Televisie

Topzondag

Televisie: Rusland en islam

Een topzondag met twee hoofd lijnen. De Russische, met Sokoerovs verbluffende Russian Ark, en voortgezet in Close Up met Wilbert Banks mooie documentaire over Sergej Diaghilevs jonge jaren. Bij dat thema verwacht je eerder een Arte- of BBC-productie, maar er is een hoogwaardig Avro-videotheekje over Russische kunst ontstaan dankzij Aliona van der Horst (ook in Sokoerovs Hermitage, maar dan heel anders), John Appel (Repin) en nu dus Wilbert Bank. De extra charme van dit onschoolse programma met boeiende biogra fische informatie ligt in het sociaal-culturele portret van het huidige Rusland. De les die een jochie in Perm krijgt over hoe een rondleiding door het Diaghilev-museum te geven, biedt inzicht in werelden van nationalisme, taalclichés, formalisme en traditionele didactiek. Je huivert en beseft tegelijk dat er bij ons wel erg veel vormeloosheid voor in de plaats kwam. En altijd weer die bekrompen verwarring wanneer boers uitziende oude vrouwen grote kenners van kunst en wetenschap blijken.

De tweede lijn die van «islam en identiteit». Eerst het interview van grootmeester Witteman met Hirsi Ali, waarin ze met alle bedenkingen werd geconfronteerd die een mens bij stijl en methode van haar missie hebben kan. Ze bleef staande, maar met minder bravoure dan we gewend zijn: de stem zacht en vibrerend, de handen kramp achtig om het glas, de lach triest. Sterk verschillend van haar Blijde Incomst, wat dagen eerder. De tekst ferm maar de toon niet meer, en mededogen met deze dappere en woede jegens moordende godsdienstfanaten streden bij de kijker om voorrang – tegelijk met zorg over die heilloze Submission-strategie wortelend in vormingstoneel. Dan Felix Rottenberg (wiens AT5-programma’s ver uitsteken boven Hilversums gemiddelde). Ik had in Tegenlicht een debat verwacht tussen Mak, Ellian en Beekmans over «pacificatie of confrontatie». Het werden drie losse gesprekken – wel zo goed omdat men zich in directe discussie vaak ingraaft, terwijl een Rottenberg-interview kritisch is maar de openheid bij gespreks partners zelden wegneemt. Wijze woorden en een schitterende spreeuwenzwerm waren ons deel. De avond vond een bekroning in Britta Hosmans Hoe sterk is vriendschap, waarin Amsterdamse hartsvriendinnen met wortels in resp. Amerikaans mennonietendom en Turkse islam hun relatie onder druk zien door verhardende verhoudingen. Intelligent formuleren ze hun posities. «Je helemaal ergens thuis voelen is een luxe die we niet meer zullen kennen», zegt de één, daarmee niet alleen doelend op zichzelf en andere migranten maar ook op degenen wier wortels hier sinds generaties liggen. «Identiteit is niet langer eenduidig; niet langer onschuldig, maar beladen.» Ze zijn levend bewijs van de rijkdom die kan schuilen in bouwsels met mate riaal uit meerdere culturen. Hopen we dat die de storm doorstaan.