John Harris, Britpop, Blair and the Demise of English Rock

Tony en de ‹lads›

In de jaren negentig sluiten popmuziek en politiek in Groot-Brittannië een pact. Samen propageren ze een nieuw idee van ‹Englishness›

Londen, 1 mei 1997: Tony Blair wint de verkiezingen, een nieuwe generatie Britten zal voor het eerst zonder conservatieve regering leven. Door het hele land breken feesten uit. Ook bij Noel Gallagher, samen met zijn broer Liam het gezicht van Oasis, de meest gevierde band van het moment: «Overal in ons huis waren sigaren en champagne. Meg en ik werden dronken en gingen de tuin in om keihard de Beatles’ Revolution te spelen, zodat de buren stonden te bonken op de muren.»

Even is er euforie. Een ontwikkeling die al jaren gaande is, krijgt ook politiek zijn beslag. Engeland is niet meer het ouderwetse en ingestorte wereldrijk Groot-Brittannië, waarvan het volk ploetert in de steden terwijl de hogere klassen aan lommerrijke groene grasvelden genieten van een high tea. Engeland is Cool Brittannia, het land waar de Britpop de Amerikaanse grungemuziek de tent uitvecht, land ook van de Young British Artists en van lads die zich niet op de kop laten zitten maar drinken en feesten tot ze erbij neervallen. Londen is de stad waar het gebeurt, schrijven bladen over de hele wereld. En nu plaatst New Labour met Tony Blair een kroon op de bruisende tijdgeest. Jarvis Cocker, zanger van Pulp, zegt erover: «Het was onmogelijk om daar cynisch over te doen. Even was er het besef dat mensen werkelijk dingen kunnen veranderen.»

Tony Blair zegt: «Rock-’n-roll is niet alleen een belangrijk deel van onze cultuur, het is een belangrijk onderdeel van onze levensstijl.» En hij weet de tijdgeest voor zijn kar te spannen. Tony is cool op dat moment. Hij heeft zelf in een band gezeten, begin jaren zeventig. Hij was zanger van een van die bandjes die niet doorbraken, Ugly Rumours. Volgens een medebandlid waren zijn opkomsten, als de rest van de band al stond te spelen, jaggeriaans. «Tony kwam uit de coulissen — in een broek met enorm wijde pijpen en een T-shirt dat meer dan tien centimeter borstkas bloot liet — met een hand op zijn heup, parmantig zwaaiend met zijn vinger. «Well alright! This is Ugly Rumours!»

De al enkele jaren gaande hofmakerij tussen Britpop en New Labour wordt bekrachtigd tijdens een bezoekje dat Blur-zanger Damon Albarn twee jaar eerder aflegt aan het House of Parliament. Hij wordt er opgevangen door Darren Kalynuk, een jonge Labour-medewerker die zich in de dynamische popscene heeft gemengd en de afspraak heeft gearrangeerd. Samen met John Prescott drinken ze gin-tonics, op dat moment hét hippe drankje van Londen.

Als Tony Blair met topspindoctor Alastair Campbell binnenkomt, loopt hij op Albarn af en vraagt hem: «So, what’s the scene like out there?» Gemoedelijk wordt er wat gebabbeld, tot Campbell terzake komt en recht voor zijn raap aan Albarn vraagt wat er zou gebeuren als die ineens zou verkondigen: «Tony’s a wanker»? Albarn verzekert de Labour-mannen dat zulks niet zal gebeuren en bezegelt zo het pact tussen Labour en de razend populaire Britpop, muziek van bandjes die zich afkeren van de VS en putten uit de Engelse muzikale traditie. Binnen twee jaar zal Londen bekendstaan als de coolste stad ter wereld en Engeland zijn ge-rebrand tot het land van Britpop, Young British Artists en New Labour. Zonder manifestaties, zonder acties zoals in de jaren tachtig, toen alternatieve, aan weltschmerz leidende popmuzikanten zich inzetten voor Labour. Duidelijk moet slechts zijn dat New Labour en Britpop met elkaar geassocieerd behoren te worden. «‹Synergie›, zullen de Blairites het wel hebben genoemd», schrijft John Harris in The Last Party.

