Televisie: ‘Jongens van de bouw’

Toren van Babel

Jongens van de bouw © BNNVARA

In hartje Rotterdam is recent een woontoren neergezet. We volgen met Geertjan Lassche (regie, camera, geluid) het bouwproces van begin tot oplevering, en dat onder extreme tijdsdruk vanwege de kosten. Als fly on the wall, met incidenteel een vraag, ontmoeten we betrokkenen, van hoofduitvoerder Stan, sympathiek en wijs, die meerdere onderaannemers aanstuurt, tot bikkelharde portier Leon. We zien de bouw zelf (indrukwekkende beelden vanaf giga-kraan; time-lapseopnamen), maar Jongens van de bouw gaat vooral om de werkers, van jong tot oud. En om uiteenlopende mentaliteiten.

Hoewel de bouwplaats door spraakverwarring toren van Babel lijkt (levensgevaarlijk soms in een toch al gevaarlijk beroep), doordat het minder geschoolde werk door legio nationaliteiten wordt verricht, maken we vooral kennis met Nederlandstaligen. Die van kantoor, kraanmachinist Hans en verkeersregelaar Earny, de enige Surinamer. Zij vormen met assistent-portier Mehmed de harde kern, samen met een ploegje bouwvakkers uit de kop van Overijssel, onder leiding van Henry. Hij zit om 4.41 achter het stuur om zijn maten van huis te halen en in tweeënhalf uur naar de bouwplaats te rijden. Een paar maanden later is dat al drie uur. Ze moeten nog terug ook.

Bij deze streekgenoten van Lassche lijkt diens fascinatie begonnen: wie trekken op onchristelijke tijden over de snelwegen? Romantici zien in zo’n busje diepe verbondenheid: streek- en vakgenoten, niet de jongsten, negentien jaar samen op karwei. Maar ze bellen elkaar alleen om zich ziek te melden. In Rotterdam zouden ze niet willen wonen: in die flats woont ook ‘van alles’. Genemuiden is toch huiselijker. En ja, de meesten hebben weleens Wilders gestemd.

Ze zien ook dat de bouw helemaal niet meer zonder buitenlanders kan, want de autochtone leegloop tijdens de bouwcrisis is nooit meer aangevuld. Leerling Stef is uitzondering. Na wat maanden ziet hij wel toekomst in de bouw, maar niet als timmerman buiten. Vroeg opstaan, vieze kleren: niks voor hem. Trouwens: dat harde werken – niet meer van deze tijd. Prompt monteert Lassche er een bespiegeling van hardwerkende Earny achter: ‘mijn generatie weet dat je dood moet gaan om in de hemel te komen; deze generatie wil naar de hemel maar ze willen niet dood’.

Earny is sowieso als Shakespeare’s filosofische doodgraver: hij kaart het racisme in de bouw aan, maar ook de kapitalistische uitbuiting die arbeiders aan de onderkant tot slaven maakt. Maar als de vakbond wijst op het recht van vorstverlet, is daar nauwelijks belangstelling voor: geen cohesie, arbeidsethos, angst voor ontslag. Over de slagen van leven en lot gaat het, vooral via Overijsselse Gerrit die fysiek en psychisch eigenlijk niet meer kan, maar nog wel moet. Over vrouwen gaat het, vooral via Carel van kantoor, bijna zestig, die zijn veel jongere Thaise bruid komt voorstellen. Hij is levenskunstenaar met een staartje en dat zullen de collega’s weten (ze is zijn zoveelste aanwinst en hij laat nogal wat scherven achter). Een mooie film, die zowel het particuliere als het maatschappelijke schijnbaar commentaarloos laat passeren.


GeertjanLassche, Jongens van de bouw, BNNVARA 2Doc, zondag 15 december, NPO 2, 20.20 uur