voorstellen. Coates beschrijft hoe het is om in dat systeem te leven, hoe alle krachten in de samenleving er onopgemerkt op uit zijn jou klein te houden, een absolute macht over je uit te oefenen. In het wereldbeeld van Coates zijn geen individuen, of ze zijn er wel maar ze doen er niet toe; er zijn alleen systemen. Voor Coates is racisme niet psychologisch maar ontologisch; het is onherroepelijk deel van het zijn.

Coates’ boek is retorisch aanzwellend, soms wild irrationeel, maar altijd urgent en hoog literair. Between the World and Me won de National Book Award en Coates kreeg een gerenommeerde ‘genius grant’ van de MacArthur Foundation. Maar nog los van de sociologische of psychologische waarde opende Coates ook het debat verder over wat je misschien het best de ‘zwarte stem’ in de literatuur kunt noemen: hij haalde uit naar de culturele canon en sprak vol lof over de generaties van zijn grootouders: ‘They were rebelling against the history books that spoke of black people only as sentimental “firsts” – first black four-star general, first black congressman, first black mayor – always presented in the bemused manner of a category of Trivial Pursuit. Serious history was the West, and the West was white. This was all distilled for me in a quote I once read, from the novelist Saul Bellow. I can’t remember where I read it, or when – only that I was already at Howard. “Who is the Tolstoy of the Zulus?”, Bellow quipped.’

Op een bepaalde manier was het oude citaatje van Bellow een schot in de roos. Al langer wordt de discussie gevoerd over de summiere aanwezigheid van zwarte schrijvers in de literaire canon, of eigenlijk niet eens in de canon, maar simpelweg in de boekhandel. Waar lag dat aan? Deden redacteuren van uitgeverijen en literaire tijdschriften hun werk niet, stonden zij niet open voor niet-autochtone auteurs? Waarom was er nog geen ‘Nederlandse Zadie Smith’ gevonden? Een van de belangrijkste vragen was eigenlijk niet hoe-of-dat-dat-kon, maar – Coates indachtig – of dat een cultuur creëert waarin mensen reden hebben zich buitengesloten te voelen.

Op een bepaalde manier sloot de publicatie van een ander Groot Boek van 2015 onbedoeld mooi aan bij die vraag: Meursault, contre-enquête van de Algerijnse Kamel Daoud (in het Nederlands vertaald als Moussa of de dood van een Arabier). Meursault verwijst naar de hoofdpersoon van Albert Camus’ De vreemdeling, een Franse Algerijn die op het strand van Tanger een Arabier doodschiet. Daoud vertelt in zijn roman het verhaal van de vermoorde Arabier Moussa, hoe zijn familie op hem wacht terwijl de avond valt en hij niet thuis komt, hoe zijn dood de gevoelens van zijn broer doet verharden, radicaliseren.

De reacties in binnen- en buitenlandse media waren bijna uniform: dit boek was noodzakelijk. In De vreemdeling krijgt Moussa niet eens een naam, ook niet bij de rechtszaak tegen Meursault, het hele woord ‘Arabier’ valt in het hele boek maar 25 keer. Moussa was zodoende een correctie op Meursault.

Dat voelt moeilijk, dat ‘noodzakelijk’. Het suggereert bijna alsof Camus iets heeft nagelaten te doen, terwijl je een romanschrijver niet kunt verwijten geen aandacht te geven aan personages die niets met zijn verhaal te maken hebben. Want in feite heeft Moussa niets met Camus’ thematiek te maken. Het kernaspect van zijn hoofdpersoon is juist zijn onvermogen zich verbonden te voelen met zijn medemens, de maatschappij waarin hij woont, de wereld in de breedste zin. En dat kwam niet voort uit een koloniale blindheid voor de oorspronkelijke bewoner (in tal van andere geschriften toonde Camus zich hier juist heel gevoelig voor), maar was juist het gevolg van de existentialistische filosofie van de auteur, waarin een mens naakt op de wereld is geworpen, altijd alleen is, tevergeefs op zoek naar een lotsbestemming in een onverschillig universum. Dat de Arabier geen gezicht heeft, hoort juist in Camus’ filosofie.

