Too darn hot

Hoe vertel ik het mijn kinderen? Het zou best eens kunnen dat dit de warmste zomer van de eeuw wordt, maar wat blijft daarvan over?

Als ik in 2010 met de kleine Deodaat en Dieudonnée op schoot zit, kan ik niet aankomen met: ‘Het was hartstikke warm, lieverds, en we zaten tot heel laat nog op terrasjes.’ Als deze zomer over is, wil ik jaren later nog kunnen nalezen hoe het was, weer kunnen voelen wat ik nu voel. Liever dan boeken met veel straatrumoer en beschrijvingen van de legendarische krakersrellen, lees ik dan boeken waar ik het warm van krijg. Niet erotisch warm, ik moet er even niet aan denken, maar gewoon warm, stomend, dompel me onder in een scrotum-tightening sea.
Iemand die het goed met me voorheeft, gaf me De God van kleine dingen van de Indiaase schrijfster Arundhati Roy. India, dacht ik, daar sterven elk jaar mensen van de hitte, dat is alvast hoopvol. Het begint: 'De maand mei in Ayemenem is heet en drukkend.’
Voelt u al iets?
'Het zijn lange, klamme dagen.’
Nnnee. Niet echt.
'De rivier slinkt en in de roerloze, stofgroene bomen schrokken zwarte kraaien van glanzende mango’s.’
Nnnee, nog niet echt.
'Rode bananen rijpen. Broodvruchten barsten.’
Nu voel ik wel iets.
'Indolente bromvliegen zoemen doelloos in de fruitzware lucht.’
Pfff.
'Dan vliegen ze zich buiten westen tegen heldere ruiten en sterven vadsig verdwaasd in de zon.’
Volgens mij was 'stoffige ruiten’ beter en ook meer de waarheid geweest, maar buiten dat: hier wordt een mooie hitte beschreven. De eerste twee zinnen waren niet nodig, een slinkende rivier is veel suggestiever, en daarom beter. Toch is de schrijfster er al te duidelijk op uit om een schroeiende hitte op te roepen. Het enige wat nog ontbreekt, is de koperen ploert. Maar als een schrijver mij beveelt het warm te hebben, koel ik juist af.
Een minder nadrukkelijke maar drukkender hitte staat in Raise High the Roof Beam, Carpenters van Salinger. Na een krankzinnige rit door New York komt een gezelschap aan bij het appartement van de hoofdpersoon. Daar zijn de ramen 'allemaal gesloten, de twee airconditioners stonden op “Uit”, en de eerste adem die je binnenkreeg was min of meer als het diep inhaleren in de jaszak van iemands oeroude bontjas. Het enige geluid in het appartement was het beverige snorren van de tweedehands koelkast die Seymour en ik ooit gekocht hadden.’
Binnen de kortste keren lopen de emoties binnen het gezelschap nog veel hoger op dan de buitentemperatuur.
Het moet zo heet zijn dat je ervan gaat hallucineren, zo heet dat je de luchtspiegelingen niet meer van echt kunt onderscheiden. Dat ik zwetende kinderbillen voel als ik vertel: 'Het was bijna tien uur maar nog niets koeler. Vlak boven de horizon hing een bloedrode zon - recht er tegenover een vuilgele maan. Het raam kon niet wijder open. De gordijnen hingen lusteloos op het kozijn. In de straat waren twee mannen bezig tramrails te lassen. Het klonk alsof ze grote pannen varkensvlees aan het bakken waren. De avondlucht rook naar rubber en was bezaaid met bosbessen. Vleermuizen bedoel ik.’