«Ik hou op met dit rock-’n-roll-leven. Ik word een Tory-parlementslid. Breng me een satsuma! Breng me een satsuma!»

Na weken van drank, drugs en seks (die volgorde) kan Oasis-bandlid Paul Arthurs niet meer tegen het Sodom en Gomorra van de rock-’n-roll. Dan maar het andere uiterste, het conservatieve leven, lijkt hij te zeggen. Maar met het noemen van de vrucht satsuma weet iedereen direct wat hij bedoelt. Het betreft een verwijzing naar het conservatieve parlementslid wiens in lingerie gehulde lijk is aangetroffen. Kennelijk als onderdeel van een vreemd seksspel was een touw gebonden om hals en enkels, en had hij een stuk satsuma in zijn mond. Dit lijk was er slechts één in een hele reeks van seks- en omkoopschandalen. Doodleuk starten de conservatieven onder John Major ondertussen de campagne Back to Basics en worden ze eens te meer een lachertje.

Damon Albarn, altijd bezeten op zoek naar de tijdgeest, meet zich een nieuw imago aan. Hij ontkent zijn afkomst (public school, college) en adopteert een ordinair maar zeer gekunsteld cockney-accent. Voortaan houdt hij van voetbal, kleedt zich in gympjes en trainingsjack, gaat opzichtig Lager drinken en presenteert zich als superlad. «Being a lad is what I’m about», zegt hij terwijl de lad culture haar hoogtijdagen viert. Loaded, een van de lad-tijdschriften, noemt Britpop zijn soundtrack.

John Harris beschrijft de met drank, pillen, coke en heroïne overgoten opgang en neergang van de Britpop en lad culture en laat zien hoe deze zich verhield tot een veranderend politiek landschap. Op slechte momenten levert dat orale geschiedenis op, verteld door een te beperkt aantal stemmen en genoteerd door iemand die als popjournalist zelf onderdeel van de beschreven geschiedenis vormde. Op zijn best gaat het om een essayistische en doeltreffende analyse van de tijdgeest van de jaren negentig, en wel een niet gespeend van cultuurpessimisme. Harris: «Er bestaat een wantrouwen tegenover alles wat je hersenen zouden kunnen pijnigen. Je ziet het als Blair poseert met een elektrische gitaar of zegt dat hij meer vertrouwen stelt in beoordelingsvermogen dan in intellect, of een balletje trapt met Kevin Keegan.»

Het zoeken naar een gezamenlijk gedeelde identiteit en de lof op een eigen concept van Englishness, is voor even niet eng nationalistisch. En niet alleen groeit tijdens de jaren tachtig de haat tegen het conservatieve establishment; begin jaren negentig is men ook de linkse intellectuele elite helemaal zat. Iedereen die zich niet associeert met de gewone man is even verdacht. Tony Blair begrijpt het, keert zich af van het ideologisch bespinragde Old Labour en lift mee op de trein.

Harris laat zien hoe de Britpop zich ontwikkelde uit de reactie op de grauwe jaren tachtig, toen er voor niet-conservatieven niets anders op scheen te zitten dan alternatief te worden, mee te zeuren met The Smiths en Morrissey en als een waakhond te letten op eenieder wiens taalgebruik, al dan niet onbewust, sporen van seksisme, fascisme of homofobie verried. De anderen, dat waren die verwerpelijke cultuurbarbaren die luisterden naar Duran-Duran, Spandau Ballet en Wham!, walgelijke bands die zomaar vrolijk deden alsof er niets aan de hand was in het rijk van Thatcher.

Tot tegen de decenniumwisseling house en ecstasy insloegen en de klaagcultuur verbleekte. Je nam een pilletje en danste tot je erbij neerviel. Een nieuwe positiviteit kwam los en ging gepaard met hedonisme. Om de vorigen goed tegen de schenen te trappen, kocht de nieuwe band Happy Mondays zich een eind in de rondte, werden voormannen Ryder en Bez gast redacteuren van Penthouse en poseerden ze met drie topless dames in een jacuzzi. Bez over een complex probleem als integratie van homoseksuelen? «I hate faggots.»

