17 juni 1919 – 3 mei 2009

Ton Lutz

Als regisseur heeft hij het Nederlandse toneel een ander aanzien gegeven. Dat hij daarnaast leraar is gebleven hoorde erbij. Zijn regies waren lessen in de essentie van toneel.

VIEL TON LUTZ eigenlijk wel te regisseren? Hij deed daar joviaal over. Als hij zelf de touwtjes niet in handen had, dan kon hij zich loyaal overgeven aan zijn regisseur. Zei hij. Dat liep soms anders. Een regisseur had Lutz tijdens de repetities naar eigen zeggen ‘zo ver gekregen’ dat hij in de lange openingsscène – naast het verklanken van een mooie tekst – op het voortoneel op een krakende stoel zijn nagels zou knippen. Niets meer, niets minder. Toen het doek voor de eerste try-out opging, zat Ton Lutz op het achtertoneel op een bed (ook krakend) om zichzelf veertig minuten lang – de prachtige tekst verklankend én nagelknippend – naar de stoel op het voortoneel te acteren. Regisseur wóedend. De Toneelspeler kwam na afloop met een onschuldige blos op de konen vertellen dat hij nog iets wilde uitproberen – het was per slot een try-out.
Of het nog goed gekomen is weet ik niet. Lutz hield overigens wel van regisseurs die hem uit balans konden brengen, al was het maar voor even. Toen hij in de herfst van 1989 in een loods in het westelijk havengebied van Amsterdam Shakespeare’s Lear repeteerde, en de lang uitgestelde stormscène in het derde bedrijf aan bod kwam, trok Ton Lutz naar verluidt een register open dat men lang niet van hem had gezien of gehoord. Na een lange stilte zei de Vlaamse regisseur Sam Bogaerts: ‘Allee, ja, Ton, dat kan. Maar… speelt die’n tekst nu eens alleen voor míj.’
In de voorstelling stond De Toneelspeler in een klein sliertje water bijna te fluisteren: ‘Blaas, wind, en scheur je wangen!’ Ik kreeg het dan koud van kruin tot tenen. Dat gebeurde ook als een paar aktes later Ton Lutz (Lear) en Peter Oosthoek (Gloucester) samen op de hei zaten te praten. Toch was die Koning Lear als voorstelling niet goed. Misschien had de regisseur van dienst te veel respect voor De Toneelspeler die als regisseur toen al lang de status van Maestro had bereikt, en die van Toneelmeester en – als het even niet liep zoals het moest lopen – van Geneesheer-Directeur van het Nederlands Toneel.
Een maestro was Ton Lutz zeker. Niet zozeer omdat hij het toneelspelen als een vorm van hardop denken en argumenteren beschouwde en het begrip ‘intellectuele emotie’ introduceerde (dat hadden anderen voor hem al gedaan), en ook niet omdat hij voor de Nederlandse toneelspeler daadwerkelijk een bruggenhoofd bouwde tussen de pionier van het gevoels- en sfeeracteren Stanislawski en de uitvinder van het vertellend spelen Brecht. Zijn betekenis voor het Nederlandse toneel is groter en breder.
Ton Lutz heeft de Nederlandse toneelspeler tegen zichzelf in bescherming genomen. Eerst door de vooroorlogse toneelgalm – in zijn eigen bewoordingen ‘pogingen om dramatisch leven in mensen te pompen met uiterlijk geweld’ – te elimineren. Inclusief alle ruis aan gestiek en poses die daarbij hoorden. Hij gaf de toneelspelersgeneratie die uit de oorlog was gekomen aan zichzelf terug, maakte duidelijk dat ze het ook konden zonder een overdaad aan lawaai en gezwaai, indachtig de lessen van Hamlet.
Dat deed Ton Lutz overigens wel met de onontbeerlijke steun van de schilderachtige Russische maestro en vakman Pjotr Sjarov, wiens eerste en belangrijkste leerling hij was. Toen Sjarovs Hollandse pionierswerk eenmaal gezaaid bleek op vruchtbare bodem, zo rond het eind van de jaren zestig, kon Ton Lutz met zijn feilloze, op een combinatie van traditie en het aanvoelen van de polsslag van de tijd gebaseerd vernieuwingsinstinct, voor de tweede maal oogsten. Door middel van een bevrijdend frisse herlezing van zowel de gemarmerde Grieken als de altijd nostalgisch geïnterpreteerde Russen, én zijn goede neus voor nieuw toneelschrijftalent.
In die kwaliteiten heeft hij onzegbaar veel betekend voor de emancipatie en evolutie van het Nederlands toneel, zowel voor de kunstvorm als voor het vak van toneelspeler. Ton Lutz staat midden in een traditie die hij tegelijk afbrak en mede nieuw creëerde en die zijn leerlingen en geestverwanten weer op ideeën bracht. En met de energie die dát weer in hem losmaakte, werd hij op afstand een van de grootste toneelleraren die Nederland ooit heeft gekend.
Gelukkig is er één masterclass, in 1989 door de NOS met een gretig publiek opgenomen en intelligent gemonteerd, bewaard gebleven. Hij werkte daarin aan twee scènes uit de toneeltekst die hem altijd is blijven uitdagen, waarmee hij als regisseur twee keer, in 1954 met Ank van der Moer en in 1975 met Anne-Wil Blankers, Nederlandse toneelgeschiedenis heeft geschreven: Elektra van Sophokles.
Ook als toneelleraar haalde hij altijd weer die tekst uit zijn beduimelde, uit elkaar vallende, in de laatste vijftien jaar opvallend fris gerenoveerde toneelkoffertje. Hij bleef in Sophokles’ meesterwerk ‘grasduinen’, volgens Van Dale ‘naar hartelust toetasten, zich er geheel in verdiepen’. Je ziet hem met geheven vinger dat laatste woord onderstrepen: ‘Let wel, niet: zich er geheel in verliezen, verdiepen – dát is het woord.’
Door zijn enorme staat van dienst en zijn hoge leeftijd is Ton Lutz met name in de laatste jaren op een voetstuk geplaatst waar hij eigenlijk niet echt thuis hoort. Als de tijd eenmaal zijn filterende werk heeft gedaan, zal blijken dat hij de primus inter pares is geweest op de lange reis langs de grote weg van de Nederlandse toneelavonturiers, die voert van Van Dalsum en Verkade, via Erik Vos en Peter Oosthoek, naar Gerardjan Rijnders en Jan Joris Lamers.
En zoals zijn leerling van het eerste uur, Peter Oosthoek tijdens het afscheid op Westgaarde al profeteerde: het zal lang duren voor het merkteken dat Ton Lutz in het toneel brandde, zal zijn vervaagd.