Depressie Geestelijk lijden aan veranderende tijden

Toon me uw gekken

Vroeger was jíj niet gestoord, maar de samenleving. Tegenwoordig zijn we zélf gek, individueel. Maar we zijn dat met zo velen tegelijk en onze psychische problemen zijn zo divers, net als de manieren om ze te bestrijden, dat dat vanzelf iets zegt over onze maatschappij. In drie artikelen worden enkele facetten van depressie onderworpen aan een analyse.

EERST HET GOEDE NIEUWS: we denken steeds sneller. Het slechte nieuws is dat hoe sneller we informatie verwerken, hoe meer de grijze massa blijkt te functioneren als die van schizofreniepatiënten. En onze hersenen zitten al op de top van hun stofwisselingscapaciteit, meldden Britse, Duitse en Chinese onderzoekers vorig jaar in het Journal of Neuroscience. Hun conclusie is verontrustend. In de loop van de evolutie zijn we steeds sneller gaan denken. Maar als bijwerking ontstaat schizofrenie. Letterlijk betekent dat ‘gespleten geest’, maar eigenlijk gaat het om een verzamelnaam voor een ziektebeeld waarbij iemand de samenhang kwijtraakt tussen waarneming, denken en emoties, oftewel tussen de realiteit en het zelf.
Daarmee leveren de bètawetenschappers het bewijs bij de vanaf de jaren zeventig en tachtig in linkse filosofische kringen populaire analyse van het postmoderne tijdperk als ‘schizofreen’ – waarbij postmodern ook vervangen kan worden door andere modieuze trefwoorden als ‘informatiemaatschappij’, ‘neoliberalisme’ of meer algemeen ‘het nieuwe kapitalisme’. Hoe het ook mag heten, de geschiedenis is in de afgelopen decennia tijdelijk naar de achtergrond verdrongen. Hetzelfde geldt voor de ideologie, en daarmee het idee van een alternatieve toekomst. Wat overblijft is een bomvol heden. Daarin gebeurt heel veel, heel snel – en alles tegelijkertijd. In deze ‘ADHD-maatschappij’ is pauze een broodje eten op weg naar een afspraak, met het mobieltje onder de kin geklemd.
Voor een Franse filosoof als Gilles Deleuze en zijn coauteur en psychoanalyticus Felix Guattari was dat schizofrene karakter niet per se iets negatiefs. Deleuze en Guattari rekenden in hun werk af met het idee van een stabiel, vastomlijnd ‘zelf’. Simpel gezegd hekelden ze de impliciete aanname die ten grondslag ligt aan het westerse denken, dat altijd uitgaat van een statisch ‘zijn’, van God tot Heideggers Dasein. Hun werk was een poging in plaats daarvan te denken in termen van ‘worden’. In hun fameuze Anti-Oedipus, dat dit jaar in een nieuwe Nederlandse vertaling verschijnt, vierden ze de ‘schizo’. Het ging hen niet om de officiële diagnose van schizofrenie. Deleuze en Guattari zetten hun altijd in beweging zijnde ‘schizo’ af tegenover de verstarrende, vaststaande identiteiten van vroeger.

ZONDER DAT de man het ooit zo had gewild, is de huidige maatschappij in zekere zin deleuziaanser geworden. In het postmoderne tijdperk ligt de nadruk inderdaad op worden in plaats van zijn, op een veelheid van identiteiten in plaats van een coherent zelf. In wat socioloog Richard Sennett ‘de cultuur van het nieuwe kapitalisme’ noemt, is de ideale, nieuwe mens flexibel en gericht op de korte termijn. In het nieuwe kapitalisme gaat het er volgens Sennett vooral om wat je belooft te gaan worden – en niet om wat je in het verleden hebt gepresteerd. De winnaar van dat systeem is de nu onder vuur liggende topmanager die bij zijn aanstelling een miljoenensalaris weet te bedingen omdat hij iets moois zal gaan neerzetten. De nieuwe werkende speelt losjes met rollen, hopt multitaskend van de ene baan naar de volgende ervaring en zet daarbij oude vaardigheden even gemakkelijk aan de kant als dat nieuwe worden opgedaan.
