Tom van Deel, 21 februari 1945 – 12 augustus 2019

Dichter en literatuurcriticus Tom van Deel heeft velen – onder wie andere dichters, vrienden en studenten – laten zien wat poëzie is, haar essentie geopenbaard. De gedichten die hij zelf schreef waren bijzonder beeldend.

Van de myriaden manieren die mensen bedenken om niet dood te gaan was die van Tom van Deel, tegen het eind van zijn leven, een van de wonderlijkste. Na zijn scheiding lukte het hem om, tot veler verbazing en ook ontzag, een periode niet te drinken. In die maanden ging hij tekenen, met een fineliner. Op briefkaartformaat maakte hij, elke dag weer na het hondsmoeilijke ontwaken, tekeningen van steeds hetzelfde onderwerp: een ontkiemende herfsttijloos. Dat is een scharminkelig plantje dat zonder aarde tot een roekeloze bloei en naakte wortelvorming kan komen. Van Deel hield ongetwijfeld van het woord herfsttijloos. Hij tekende er duizenden.

Hij is de schrijver van nog geen tweehonderd gedichten, veelal korter dan tien regels. Een oogwenkberekening leert dat we te maken hebben met hooguit tweeduizend dichtregels, geschreven in ruim vijftig jaar. Niet alleen deze gedichten, maar ook de regels ervan neigen naar kort – zelden meer dan elf lettergrepen. Per gedicht maar een paar zinnen, hooguit vier. Laten we zeggen dat Tom van Deel per jaar twintig regels poëzie aan de mensheid heeft geschonken, vier gedichten, twaalf tot vijftien zinnen.

De boom laat ons het uitzicht na

op zijn afwezigheid.

Van Deel droomde, geloof ik, van het gedicht dat in één oogopslag in het bewustzijn kon worden opgenomen, zoals een tekening of gezicht. Dit is onmogelijk, lezersogen hebben tijd nodig om het traject van het eerste woord linksboven naar de punt rechtsonder af te leggen. Van Deels zinnen zijn voor moderne poëzie ongebruikelijk toegankelijk, toch eisen ze hun tijd op om tot je door te dringen, zoals alles wat zorgvuldig is. Niettemin zijn er weinig dichters wier afzonderlijke gedichten zozeer als een beeld op je inwerken.

Zoals sneeuw, zonder te weten waarom,

van takken glijdt, het is middag – de zon

beschijnt glanzend de val van een last

die bleek zich bevrijdt – en opheft

de stille verduring van wie maar verdroeg.

Toen we elkaar leerden kennen in januari 1973, op de nieuwjaarsborrel van Uitgeverij Querido, moest mijn debuut nog verschijnen. Tom was zeven jaar ouder, 28, had twee bundels met anekdotische-autobiografische gedichten op zijn naam staan. Hij had drie gedichten geschreven die over zijn moeder gaan; dat zouden de enige blijven. Rie, gestorven in het kraambed van een miskraam. Hij was acht.

Zoals ze daar lag

Hooguit tweeduizend dichtregels in vijftig jaar

wilde ik liever niet weten

dat ze mijn moeder was. De buik,

een broertje dood had ik eraan.

Hij heeft mij geïntroduceerd bij Chris van Geel, voor wie ik een verering koesterde (en ben blijven koesteren) groter dan van de kikker voor de prinses: er stond in mijn debuut geen gedicht dat niet door Van Geel gekust was. Tom was, zo bleek, een ‘tuttelaar’. Zo noemde Van Geel iemand die hem, als een redacteur, hielp met begrijpen, of beter: met zien, ‘of het iets was’. Van Geel cultiveerde als surrealist het idee dat hij niet wist wat hij deed als hij schreef – hoe helder en empirisch nauwkeurig zijn zinnen ook waren. Tom wist te vertellen dat Van Geel in het laatste oorlogsjaar een boom zag die vergroeid was met prikkeldraad. Hij wist niet hoelang Van Geel dit beeld in zich heeft opgenomen, maar wel dat hij uiteindelijk zei: ‘Wat is dat, dat is wat, hè?’ Het zou nog tot eind jaren zestig duren voor het een vierregelig gedicht werd, Boom als hekpaal. Van dat gedicht zullen we onverkort, en voor altijd, blijven verzuchten: ‘Wat is dat, dat is wat, hè?’

Iets maken waar je van wil weten wat het betekent, terwijl je het al begrijpt.

In een essay spreekt Van Deel van het ‘openbaringskarakter’ van een gedicht in de Van Geelse (maar ook Van Deelse) zin, ‘dat niet in de uitleg, in het daadwerkelijk onthullen van betekenis schuilt, maar in de uitnodiging die elk gedicht is om de erin aangeboden beeldspraak te lezen, te interpreteren, te duiden.’

Dat het zo vaak heeft gekund, de eerste twee decennia van onze vriendschap: praten over wat poëzie is, daar ben ik hem dankbaar voor. Praten over wat betekenis is, over wat het betekent dat betekenis alles is, met altijd een gedicht op schoot, altijd beeldspraak voor ogen, altijd een vinger bij een syntactische crux, met Vestdijk (wiens Nagelaten gedichten hij bezorgde) en Van Geel en Kopland in de rug… Hij deed het met velen, vooral met studenten, hij was sinds 1969 docent aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was geen wetenschapper, zijn proefschrift over het ‘beeldgedicht’ is nooit voltooid; maar hij was wel iemand die een soort gedroomde Neerlandistiek realiseerde: mensen het ware lezen bijbrengen, in een zoekende, socratische dialoog.

Tweehonderd gebalde gedichten in vijftig jaar, duizenden recensies (voor Trouw) in veertig jaar. Mateloos, ik heb weinig mensen zo genietend meegemaakt, hoe hij zwom in zee, als een jonge labrador. En toch – hoe hield hij in zijn gedichten maat, hoe liet hij zijn regels slijpen, hoe goed kon hij wachten op het ene woord dat meer betekende, minder afbakende. Er moest onnoemelijk veel bijeengehouden worden, met de naalden van taal die hij voorzichtig legde op de afgrond van verdwijnen, van afwezigheid, van missen.

De volgende dag met schoolreisje

bedacht ik op het nippertje

een ansicht te versturen.

Die heeft ze nooit gekregen

zei mijn vader toen ik wakker werd.