Interview met Christiaan Bastiaans

Topografie van het rampgebied

Te midden van oorlogsgruwelen heeft fotograaf Christiaan Bastiaans ontmoetingen van grote schoonheid. Het gaat om de details: ‘Ik zoek niet naar hét verhaal.’

Christiaan Bastiaans (Amsterdam, 1951) fotografeert, tekent en maakt sculpturen en collages van uiteenlopende materialen. Museum De Pont in Tilburg toont nu Year Zero: een overzicht van het werk dat Bastiaans maakte tussen 1999 en 2007. Zo is er een grote foto op dik papier van een hutje in een vluchtelingenkamp. Het hutje is bewerkt met fijne draadjes die zijn vastgeplakt met papieren tape, stukjes plastic, glimmende mineralen. Deze extra laag versterkt het breekbare van de hut, laat extra goed zien hoe fijntjes alles aan elkaar zit, hoe mooi het is, maar ook hoe makkelijk het weg kan waaien. Op een levensgrote foto van een kindsoldaat valt allereerst de grimmigheid op: puber behangen met wapens, de blik van een oude man. Kom je een paar passen dichterbij, dan zie je opeens subtiele witte lijntjes van waterverf die de jongen als fijn spinrag omhullen.

Ook de sculpturen hebben een wrange gelaagdheid, ze komen uit de serie die Bastiaans’ Hurt Models heeft gedoopt: gewaden die bij een eerste aanblik lijken op excentrieke ontwerpen uit de wereld van de haute couture. Dichtbij zie je dat tussen de knap gemaakte jassen vreemde attributen terug te vinden zijn, stukken krant uit Sierre Leone, oude horloges, een raar plastic rugzakje. Ze bieden een verwarrende en duistere aanblik, deze rijzige figuren van verzameld leed, zonder gezicht. Die anonimiteit is overigens een opvallend kenmerk van de expositie: op slechts één foto is een gezicht te zien. Het versterkt het gevoel van ontheemding dat Bastiaans’ werk oproept.

We zitten in Bastiaans’ sober ingerichte appartement in Amsterdam, in het midden van de ruimte een groot bureau, op de omringende tafels boeken, papierwerk, alles netjes geordend. Bastiaans – die nu eens stellig, dan weer aarzelend formuleert – vertelt hoe hij in 2004 met een legertje journalisten een vluchtelingenkamp in Tsjaad bezocht. Hij vroeg aan een Canadese fotograaf hoeveel foto’s hij die dag gemaakt had. Achthonderd, was het antwoord. Zelf had Bastiaans die dag twee foto’s genomen: ‘Ik ben niet op zoek naar een scoop of hét verhaal. Als ik daar rondloop richt ik me op details, en in dit geval waren dat de kampen en de manieren waarop mensen beschutting zoeken en een schuilplaats voor zichzelf weten te maken.’

In zijn werk, vertelt Bastiaans, gaat hij op zoek naar het wezen, de kern, van de menselijke conditie, die zich onder extreme omstandigheden meestal scherper toont. Wat steeds terugkeert is het zoeken naar geborgenheid en bescherming – zoals bijvoorbeeld in dat kamp in Tsjaad. Bastiaans: ‘Mensen zoeken naar een schuilplaats, en ik onderzoek dat in de breedste zin van het woord: het huis, de kleding en tot slot het lichaam – dat is je laatste schuilplaats. In India bezocht ik mensen in een voormalige leprakolonie die hun nieren hadden verkocht. Het frappante is dat zij het meest kostbare, het lichaam, verkochten om een huisje, een schuilplaats, te kunnen bouwen.’