En toch is dat niet een zaligmakende weerlegging van dat ‘noodzakelijk’. In feite hoeft er ook niets weerlegd te worden, maar moet er alleen iets naast worden gezet. Het roept een uitspraak in gedachten van James Baldwin (1924-1987), die nog steeds geldt als de patroonheilige van alle zwarte essayisten. In zijn essay Stranger in the Village beschrijft Baldwin zijn verblijf in een Zwitsers bergdorp en reflecteert hij op wat het is om als gekleurde man te leven in een witte maatschappij, waarbij hij specifiek nadenkt over de kunst en de letteren: ‘Vanuit het gezichtspunt van de macht kunnen [de Zwitsers] nergens ter wereld vreemdelingen zijn; feitelijk hebben zij de moderne wereld gemaakt, ook al weten ze dat niet. De meest ongeletterde onder hen is op een manier waarop ik dat niet ben verbonden met Dante, Shakespeare, Michelangelo, Aeschylos, Da Vinci, Rembrandt en Racine; de kathedraal van Chartres zegt hun iets wat mij niets zegt, zoals ook het Empire State Building dat zou doen, als iemand van hier dat ooit zou zien. Uit hun hymnen en dansen komen Beethoven en Bach te voorschijn. Als je een paar eeuwen teruggaat, zijn ze in hun volle glorie – terwijl ik in Afrika ben en de veroveraars zie aankomen.’

Zo komt hij op iets anders uit dan waar Coates op uitkomt. Coates sluit zich aan bij wat de sportschrijver Ralph Wiley zei over de opmerking van Saul Bellow: ‘Tolstoj is de Tolstoj van de Zoeloes’, tenzij je het verstandig vindt om universele eigenschappen van de mens af te schermen tot exclusieve eigendommen van bepaalde stammen. Dat is, Camus indachtig, precies wat je zou willen zeggen tegen de mensen die Kamel Daouds ‘correctie’ noodzakelijk vinden, namelijk dat Meursaults existentialisme universeel is, en dus net zo urgent zou kunnen zijn voor Franse lezers als voor Arabische. Dat is het humanistische ideaal van literatuur: het overstijgt grenzen en huidskleuren.

Waar Baldwin op uitkomt is pijnlijker: hij aanbidt de cultuur van Shakespeare, Rembrandt en Da Vinci, maar hij ziet zichzelf er nooit in weerspiegeld. Hij houdt van hen, maar zij niet van hem – want hij bestaat simpelweg niet in hun wereldbeeld. In hun tijd zou hij slechts een potentiële slaaf zijn. Het is intens tragisch en daar komt de noodzakelijkheid van Daouds correctie in terug; het geeft de potentiële slaaf een eigen stem.

In 2014 publiceerde de jonge Nigeriaans-Amerikaanse schrijver Teju Cole, beroemd geworden met zijn debuut Open stad, een reactie-essay op Baldwin, getiteld Black Body: Rereading James Baldwin’s ‘Stranger in the Village’ (De Groene publiceerde de vertaling, 3 september 2014). Cole zei dat hij niet mee kon gaan in Baldwins sentiment: tegenover Shakespeare, Rembrandt en Da Vinci stonden inmiddels Coltrane, Monk, Miles Davis, Aretha Franklin, Derek Walcott, Toni Morrison, noem maar op.

Premier Rutte zei vorig jaar dat hij geen voorstander was van het afschaffen van Zwarte Piet, of van positieve discriminatie – minderheden moesten zich vooral ‘invechten’ in de maatschappij. Teju Cole zou zeggen dat dat invechten op cultureel gebied al lang genoeg aan de hand is, een overzicht van het literaire jaar 2015 toont dat de zwarte stem in de letteren steeds grotere zeggingskracht krijgt. Het is, opnieuw, een buitengewoon humanistisch idee: dat de letteren ingezet worden om te zeggen: ‘Ik ben een mens.’