Hoe bizar die economie kan uitpakken, blijkt uit een voorbeeld dat een Duitse studente me onlangs gaf – zonder naam, want praten over werkzaamheden is zoals tegenwoordig gebruikelijk contractueel verboden. Deze vrouw werkte enige tijd in een callcenter als secretaresse-op-afroep. Kleine firma’s die geen geld hebben voor een vaste kracht zorgen dat hun klanten een medewerker van het callcenter aan de lijn krijgen. Die doet zich vervolgens voor als de eigen secretaresse. Dat vergt nogal wat flexibiliteit van de kant van de werknemer. Bijvoorbeeld op het moment dat deze studente zich ’s nachts ineens moest verplaatsen in de rol van secretaresse van een psychiatrische praktijk. Aan de andere kant van de lijn was een persoon die zelfmoord zei te willen plegen. De karige instructies die verschenen op het beeldscherm boden weinig soelaas: ‘geen ziekenfondspatiënten’.
Op zo’n manier zullen de hersenen inderdaad snel hun maximale stofwisselingscapaciteit bereiken. Lang niet iedereen is dan ook zo enthousiast over het nieuwe, ‘schizofrene’ tijdperk als Deleuze en Guattari. In zijn tot in den treuren aangehaalde essay Postmodernism, or the Cultural Logic of Late Capitalism wees cultuurwetenschapper Frederic Jameson al op het breken van wat hij, in navolging van Lacans beschrijving van schizofrenie, de ‘betekenisgevende keten’ noemt, van gebeurtenissen in iemands leven. In het postmoderne eeuwige ‘nu’ slagen we er steeds minder in ons verleden en onze toekomst te organiseren in een coherente ervaring, om onze eigen biografie te maken. De werkelijkheid komt tot ons als een fragmentatiebombardement. Het ontbreekt aan de instrumenten om al die prikkels te verwerken. Als schizofrenie te maken heeft met het verliezen van de relatie tussen het zelf en de realiteit, hoe moet het dan als het zelf an sich verdwijnt, en de realiteit almaar virtueler lijkt te worden?
Allemaal abstracte theorie? Eén op de achttien Marokkanen van de eerste generatie ontwikkelt ooit schizofrenie, tegenover één op de 125 autochtonen. Hun kinderen lopen zelfs een groter risico. Psychiater in opleiding Wim Veling publiceerde enige tijd geleden in het American Journal of Psychiatry nog opmerkelijkere cijfers. Allochtonen hebben in de meeste wijken in Den Haag 2,4 maal zo veel kans op psychoses als autochtone Hagenaars. Behalve in wijken waar het overgrote deel van de bewoners allochtoon is, zoals Transvaal. De verklaringen lopen uiteen. Maar het ligt voor de hand dat het moeizame goochelen met verscheidene identiteiten, met discriminatie en de stress van het aanpassen een rol speelt. Wie ben ik en waar sta ik in deze maatschappij? De ontwortelde, altijd wordende mens van Deleuze zonder vaste identiteit is blijkbaar niet zo vrij en gelukkig als voorzien. Het nieuwe kapitalisme haalt oude zekerheden overhoop zonder er nieuwe voor in de plaats te stellen. Allochtonen merken dat als eerste.

IN DE JAREN ZEVENTIG GOLD onder invloed van de antipsychiatrie dat gekte een maatschappelijk probleem was. Of beter gezegd: u bent niet gek, de maatschappij is het. U bent niet schizofreen, de samenleving is schizofreen. Weinigen zullen nu nog geloven dat als de laatste verandert, het met het geestelijk welzijn ook wel goed zal komen. Het wetenschappelijke inzicht in de veelal biologische oorzaken van schizofrenie, depressie of autisme is bovendien voortgeschreden. Individuele omstandigheden spelen daarnaast een doorslaggevende rol: je hóeft niet gek te worden.
Dat is echter geen vrijbrief voor onbegrensde navelstaarderij, zoals die zichtbaar wordt in de aanhoudende stroom zelfhulpboeken en gelukshandleidingen. Het specifieke soort gekte dat heerst kan namelijk wél de vinger leggen op de zere plekken in een maatschappij. Gekte als een soort metaaldetector voor maatschappelijk ongenoegen. Wat schizofrenie betreft blijkt dat opmerkelijke inzichten op te leveren.
Iets soortgelijks heeft hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen Trudy Dehue gedaan met betrekking tot depressies. Volgens Dehue is er sprake van een heuse epidemie. Het College voor Zorgverzekeringen telde in 2006 ruim een miljoen antidepressivagebruikers, bijna zes procent van de bevolking. Een onderzoek van de Wereldgezondheidsorganisatie schatte dat zestien procent van de inwoners van de Verenigde Staten depressief is, tegenover vijf tot tien procent in West-Europese landen.
