Tom Wolfe, 2 maart 1930 – 14 mei 2018

Tom Wolfe fileerde de hedonistische cultuur van de jaren tachtig als geen ander. Uiteindelijk maakte hij van zijn imago een merk, en ging zelf in dat merk geloven.

Een paar jaar geleden, toen zijn roman Terug naar het bloed was verschenen, mocht ik Tom Wolfe interviewen in New York. Een lift bracht me naar de zoveelste verdieping van een statig gebouw aan de Upper East Side; de deuren gingen open en daar stond Tom Wolfe, in zijn onberispelijke witte pak, met een weldadig pochet, een bebloemde das. Hij stond er pontificaal als een standbeeld, met zijn ene hand in zijn zij, de andere hand op een wandelstok. Stoer, dramatisch, uitdagend.

Overal in zijn huis hingen portretten van hemzelf, de babyvleugel leek er vooral te staan zodat hij iets had om zijn ingelijste foto’s op te zetten. Vanuit het raam keek je uit op het Metropolitan Museum, daarachter Central Park.

Uiteindelijk kwam dat karakteristieke witte pak ter sprake, zijn trademark. Als hij op reportage ging droeg hij het niet, zei hij. ‘Dan heb ik een baseballpetje op en ben ik het mannetje van Mars. Ik zeg bij alles: “Goh, echt waar?” Als ik een bijdrage aan de psychologie heb geleverd – waarschijnlijk niet, maar toch – dan is het wat ik “information superiority” noem. Dat houdt in dat mensen die iets weten wat iemand anders niet weet zich superieur voelen. Daar kun je als journalist heel goed op inspelen. Ik merk het bij mezelf: als iemand me de weg vraagt en ik weet ’m, dan kan ik niet uitgebreid genoeg antwoorden.’

Later zei hij nog: nee, als ik thuis zit te schrijven, dan heb ik dat witte pak niet aan.

Pas later bedacht ik: waarom heb je het dan nu wel aan?

Omdat Tom Wolfe – net als zijn generatiegenoten Gore Vidal, Norman Mailer en Philip Roth – heel goed snapte dat het enige product waar geen Amerikaan genoeg van krijgt de celebrity is. Waar Gore Vidal zichzelf als pasja van de letteren presenteerde, Mailer in het openbaar met zijn demonen worstelde, Roth zichzelf in verschillende gradaties mystificeerde, maakte Wolfe een brok marmer van zichzelf, koel en onaantastbaar. Wat dat betreft was dat onkreukbare witte pak zo goed gekozen; hij maakte nooit zijn knieën vuil.

Wolfe maakte een brok marmer van zichzelf

Zijn succes was er al lang voordat hij in 1987 The Bonfire of the Vanities publiceerde: vanaf de vroege jaren zestig publiceerde hij in toonaangevende bladen als Esquire lange, verhalende essays en reportages over alles wat nieuw was in de Amerikaanse cultuur: Las Vegas, raceauto’s, hippies, lsd, salonsocialisme, ruimtevaart. Dit waren de jaren van het tot in den treure gecanoniseerde ‘New Journalism’, waarin journalisten hun onderwerpen met de speelse stijl en psychologische diepgang van romanschrijvers te lijf gingen. Wolfe deed dat niet als romancier, maar als cartoonist. Hij vergrootte graag, maakte opgeblazen persoonlijkheden nog opgeblazener, hanteerde een stijl die uitpuilde van de wilde interpunctie, schuin gedrukte woorden, hele series puntkomma’s en vooral, zijn favoriet, onomatopeeën. Bij Wolfe klinken popnummers ‘thung HUMP thung TRUST thung BEAT thung’ en doen auto’s ‘Wah-Wah-VROOOEEMM’. Het maakte van Wolfe een populaire schrijver, maar eentje wiens prijzenkast in vergelijking met zijn meer literaire collega’s angstvallig leeg bleef.

Het waren de polariserende New Yorkse jaren tachtig – durfkapitaal tegenover massale dakloosheid – die Wolfe naar zijn appartement aan Central Park brachten. En de begeerde lof van de literaire wereld gaven. Opnieuw focuste hij op een relatief nieuw fenomeen, de subcultuur van de Wall Street-handelaren, de ‘Masters of the Universe’, met hun megalomane ego’s en dito bonussen. En opnieuw hanteerde Wolfe de schrijfstijl van een striptekenaar, waarbij elke persoonsbeschrijving, elke dialoog, elk decor larger than life aanvoelde. The Bonfire of the Vanities was in de boekhandel niet aan te slepen en definieerde de hedonistische cultuur van de jaren tachtig.

Zijn daaropvolgende roman liet elf jaar op zich wachten: A Man in Full. Een soortgelijk verhaal als Bonfire, met soortgelijke XXL-personages, maar nu gesitueerd in Atlanta, Georgia. Voordat het verscheen publiceerde Wolfe een essay in Harper’s dat las als een beginselverklaring van de auteur. De literatuur moest terugkeren naar het realisme van Zola, Balzac en Dickens, waarin de schrijver de straat op ging en zich in zijn fictie engageert met de samenleving. Op het eerste gezicht was dat een mooi pleidooi, op het tweede zat er toch ook een zekere mate van superioriteit in: de man die de bestseller van het decennium had geschreven, vertelde zijn collegaatjes wel even wat ze fout deden. Dat was even te veel information superiority.

En dat vergaten die collegaatjes niet. Hoewel A Man in Full wederom de bestsellerslijstjes beklom, stonden grote namen klaar om hem de maat te nemen. Norman Mailers bespreking in The New York Review of Books spande de kroon: ‘Het is een boek van 742 bladzijdes die lezen als 1500 bladzijdes (…) Dit boek lezen is alsof je naar bed gaat met een vrouw van honderdvijftig kilo. Als ze bovenop je klimt, is het afgelopen. Of je wordt verliefd, of je wordt verstikt.’

In de jaren na A Man in Full publiceerde Wolfe nog een paar romans, die beter verkochten en meer aandacht kregen dan de gemiddelde schrijver in zijn hele carrière, maar het niet haalden bij zijn eerdere boeken. I Am Charlotte Simmons (2004) flopte. De kritiek die je veel hoorde bij wat zijn laatste roman zou blijken, Back to Blood (2012), was dat Wolfe zichzelf te veel was gaan zien als die man in het witte pak: hij had van zijn imago een merk gemaakt, maar was zelf in dat merk gaan geloven. Zijn schrijfstijl leek een parodie op zichzelf.

Wat niet wegneemt dat Wolfe die middag een vriendelijke, welwillende man was. In het boek dat hij voor me signeerde staat een adres geschreven; daar zat volgens hem de beste broodjeszaak van Manhattan.