Tom Bell

Tom Bell

*2 augustus 1933

In het Verenigd Koninkrijk loopt dezer dagen de zevende serie van Prime Suspect, waarin Helen Mirren… schittert, wou ik zeggen, maar schitteren is het verkeerde woord. Haar Inspector Jane Tennison is een vrouw zonder glans. Haar wereld is morsig, beurs, liefdeloos, vaal; ze is de vleesgeworden achterdocht, ze stoot de mensen die haar mogen af, ze is te hard en te scherp en te bot. Ze lijdt onder haar zelfgekozen leven. Ze heeft geen thuisfront, geen kinderen. Ze drinkt en ze rookt, filthy habits. Ze is een eenzame vrouw in een wereld van doortrapte, brute, laffe en gewelddadige mannen – en dat zijn dan alleen nog maar haar collega’s. Maar tussen die collega’s is er één die haar gaandeweg toch begint te respecteren en die zij, met vallen en opstaan, toch begint te vertrouwen: de bittere, sarcastische detective-sergeant Bill Otley, gespeeld door Tom Bell. Type ruwe bolster, ruwere kern.

Prime Suspect toont de Engelse politiewereld als een kwaadaardige, racistische en misogyne wereld waarin de grens tussen de handhavers en de overtreders nauwelijks te zien is en geldt daarom als baanbrekend, maar helemaal juist is dat niet. Die toon werd eerder gezet door Out (1978), ook wel bekend als Frank Ross Is Out. Daarin keert een beroepscrimineel terug uit de gevangenis, op zoek naar wraak op de collega’s die hem erbij gelapt hebben, en op de corrupte politiemannen die met de bad guys onder één hoedje hebben gespeeld. Met ijzige vastberadenheid waadt deze Frank Ross door de misère van arm, nat, somber, grijs, rokerig, corrupt Londen. Ook Frank Ross werd gespeeld door Tom Bell.

Bell had een gezicht dat u tientallen keren in Britse series (en een enkele Hollywoodfilm) in het voorbijgaan zag. Hij hoorde tot de generatie van Albert Finney, Ian McKellen, Alan Bates en Tom Courtenay, die begin jaren zestig naar voren kwam in films als Saturday Night and Sunday Morning en The Loneliness of the Long Distance Runner. Bell bereikte nooit de status van die anderen. Hij gold als brutaal, en lastig, maar op de Britse tv en op de podia was hij niettemin een vaste waarde. In 1979 speelde hij naast Ian McKellen in de première van Bent, het verhaal van twee homoseksuele gevangenen in Dachau, even grimmig en hypnotiserend kalm als in Out. Daarna: Feliks Dzerzjinski, de lugubere aartsvader van de Russische geheime dienst, in Reilly, Ace of Spies. Nog later: Jack ‘The Hat’ McVitie in The Krays, ook al zo’n kil, wreed Londens misdaadverhaal.

Bell was een unieke acteur. In Ross, Dzerzjinski en Otley verenigde hij walging en mededogen, sarcasme en liefde in één persoon. Bitter vervormd door de wereld waarin hij moet leven, maar tegelijk – tot zijn eigen verbazing – geneigd tot het goede, zij het in kleine doseringen. In Bells blik lagen tegelijkertijd de keiharde afgrijselijke waarheid van het leven én een merkwaardige vorm van innerlijke schoonheid, of misschien wel: die legendarische weemoedigheid die niemand kan verklaren. B 4 oktober 2006