In haar vorig jaar verschenen boek De depressie-epidemie keert Dehue zich tegen gangbare verklaringen voor die enorme toename van depressiviteit. Depressie – volgens Dehue een verzameling van klachten, waaronder een neerslachtige stemming, weinig belangstelling voor dagelijkse bezigheden, gebrek aan energie en concentratie, besluiteloosheid en terugkerende doodsgedachten – zou een biologisch bepaalde stoornis zijn die nu pas ontdekt is, een product van de farmaceutische industrie die er flink aan verdient, of het gevolg van de verzorgingsstaat die de mensen pampert. Maar de depressie-epidemie is ontstaan in de jaren negentig, juist toen de oude verzorgingsstaat werd afgebroken. Het ideaal van de maakbare samenleving maakte plaats voor het maakbare individu. Daarin ziet Dehue de voornaamste verklaring: ‘Waren voorheen omstandigheden meestal nog de oorzaak van voorspoed of ellende, nu richt de aandacht zich op het individuele brein. Daarbij zijn we niet minder maar juist méér verantwoordelijkheid voor onszelf gaan dragen, want in feite biedt onze biologie net zo min als onze levensomstandigheden nog een excuus.’
De depressiegolf zou dan ook samenhangen met de neoliberale maatschappij zoals die in de laatste decennia is ontstaan. Daarin draait het leven om concurrentie, presteren en keuzes maken. ‘Waar succes een keuze is geworden, geldt dat voor mislukking evenzeer’, aldus Dehue. Depressie volgt uit ‘de plicht het lot in eigen hand te nemen’.
Veel van wat voor depressies geldt, gaat net zo goed op voor die andere modestoornis: autisme. Ook hier is sprake van een schrikbarende toename. Werd in de jaren zestig op de tienduizend mensen bij vier personen de diagnose autisme of een verwante stoornis gesteld, tegenwoordig is dat naar schatting zo’n 25 tot dertig, in Amerika misschien wel zestig tot zeventig. De Nederlandse Vereniging voor Autisme kan naar eigen zeggen wekelijks tientallen nieuwe leden inschrijven.
De verklaringen lopen net als bij de depressie-epidemie uiteen. De voornaamste luidt dat autisme altijd bestaan heeft, maar pas de laatste jaren goed herkend wordt. Zo is het Syndroom van Asperger, in Nederland bekend geworden door Volkert van der G., pas in 1993 opgenomen in het handboek van de Wereldgezondheidsorganisatie. Het probleem is dat er nog steeds geen duidelijke diagnose is voor autisme. In plaats van op één stoornis duidt autisme op een spectrum aan problemen. Dat kan makkelijk leiden tot een snelle toename van diagnoses. Ook hier zijn maatschappelijke verklaringen denkbaar. Is het toeval dat de groei van autisme samenvalt met de opkomst van de informatiemaatschappij, waarin alles draait om communicatie?
Volgens een artikel in NRC Handelsblad vindt bijvoorbeeld in de regio Zuidoost-Brabant, rond Eindhoven, momenteel een ware ‘autisme-explosie’ plaats. De wachtlijsten voor speciale scholen en bij de Geestelijke Gezondheidszorg zijn in een jaar verdubbeld. Betrokkenen leggen een verband met de concentratie van hoogtechnologische industrie en IT-bedrijven in de regio. Overigens weten sommige bedrijven de autisme-hausse in hun voordeel te gebruiken. Microsoft laat softwareproducten testen door autisten, die beter en hardnekkiger zouden zijn in het opsporen van fouten.
Autisten lijken hier samen te vallen met wat we tegenwoordig nerds of algemener vakidioten noemen, mensen die goed zijn in één ding maar totaal niet kunnen communiceren of samenwerken. Die mensen bestonden vroeger ook al. Toen heetten ze waarschijnlijk nog gewoon vaklieden. Pas met de nieuwe informatiemaatschappij, waarin niet gedegen vakkennis maar communicatie en een flexibele instelling centraal staan, zijn de karaktereigenschappen die met autisme worden beschreven echt hinderlijk geworden. Dus worden ze herkend als een afwijking, en gelabeld. Het onderwijs heeft de eisen van die veranderde economie bovendien overgenomen. Door vernieuwingen als het studiehuis ligt de nadruk steeds meer op samenwerken in groepsverband, op communicatie en op presentatie. En inderdaad: sinds deze vernieuwingen vallen steeds meer autistische leerlingen buiten de boot.

