Tomeloze ambitie

De briefwisseling tussen Allen Ginsberg en Jack Kerouac laat zien dat hun vriendschap niet dreef op eerlijkheid. Ze gebruikten elkaars literaire en sociale kracht om verder te komen.

Eind september 1957 schrijft de Amerikaanse dichter Allen Ginsberg vanuit Amsterdam aan zijn vriend Jack Kerouac in New York dat het een ‘great town’ is waar iedereen Engels spreekt. Bovendien zijn er hippe ­dichterscafés, bebopbars en surrealistische tijdschriften waarin Beat-schrijvers als Burroughs, Corso en hijzelf de ruimte krijgen. En natuurlijk zijn er de lieflijke grachten, tientallen Van Goghs in ‘magnifieke musea’ en de Walletjes, ‘netjes, keurig en rustig’, waar de hoeren al breiend op hun klanten wachten ‘als Hollandse poppen in poppenhuisjes’. In de Amsterdamse jazzkelder Bohemia aan de Looiersgracht ontmoet Ginsberg Simon Vinkenoog, die meteen in de Haagse Post propaganda maakt voor de Beat Generation. De oerbetekenis van beat in het Manhattan van vlak na de Tweede Wereldoorlog was: terug naar de kern, naar de essentie van het leven. Beat betekende ook sociaal en financieel ‘aan de grond zitten’, maar die precaire maatschappelijke positie heeft tegelijkertijd iets non-conformistisch: verzet tegen het kleinburgerlijk gezin met vaders negen-tot-vijfbaan op kantoor. Vinkenoog negeert aanvankelijk die verzetshouding en neemt Kerouacs verheven opvatting van beat over: ‘Beat in de betekenis van beatific: hemelse zaligheid. De verrukking van de schoonheid, in al haar vormen, ook de mystieke, dat is wat zij als inhoud van het leven zoeken.’ Die omschrijving staat in de door Vinkenoog vertaalde Ginsberg-bloemlezing Proef m’n tong in jouw oor (1966).

De naam Vinkenoog komt in de pas nu uitgegeven verzamelde correspondentie tussen Ginsberg en Kerouac niet voor, maar de onvermoeibare poëzieambassadeur Vinkenoog is moeiteloos te verbinden met het aanstekelijke dichtersenthousiasme van performer Ginsberg.

Ginsberg, in 1956 in San Francisco zeer succesvol gedebuteerd met de bundel Howl, schreef zijn brief aan Kerouac op een cruciaal moment. Nog geen maand eerder namelijk had The New York Times een lovende recensie gepubliceerd van On the Road, waardoor Kerouac eindelijk – na vele jaren zwoegen, typen, herschrijven, leuren en wachten – literair gelanceerd werd. Maar de fascinerende Kerouac-Ginsberg-briefwisseling The Letters is dan al vergevorderd en al lang over het hoogtepunt heen. De paranoïde alcoholist Jack Kerouac kan de media-aandacht niet aan en zakt langzaam weg in een isolement dat hij min of meer koestert. Liever de roes van de drank en de eenzaamheid dan de roes van de roem. Hij sterft in 1969. De meer vitalistische Ginsberg overleeft hem bijna dertig jaar.

De briefwisseling tussen de grondleggers van de Beat Generation gaat daverend van start in augustus 1944, als Kerouac 22 is en Ginsberg zeventien en ze elkaar al regelmatig ontmoeten op en bij de campus van Columbia College in New York. Niet de Tweede Wereldoorlog is groot nieuws maar een moord gepleegd door een wederzijdse vriend. Kerouac wordt gearresteerd omdat hij heeft geholpen bij het wegwerken van bewijsmateriaal. De jonge Ginsberg schrijft naar Kerouac in de Bronx County Jail, onder meer over Gogols Dode zielen: ‘De duivel in Gogol is de Demon Middelmatigheid, ik weet zeker dat je het boek daarom zal waarderen.’ Kerouac komt snel vrij, trouwt maar wordt geen echtgenoot en begint als een razende te schrijven.