Tegen deze achtergrond doet Harris verslag van de opkomst van de Britpop-bandjes. Door jeugd en afkomst van de belangrijkste karakters te schetsen, leest zijn boek soms bijna als een roman. Zeker wanneer de karakters met elkaar in aanraking komen. Spil is het meisje Justine Frischmann, dat pas vrij laat haar eigen band Elastica zal vormen. Eerst speelt ze nog even in Suede, de band van haar vriend Bret Anderson. Die band zal ze verlaten als ze kiest voor Damon Albarn, zanger van die andere grote band Blur.

Harris vertelt aan de hand van rivaliteiten. Dat doet hij smakelijk, spannend gemonteerd en geestig geschreven. Blur en Suede zijn de eerste met een beetje succes en gunnen, mede ingegeven door de rivaliteit om Frischmann, elkaar het licht in de ogen niet. Alle rock-’n-rollclichés worden intensief beleefd als de bandjes succes krijgen, wat mooie voorbeelden en lekkere anekdotes oplevert.

De meest succesvolle band wordt uiteindelijk toch Oasis met het brein Noel en de stem Liam Gallagher. Die laatste is het beest. Liam is onmiskenbaar Engelands superlad. Het liefst zit hij dronken voor op het podium zijn publiek beurtelings uit te schelden en aan te moedigen de nummers zelf maar te zingen. De strijd tussen de twee asociale broers uit Manchester, die veel refereren aan de Beatles, wordt uitgevochten op tv, radio en in de tabloids. Hun roem komt tot ongekende hoogten, ze meppen en schelden er ondertussen op los. Harris noteert het smullend. Hier is hij op zijn best en tegelijk moet hij hier het meest worden gewantrouwd, aangezien hij maar een zeer beperkt aantal hoofdpersonen aan het woord laat — die zich allen willen rechtvaardigen — en hij zelf als popjournalist deel uitmaakte van de beschreven geschiedenis.

Van de politiek blijft uiteindelijk een zeer cynisch beeld over. Blair en zijn clan weten de popmuzikanten op uitgekiende wijze te gebruiken. Niet door ouderwetse manifestaties te organiseren of door naar hun ideeën te luisteren. Voor Blair is het genoeg om op de juiste momenten geassocieerd te worden met wat dan populair is. Blur-bandlid Alex James realiseert zich dat hij alleen op Westminster kwam om New Labour hip te laten schijnen. «Net zoals Camel me gratis sigaretten en Prada gratis kleren stuurde.»

Harris schaart zich bij cultuurpessimisten als Michael Bracewell, die vorig jaar zijn boek over dit tijdperk publiceerde onder de veelzeggende titel The Nineties: When Surface was Depth.

Volgens Harris stort de boel in als de commercie de popsterren een superstatus geeft. Vanaf dan willen ze of voldoen aan het beeld dat bedrijfsleven en massa hen opleggen en gaan commerciëlere, lees oninteressantere, muziek maken, of ze bezwijken onder de druk en verliezen zich in drugs en alcohol, of ze keren zich juist helemaal af en verdrinken in experimenten.

Dat is wel een heel romantisch beeld. Misschien kan ook slechts geconstateerd worden dat gewoon niet meer talent aanwezig was dan dat wat een paar jaar lang werd opgetild door de tijdgeest. Tot de tijdgeest op was. Overheersend na lezing van dit boek blijft in elk geval hoe belachelijk snel het pact tussen Britpop en New Labour ontstond en weer opbrandde. Was het dan toch een onbelangrijke revolte? In The Day After the Revolution, een nummer over New Labour na de overwinning, zingt Jarvis Cocker: «Ja, we hebben het gehaald. Op ons tandvlees. Perfectie is voorbij. De rave is voorbij. Sheffield is voorbij. De angst is voorbij. De kater is voorbij. Mannen zijn voorbij. Vrouwen zijn voorbij. Cholesterol is voorbij. Ironie is voorbij. Bye Bye.»

John Harris

The Last Party: Britpop, Blair and the Demise of English Rock

Uitg. Fourth Estate, 426 blz., £15,-