HET NEOLIBERALISME IS IN CRISIS. De economie die draaide om beloften, om veranderen om het veranderen en speculeren op groei die zou gaan komen, is een zeepbel gebleken. Zelfs voor het nieuwe kapitalisme dreigt nu een depressie. Het systeem blijkt minstens zo gek als zijn populatie. Dat mag een schrale troost heten voor de verliezers van dat kapitalisme. En dat kunnen er velen zijn. De door hem beschreven ideaaltypische moderne werknemer is namelijk een uitzondering, merkt Sennett op: ‘Een individu dat gericht is op de korte termijn, op potentieel talent, dat bereid is opgedane ervaring los te laten, is – om het zacht uit te drukken – een ongebruikelijk soort mens.’
Volgens Trudy Dehue hangt depressie samen met de neoliberale plicht het lot in eigen hand te nemen. Die analyse sluit aan bij de persoonlijke ervaring van mensen die lijden aan een depressie, zoals die tegenwoordig ook open en bloot zijn te lezen op internetsites als www.gripopjedip.nl. Maar er is meer. Niet alleen de plicht het lot in eigen hand te nemen is het probleem. De onmogelijkheid het lot in eigen hand te nemen speelt minstens zo’n grote rol. De postmoderne geestelijke aandoeningen lijken allemaal samen te hangen met dat ene woord: grip. Depressieve mensen vertellen over hoe de wereld soms langs ze heen lijkt te glijden. Tussen hen en de werkelijkheid lijkt een glazen wand te staan, of een dot watten. Het ontbreekt aan elk vertrouwen dat het eigen handelen invloed heeft op de rest van de wereld.
Dat vertrouwen ontbreekt niet alleen op individueel niveau. In wat sommige politicologen het postpolitieke tijdperk noemen weten veel mensen niet langer hoe zij verandering kunnen brengen in hun situatie. Daar zijn ten minste drie oorzaken voor aan te wijzen. Allereerst is de politieke macht daadwerkelijk gefragmenteerd. Niet alleen Den Haag beslist, maar ook een reeks verzelfstandigde overheidsorganen, Europa, het bedrijfsleven en een leger lobbyisten beslissen. Tot of tegen wie moet je je als ontevreden burger dan richten? Het gevolg is cynisme; de toeschouwersdemocratie. Ten tweede leidt de reeds beschreven fragmentatie in het postmoderne tijdperk tot onvermogen bij mensen om hun verhouding tot de wereld te begrijpen. Door het door velen bejubelde wegkwijnen van de grote ideologieën ontbreekt het veel mensen aan verhalen over wie zij zijn en waar zij staan in de maatschappij.
Die individuele stuurloosheid hangt samen met een derde, meer economische oorzaak. Het nieuwe kapitalisme ontneemt volgens Sennett werknemers hun toekomst. Letterlijk, in de zin dat sparen voor de toekomst in de vorm van een pensioen uiterst onzeker is geworden. Maar ook geestelijk. De veranderingsideologie, waarbij instellingen voortdurend op de schop gaan, maakt een strategische langetermijnplanning onmogelijk. Het nieuwe kapitalisme met zijn structurele onzekerheid ontneemt mensen daarmee hun ‘gevoel van narratieve beweging’, zoals Sennett het noemt. Het idee dat je terugkijkend op je leven een bepaalde ontwikkeling kunt aangeven, van kennis, ervaring, vriendschappen en natuurlijk ook status. Dat je tevreden kunt zeggen: ik heb het goed gedaan. En bovenal: dat een jonger iemand, bijvoorbeeld een migrant, op zo’n manier ook zijn leven enigszins kan plannen en naar een betere toekomst kan toewerken voor hem en zijn kinderen.
Stel dat de huidige crisis het einde betekent van het door Sennett gehekelde nieuwe kapitalisme. Stel dat het door hem aanbevolen vermogen een eigen ‘biografie’ te maken terugkeert. Verdwijnt daarmee de gekte die depressie heet, of schizofrenie, of autisme? Nee dus. Serieuze psychische problemen gaan heel wat dieper dan maatschappelijk ongenoegen. Hoogstens zal het aantal diagnoses wat afnemen; in elk geval het aantal mensen die denken dat zij er ook aan lijden. En toch loont het de moeite wat vaker in de spiegel te kijken die gekte heet. Toon me uw gekken, en ik zeg in wat voor maatschappij u leeft. Voor het inmiddels oude nieuwe kapitalisme komt die les te laat.