In het bevrijdingsjaar 1945 schrijft Ginsberg dat Kerouac een completere Amerikaan is dan hij, en ook dat hij geen romantische visionair is, al hunkert hij naar liefde die hij in zijn jeugd heeft ontbeerd. ‘Ik ben een jood (…). Maar ik sta vreemd tegenover jouw natuurlijke elegantie, tegenover de geest die jij zou kennen als deel­nemer in Amerika.’ Hij noemt zich een balling van zichzelf, iemand die uit zichzelf wil ontsnappen. Of er een verband is tussen deze uitspraken en zijn hallucinaties van een paar jaar later weet ik niet, zeker is dat hij in een kamer ergens in East Harlem de stem van William Blake hoorde die gedichten reciteerde, waarna Ginsberg leefde in zo’n verhoogde staat van bewustzijn dat gek worden niet denkbeeldig leek: ‘Dear Jack, ik ben krankzinnig verbaast dat je? Ha! Ik denk dat mijn geest verkruimelt, net als crackers.’ Het zal een cruciale ervaring in zijn leven zijn. Een jaar later, nadat hij is gearresteerd omdat hij door anderen gestolen goederen in zijn appartement heeft staan, komt Ginsberg in een psychiatrische inrichting in New York terecht. Vanuit dat ‘bughouse’ stuurt hij op 13 juli 1949 een schitterende brief over de ‘gekken’ die hij in de inrichting tegenkomt. ‘I take my madhouses seriously.’ Nachtmerries zijn de dagelijkse gang van zaken bij mensen die hun geheugen half of helemaal kwijt zijn, is zijn observatie, en de meeste patiënten hebben meer visioenen op één dag dan hij in een jaar. Een van de interessantste patiënten is een zekere Carl Solomon, een Rimbaud-achtige jongeman die op zijn 21ste ‘zelfmoord’ wilde plegen door met een exemplaar van Djuna Barnes’ roman Nightwood bij de voordeur van de inrichting aan te kloppen en een lobotomie te eisen. Die ontmoeting tussen Ginsberg en Solomon was de bron van zijn echte dichterschap en het begin van zijn lange litaniegedicht Howl, opgedragen aan Solomon: ‘Ik zag de besten van mijn generatie verwoest worden door waanzin,/ Hongerend hysterisch en naakt,/ die zich sleepten door vroege negerstraten op zoek naar/ verlossing van hun kwaad.’ Hier klinkt de ware beat-stem, die af en toe doet denken aan onze ­Lucebert en zijn poëtische verdediging van provo: de hipsters ‘die sigarette­gaten in hun armen brandden protesterend tegen/ de verslavende tabaksdampen van het Kapitalisme…’ (vertaling Vinkenoog)

Jack Kerouac heeft de opgenomen Ginsberg dan net onthuld dat hij bezig is met zijn opus: On the Road. Zijn muze heet Neal Cassady (Dean Moriarty in de roman), een sociaal en seksueel ongeleid projectiel dat zich van God noch gebod iets aantrekt: hij belichaamt de pure vrijheid, de grenzeloze ongebondenheid, de Wanderlust zonder enige binding, het avontuur van eeuwig platzak onderweg zijn. Voor de verteller van On the Road, Sal Paradise, is Cassady ‘de beatnik – de wortel, de ziel van Beatific…’, iemand met de geweldige energie ‘van een nieuw soort Amerikaanse heilige’, voortgestuwd door benzedrine, een pluk-de-dag-persoonlijkheid. Dat Cassady tegelijkertijd een confidence man is, dat wil zeggen een onweerstaanbare oplichter en gladprater die een spoor van vernieling in zijn leven achterlaat, is na te lezen in de degelijke biografie Kerouac: His Life and Work (2004) van Paul Maher Jr.

Vanaf 1949 tot aan de publicatie in het najaar van 1957 schrijft Kerouac tientallen versies van zijn beatroman. Aan Ginsberg in het gekkenhuis schrijft hij: ‘Ik wil schrijven over de gekke generatie, die zichtbaar maken, gewicht geven en alles weer veranderbaar maken, zoals dat elke twintig jaar gaat.’ De binnenwereld is voor Kerouac, zo blijkt uit zijn brieven, thuis, moeder en boerderijen en onsterfelijk. De buitenwereld van On the Road (Cassady, Ginsberg, William Burroughs, oorlog, werk, liften, politie, gevangenis, vrouwen versieren) associeert hij met ‘het-halve-leven-is-de-dood’. Door de Depressie en de oorlog was het pionierende Amerika verdwenen, verloren. Door een dynamische, ‘spontane’ schrijfstijl te ontwikkelen vol impulsieve wendingen wilde de patriottische Kerouac een literaire krachtcentrale aan zijn land leveren: permanente beweging, als een liftende jojo door alle staten schieten en genieten van alles wat op je pad komt.

