Tonicum

Schuim op de koppen van sommige golven op sommige zeventiende-euwse schilderijen, daar doet de tint van een goed schoongemaakte haring aan denken. Dat is ook het enige wat ik over de nieuwe haring heb te zeggen. Behalve meemompelen in het zwijmel- en zwelgeestkoor dat het jaarlijks refrein van waar- ie-het-beste-is staat uit te kramen.

Daar heb ik dit jaar toevallig ook nieuws over. Omdat ik nog altijd denk dat het ware leven zich afspeelt onder linde- en kastanjebomen, nam ik er een van onder zo'n boom. Kastanjeboom was het. Smaak niet slecht, maar je kwam er nauwelijks aan toe. Zo verschrikkelijk schoongemaakt. Graten staken naar buiten als neusharen uit een orgeldraaier. Bittere resten vel alsof de chirurgijn een halve bloedzuiger was vergeten, en na afloop waren op lip en snor de schubben te tellen.
Op de brug, zoals dat hoort, was hij lekker. Haring moet je eten met uitzicht op water, al is het maar de Prinsengracht. De zolen om baksteen geklemd en een door overhangend groen iets verhoogd zuurstofgehalte. Traditiegetrouw aan de staart.
In de Kinkerstraat smaakte hij naar de Kinkerstraat. Te zout en te koud. Op een klein terras was hij te klein, van formaat en smaak. Te duur ook. Zeveneneenhalve gulden geef ik graag uit. Maar niet voor een droog en mager, in schaamte verdronken visje.
‘Waar was het dan wel goed, Koekebakker?’ Je gelooft het niet, maar tussen uitgang van ondergrondse en mogelijke poort tot hiernamaals stond een man met een kraam. Was tevens de enige die geen vooraf schoongemaakte haring had liggen. Nam daar de tijd voor. Misschien wel drie minuten. De volgende minuut was voor mij. Robuust maar met een souplesse die aan geen ander tonicum is voorbehouden. Zacht zout, maar heel zacht. Gebonden aan een iets lagere temperatuur, die het tandvlees in een osmotisch gebarenspel betrekt en een ijle film van sterk verdunde moederoceaan in het verhemelte giet. Voor de fijnproever: AMC, halte Holendrecht.