Thema’s als migratie, ontheemding en het nomadenbestaan houden voor een deel verband met zijn eigen persoon en leven. Bastiaans is de zoon van een Javaans-Frans-Zeeuwse vader en een Armeens-Sumatraanse moeder. Na zijn opleiding aan de Rietveld Academie in Amsterdam woonde hij een paar jaar in Japan, daar leerde hij van de Japanse kunstenaar Shoichi Ida wat overgave was. Christiaan Bastiaans: ‘De manier waarop deze man als kunstenaar in het leven stond was voor mij een openbaring. Obsessief is misschien te zwaar uitgedrukt, maar hij liet me zien dat je elk idee tot op het bot moet onderzoeken, de uiterste grens moet ontdekken om de mogelijkheden die zich dan aandienen optimaal te benutten.’

Later woonde hij vier jaar in New York. En altijd heeft hij gereisd, naar Indonesië en Irian Jaya waar hij samen met zeven Papoea’s een reis maakte in de voetsporen van zijn vader, die tijdens de Tweede Wereldoorlog geheim agent was voor The Netherlands Forces Intelligence Service (Nefis) in het door Japan bezette Nieuw-Guinea. Bastiaans: ‘Dat was een van de meest bijzondere reizen van mijn leven. Natuurlijk omdat mijn vader deze weg ook had afgelegd. Maar ook het feit dat ik afgesneden was van de wereld, samen met mensen die ik niet verstond. Toch kon ik na een week met hen communiceren.’

Die communicatie met mensen uit een andere wereld dan die van hem – met Papoea’s, bejaarde Japanse boeren, Thaise transseksuelen of bewoners van een voormalige leprakolonie in India – vormen de stille kracht in zijn werk: ‘In al die gruwel van oorlog, mensen die niks meer hebben, zijn die ontmoetingen momenten van schoonheid. Misschien dat ik daar steeds naar op zoek ben. En ook al is dat heel moeilijk te vertalen, toch zitten die ervaringen in mijn werk.’

Daarom moet hij ook echt naar de plekken toe waar hij iets over wil maken. Voor die ontmoetingen en dat wat je niet ziet op televisie en in de krant. De details: geur, de manier waarop iemand iets zegt. Dat wat achter het beeld schuilgaat. Dus ging hij naar Sierra Leone waar een burgeroorlog woedde: ‘Toen ik de romans van Ben Okri las, riepen die een sterk gevoel van herkenning op, pas later begreep ik dat ze me deden denken aan de oorlogsverhalen van mijn moeder.’

In zijn nieuwste project – de Lear Zone, afgeleid van King Lear – onderzoekt Bastiaans een ontwikkeling die je zou kunnen beschouwen als het negatief van het vluchtelingenkamp: de luxueuze resort-achtige onderkomens en de nieuwe economie die aan de rand van een conflictgebied ontstaan. Bastiaans: ‘Hotel California in Lokichoggio in Kenia aan de grens met Zuid-Soedan is een onderkomen te midden van een syndicaat aan hulporganisatie-enclaves, elk omgeven door een beveiligde periferie. Het is een package format-_concept, een onderneming via _sub-contracting, dat een kortstondig maar zeer comfortabel onderkomen biedt aan hulpverleners, ontwikkelingswerkers, journalisten en is voorzien van douches, continental breakfast, pizzaovens en lopend buffet.

Maar ook valt onder de Lear Zone het gebied waar de loopgravenoorlog tussen Ethiopië en Eritrea plaatsvond. Daar zijn duizenden mensen omgekomen in gevechten om één meter land. En ik ga weer naar vluchtelingenkampen, maar nu naar kampen die blijven en dus een dorpje zijn geworden. Wat me intrigeert is de topografie van zo’n rampgebied en hoe die verschillende economieën ontstaan – lokaal en globaal. Lear Zone is voor mij een niemandsland, de heide waarover Shakespeares King Lear in al zijn kwetsbaarheid als mens, berooid, verstoten, eenzaam en dakloos rondzwerft, Lear die wanhopig uitroept: “What need one.”’

Christiaan Bastiaans, Year Zero. Te zien tot 28 oktober in Museum De Pont te Tilburg