Toneel een mal verlangen

Bij De Slegte in de Amsterdamse Kalverstraat vond ik vorige week Ik kijk terug (1934) door mevrouw Esther de Boer-van Rijk, de beroemdste Kniertje uit Heyermans’ Op hoop van zegen. Ik heb haar huiveringwekkend archaische (en mooie) toneelstem nog eens opgezocht, een monoloog uit het derde bedrijf, waarin de vissersvrouwen tegen elkaar opbieden over hun mannen die op zee zijn ‘gebleven’ - een Heyermans-eufemisme voor ‘verzopen’. Esther de Boer-van Rijk (‘tante Hes’ voor Heyermans) speelde volgens mij mooier dan ze schreef, maar haar anekdoten zijn wel zeer vermakelijk.

Mevrouw De Boer leert - op haar zestigste! - zwemmen. Een dikke mevrouw, die niet verder durft dan het pierebadje, spreekt de beroemde actrice aldus aan: ‘Bent u niet het pannetje van Heyman?’ 'Tante Hes’ kon er hartelijk om lachen.
In een provinciestad werd mevrouw Esther de Boer-van Rijk gehuldigd voor haar zoveelste Kniertje; ze speelde de rol 1200 keer. Een oud-minister - de naam wordt discreet vermeden - speechte prachtig. Maar hij was de naam van het vissersvrouwtje vergeten. 'Hij noemt mij Kliertje en ik zie de gezichten van mijn medespelers vertrekken. Nu zegt hij met pathos: Waarde Krieltje. Daar zie ik mijn dochter zich terugtrekken en achter de coulissen verdwijnen. Ik ben nu Klutje geworden… weer eclipseren een paar acteurs. De spreker gaat door, zoekt en zoekt, maar vindt niet. Gij Kleurtje, hoor ik hem zeggen. Ik weet mij goed te houden, zelfs als ik aan het eind van de rede opnieuw wordt toegesproken met Kliertje en in de zaal een onderdrukt lachen hoor. Kniertje heeft deze feestredenaar mij niet genoemd.’
Wanneer Herman Heyermans in november 1924 overlijdt, laat hij een (voor die tijd) gigantische schuld na van vijfenveertig duizend gulden. Toneelsubsidies bestonden niet, Heyermans stapelde lening op lening om zijn gezelschap in stand te houden en te redden. Na de begrafenis op 24 november 1924, een indrukwekkende manifestatie van bewondering en rouw waaraan tienduizenden 'gewone’ Nederlanders deelnamen, gebeurde er iets bijzonders. Maanden lang werden er overal in het land Heyermans-herdenkingen gehouden. Een comite, waarin Heyermans’ grootste toneelrivaal Willem Royaards zitting had, en Esther de Boer-van Rijk en Ina Boudier-Bakker, organiseerde de bijeenkomsten. Ik trof in het Theater Instituut Nederland een pamflet aan, waarin Utrechtenaren werden opgeroepen om zo'n bijeenkomst bij te wonen. Het toegangsbewijs kostte een kwartje. En alles kwam ten goede aan het Herman Heyermansfonds.
De bijeenkomsten en voorstellingen moeten een enorm bedrag hebben opgebracht. Hans Goedkoop meldt in zijn boek dat de totale schuld van de schrijver ermee werd afbetaald. Er werd bovendien een reserve opgebouwd, waaruit de weduwe Annie Heyermans-Jurgens een maandelijkse uitkering kreeg, 'die haar de kans gaf zich geheel te wijden aan de kinderen en aan het beheer van het werk van haar man’. Heyermans eerste vrouw Marie kreeg een uitkering van dertig maanden. En Minny (Hermine Heyermans) verwierf een 'kindsdeel’ van de rechten van haar vaders werk.
Dat moet toch alles bij elkaar wel een ton hebben gekost, bedacht ik. Allemaal bij elkaar gebracht door bezoekers aan die manifestaties, die een kwartje betaalden. Vierhonderdduizend mensen, die binnen een maand herdenkingsbijeenkomsten bezochten voor een toneelschrijver. Dat is vier keer zoveel als het publiek dat een groot gesubsidieerd toneelgezelschap anno 1996 in een vol seizoen aan publiek trekt. Die man moet echt iets betekend hebben.
Ontroerd herlas ik de slotpassage van Goedkoops biografie, waarin hij beschrijft hoe hij een knipsel over de begrafenis van de auteur terugvond, en zich plotseling betrapte op 'een mal, acuut verlangen om die uren mee te maken, langs de boorden van de Amstel, in de zon, tussen de duizenden. Ik deed mijn best het uit te leggen aan een vriend, die wat meewarig lachte over zoveel sentiment, en hoorde uit mijn eigen mond ineens een wrevelige monoloog over een wereld die het woord geluk uitsluitend nog met twee, drie slagen om de arm durft uit te spreken. Ik denk dat ik toen kon beginnen met schrijven.’