Sport

Toon

Soms, wanneer er weer eens tien kilometer wordt geschaatst, bromt een norse onverlaat dat het hem verveelt. Het duurt te lang, en ze rijden steeds weer datzelfde rondje, moppert hij. Hij heeft veertien minuten gekeken naar 25 rondjes schaatsen voor twee mannen.
Hij zucht en bromt: ‘Het is zo monotoon.’ Steeds hetzelfde, bedoelt hij. Eentonig. Saai.
Een van de redenen dat Frank Snoeks, sportcommentator, een standbeeld verdient is dat hij luid en duidelijk aantoont hoe fascinerend zo’n tien kilometer voor twee schaatsers is. Dat doet hij live en direct op televisie, bijvoorbeeld afgelopen weekend, in Heerenveen.
De rit van Ted-Jan Bloemen. Geen hoogvlieger, wel een strijder. Een karakterjongen. Het ging om kwalificatie voor een aanstaand wereldkampioenschap en Bloemen moest sneller zijn dan een andere Nederlander. Hij moest een tijd rijden, 13.18 ongeveer, die net iets te hoog gegrepen leek voor hem. Maar hij probeerde het. Rondje na rondje.
Heel monotoon was het. Elk rondje was hetzelfde. Als Bloemen bij de streep kwam, lag alles er precies zo bij als de vorige keer. In de ruim dertig seconden dat hij onderweg was geweest leek de wereld niet serieus gewijzigd te zijn. De mensen stonden waar ze stonden, ze riepen wat ze eerder riepen en ze roken zoals ze daarnet ook roken. Het volgende rondje weer, het volgende rondje idem, het volgende rondje dito. Heel monotoon.
Prachtig was het. Op de tribune gaapte niemand. Thuis in de huiskamers ook niet, want Snoeks begeleidde Bloemen op zijn heroïsche reis naar de glorie. Hij rekende uit, rondje na rondje na rondje, wat zijn eindtijd zou kunnen worden. Hij maakte de kijkers deelgenoot van mogelijkheden, van schema’s, oplopend en aflopend. Hij wees op Bloemens wangen, met de kleur van heldenmoed, van dapperheid van vroeger. ‘Een vechter, die Bloemen. En hij vecht tegen zichzelf.’ En wij mochten meevechten. Rondje na rondje na monotoon rondje.
‘Wat is zo’n tien kilometer toch prachtig. Nooit afschaffen!’ juichte Snoeks.
En thuis juichten we mee. Zo monotoon mogelijk. Jaa-aa-aa-aa. We begonnen de schoonheid der monotonie te begrijpen.
Het fijne van monotonie is dat je weet wat je krijgt. Geen vervelende verrassingen.
Polytonie wordt enorm overschat. Mensen willen altijd dingen die ‘verrassend’ zijn en ‘veelzijdig’ en ‘veelvormig’. Ze willen polyfone ringtones, nota bene. Ze hebben te veel haast om de schoonheid van eenvoudige, eenvormige, eentonige dingen te herkennen.
Monotonie is overal, maar we waarderen haar niet meer. De natuur is in de grond monotoon. Altijd dezelfde kringloop der seizoenen, in dezelfde volgorde. Na de winter komt nooit een herfst, maar altijd een voorjaar. Gras is altijd groen. Boombladeren verkleuren in het najaar tot geel of roodbruin, al naar gelang de soort. Voorspelbaar, en vertrouwd.
Leve de monotonie. De mooiste dingen in het leven zijn monotoon.
Ten onrechte wordt beweerd dat het beter of ‘leuker’ is om veertig kilometer te hardlopen door een gevarieerd landschap dan over een sintelbaan van vierhonderd meter, waar je dan honderd rondjes loopt. Het is andersom: veel interessanter is de monotonie van die honderd rondjes. Je wordt nergens door afgeleid, door natuur of andere mensen, en kunt alleen zijn met jezelf.
Het zou nog beter zijn om een sintelbaan van tweehonderd meter te hebben en daar tweehonderd rondjes te lopen. Of vierhonderd rondjes van honderd meter. Of vierduizend rondjes van tien meter. Veertigduizend van één meter.
Het allermooiste is veertig kilometer hardlopen op een sintelbaan van tien centimeter. Een eindeloze pirouette, de ultieme monotonie.
Weg met al dat poly. Waarom geen monoëster? Sleur willen we! Lange draden. Dagen van stroop, trage rivieren door monotoon laagland. Donkere bossen, een loom dorp aan de Drôme en rondlopen zonder brok in de kop.
Monotonie is mooi. Een druppende kraan. Muziek van Steve Reich. Autorijden in de nacht over oranje verlichte wegen. Een treinreis van zeven uur, liefst in het donker. Door monotonie ga je beter kijken en luisteren.
De zon gaat op, de zon gaat onder. De zon gaat op, de zon gaat onder.
Tijdens die monotone tien kilometer van Ted-Jan Bloemen keken we eerst naar een schaatser zoals we wel vaker kijken. Hij reed zijn rondjes als altijd. Maar na elk rondje, weer 32.1, keken we beter, tot we hem uiteindelijk echt zagen. We zagen hoe hij vermoeider werd maar doorzette. We zagen de kleur van zijn wangen veranderen, de stand van zijn mond, de groeiende grimas. We zagen een gevecht, van dichtbij, en we streden mee, rondje na monotoon rondje. Als het niet zo monotoon was geweest, hadden we dat allemaal nooit gezien.