Kerouac werd dan ook razend toen zijn literaire buddy Ginsberg het waagde om in juni en in november 1952 een vroege versie van On the Road met spontane scherpte te bekritiseren. Onmogelijk om het in deze vorm gepubliceerd te krijgen, oordeelt hij. Het verhaal is veel te particulier, er zit te veel seksueel geladen taal in, de mythologische verwijzingen blijven te lokaal en de beelden hangen als los zand aan elkaar. Geen uitgever die daar een betekenisvolle roman van kan maken. Hij maakt zich zorgen om het boek. ‘It is crazy (not merely inspired crazy) but unrelated crazy.’ En dat is nog maar het begin van Ginsbergs eerlijke, concrete kritiek. Puntsgewijs wijst hij Kerouacs zwakke plekken aan: Neal Cassady’s levensgeschiedenis blijft onduidelijk; de reacties van de verteller zijn achronologisch zodat het moeilijk wordt te zeggen wat wanneer gebeurde; de surrealistische scènes zijn duister; je hebt maar wat gedachteloos geplakt en geknipt, de opbouw is hier en daar ‘modderig en krakkemikkig’, enzovoort en zo verder. On the Road ‘slaat nergens op’, ontbeert plot en richting.

Na de furieuze reactie van Kerouac blijft Ginsberg vasthouden aan de essentie van zijn kritiek, al waardeert hij wel ‘de voortdurende briljantheid van de taal’. Maar door het realiteits­element van het boek raakt hij ‘verveeld, omdat het deels een reeks losse incidenten vormt die alleen via algemene associaties verbonden worden’. De vorm is niet overrompelend genoeg om verder te willen lezen. On the Road redt het niet door alleen de verbale virtuositeit. Ginsberg wilde Kerouac een oprechte vriendendienst verlenen door gedetailleerd kritiek te leveren zodat het boek publiceerbaar werd, maar ­Kerouac reageerde alsof hij literair werd vermoord. Hij bond wel weer in, maanden later, maar de eerste ernstige scheur in hun vriendschap was niet meer te ontkennen. De verwijdering werd groter naarmate Kerouacs paranoia (‘dit mag je niet stelen!’) groter werd en zijn antisemitisme rabiater (in de Amerikaanse literatuurbonzen ging ­Kerouac in de jaren zestig joodse maffia zien).

De briefwisseling tussen Ginsberg en Kerouac is onthullend omdat hun vriendschap dreef op tomeloze ambitie, leergierigheid en… nee, niet op eerlijkheid. Ze gebruikten elkaars literaire en sociale kracht om verder te komen. Toen Ginsberg in 1956 succes kreeg met Howl en Kerouac een jaar later doorbrak met On the Road, was de vriendschap al jaren over het hoogtepunt heen. De roem schiep verplichtingen, fataal veel verplichtingen voor Kerouac, die zich verder en verder terugtrok uit het turbulente literaire leven. Ginsberg genoot van zijn bekendheid en groeide in de jaren zestig uit tot een beroemde, geëngageerde dichter die naadloos in de tijdgeest – Vietnam, studentenprotest, zenboeddhisme – paste en soms zelf het ritme, de beat, aangaf.

Want beat herbergt nóg een betekenis, een muzikale. In Jack Kerouac and Allen Ginsberg: The Letters staan honderden verwijzingen naar jazz en jazzmusici. De bebop was een openbaring voor de taal- en klankgevoelige schrijvers in spe. Kerouac omschrijft de eerste bebopper Charlie Parker in On the Road als ‘een bezielde dopegek die de gehele geschiedenis van de jazz in zich herbergde’. De gedrogeerde, improviserende jazz­solist zoekt ook naar de melodie van het leven: ‘Er is altijd meer, het kan altijd verder – het houdt nooit op.’ Soms, in een flits, vindt een jazzvirtuoos als Charles Mingus of ­Thelonious Monk die melodie, om haar het volgende moment weer kwijt te raken. Dát is ook de flinterdunne verhaallijn van On the Road, die inderdaad veel meer drijft op verbale beweeglijkheid dan op plotgerichte betekenis. Kerouac was de man van de literaire improvisatie, die in poëzie meer gedijt dan in proza. ‘Want de poëzie is muziek geworden en het gesproken dichterlijke woord een beat.’ (Vinkenoog in Allen Ginsberg: proef m’n tong in je oor)

Met zijn vroege kritiek op On the Road had Ginsberg gelijk. Kerouacs onvaste beat-stijl is soms meeslepend, maar het verhaal blijft los zand en roept slechts nostalgische gevoelens op aan vroeger, toen we geen geld hadden, wel in beweging wilden komen en daarom gingen liften, ‘overal naartoe rijdend’ zoals wereldreiziger William T. Vollmann het omschrijft in zijn reisboek Riding toward ­Everywhere (2008), waarin hij On the Road kritisch becommentarieert.