De onderklasse van de wereld

Tortilla’s, lompen en blik

De crisis treft vooral de enorme legers van slecht geschoolde, bezitsarme arbeiders aan de onderkant van de wereldeconomie. Het welvarende deel der mensheid is deze onnutte onderklasse liever kwijt dan rijk.

Het dagelijks nieuws over de crisis gaat niet veel verder dan de uitwerking ervan op het deel van de wereld dat min of meer in welvaart leeft. Tegenover betrokkenheid bij de kommer in eigen huis staat geringe aandacht voor wat de crisis in de ontwikkelingslanden aanricht. We horen dat een zesde deel van de mensheid honger lijdt, maar het is informatie die het ene oor in en het andere uit gaat. Het gaat ons even niets aan. De overheersende opvatting lijkt bovendien te zijn dat de neergang ver van huis misschien ook wel meevalt. De groeicijfers voor landen als China en India zijn weliswaar fors gedaald, maar krimp van de economie lijkt te zijn uitgebleven. Deze zienswijze miskent dat de aandacht niet naar landen als geheel maar naar sociale klassen zou moeten uitgaan. Macroberekeningen over het bruto nationaal product geven geen inzicht in de verdeling ervan over rijk en arm.
De wereldcrisis treft vooral de maatschappelijke onderklassen die het meest kwetsbaar zijn, namelijk de enorme legers van bezitsarme, niet of nauwelijks geschoolde, onderbetaalde en weinig gerespecteerde werkers die aan de onderkant van de wereldeconomie moeten zien te overleven. Hun inschakeling in het arbeidsproces wordt als ‘informeel’ aangeduid, met als voornaamste kenmerken: los en wisselend in plaats van vast en geregeld gebruik van arbeid; geen dagloon maar stukloon; een dienstverband onder een baas in een werkplaats, dan wel werk voor eigen rekening en risico in de openlucht of thuis; geen toeslag voor overuren of bijkomende voorzieningen; het ontbreken van een contract dat de voorwaarden opsomt; geen arbeidsrechten, zoals een minimumloon, begrenzing van de lengte van de werkdag, regeling van ontslag, enzovoort. Ten slotte de afwezigheid van georganiseerde belangenbehartiging. Deze wijze van werken is welhaast ongemerkt tot het dominante arbeidsbestel in de wereld uitgegroeid. In India omvat het informele gebruik van arbeid meer dan negentig procent van de werkende bevolking.

Waaraan is het ontstaan van deze losvoetige arbeidsmassa te danken? De eerste oorzaak is de massale uitstoot van overtollige arbeid uit de landbouw en de dorpen. Het proces dat eerder in de westerse maatschappijen plaatsgreep herhaalt zich nu op wereldschaal. Maar de omvorming naar een industrieel-urbaan bestel dat voor de landarme en landloze boeren op het noordelijk halfrond tot een bestaansverbetering leidde blijft achterwege. Deze onderklassen proberen wel het platteland voorgoed te verlaten, maar vinden bij hun aankomst in de steden geen vast en redelijk betaald werk in fabrieken en andere grootschalige bedrijven.
Tekenend zijn de sloppen waarin zij neerstrijken. Die leken eerst de functie te hebben van een wachtkamer, een tijdelijke verblijfplaats van waaruit nieuwkomers hun weg omhoog zochten op de stedelijke arbeidsmarkt. In feite is met de opmars van de markteconomie de dynamiek in omgekeerde richting gegaan. Het vrij kleine percentage werkers dat erin was geslaagd door te dringen tot de formele sector van de economie, zich voor vast en geschoold werk had weten te kwalificeren en met hulp van vakbonden een hogere beloning en fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden afdwong, werd door aanhangers van het neoliberalisme als lid van een zelfzuchtige arbeidselite bestempeld dat ten onrechte aanspraak maakte op privileges van bescherming en bevoordeling.
De informele sector van bedrijvigheid, aanvankelijk als een voorbijgaand probleem opgevat, werd vervolgens door de Wereldbank en andere transnationale instellingen tot motor van economische groei uitgeroepen. Flexibilisering was nu de leuze die zich richtte op ontmanteling van de arbeidswetgeving en tegenwerking van gezamenlijke belangenbehartiging. Afschaffing van minimumlonen, een onbepaalde lengte van de werkdag, geen breidel op ontslag van werknemers, beknotting of intrekking van sociale voorzieningen – het waren allemaal maatregelen ter stimulering van productie en productiviteit waarvan niet alleen kapitaal maar ook arbeid zelf zou profiteren.
Het proces van informalisering dat op gang kwam betekende bijvoorbeeld het einde van de grootschalige textielindustrie in Zuid-Azië. In Ahmedabad, de stad die als het Manchester van India bekendstond, ging in de jaren negentig de ene fabriek na de andere dicht. Het werkvolk, ruim 150.000 man, kreeg op staande voet ontslag en werd zonder enige vergoeding afgedankt. De sluiting van fabrieken betekent niet dat in de stad geen textiel meer wordt geproduceerd. Maar het maken van kleding wordt voortgezet als thuiswerk of is ondergebracht in kleinschalige werkplaatsen waar de arbeidstijd de helft langer is, de lonen zijn gehalveerd en er geen arbeidsrechten zijn die de kostprijs verhogen. Het afglijden van de fabriekskrachten naar laagbetaald en ongeschoold werk heeft hun huishoudingen in een staat van crisis gebracht.

In een heel andere lezing wordt de informele sector ook wel voorgesteld als een sociaal vangnet voor werkers die hun beschermde baan zijn kwijtgeraakt, maar die met veel vindingrijkheid en doorzettingsvermogen het hoofd boven water weten te houden. In een enkele maanden geleden verschenen artikel in The Wall Street Journal, overgenomen door NRC Handelsblad, wijzen woordvoerders van de Wereldbank op de geest van zelfredzaamheid waarmee mensen aan de onderkant van wat de verborgen of zwarte economie wordt genoemd kans zien te overleven: ‘Het gaat om werk buiten de “formele” sector waarin bedrijven zich registreren bij de overheid, belasting betalen en banen aanbieden met vaste salarissen en pensioen- en gezondheidszorgvoorzieningen. De straatventers in Kaïro vallen eronder, evenals de tortillaverkopers in Mexico-Stad, de rikshabestuurders in Calcutta en de schrootverzamelaars in Jakarta.’
De boodschap is duidelijk: al deze mensen redden het best zonder dure sociale voorzieningen en zonder een beroep te doen op steun van staatswege. De meest sprekende voorbeelden in het artikel gaan over mannen en vrouwen die met hun nieuwe emplooi meer verdienen dan zij voorheen als formele sectorwerkers kregen. Ahmedabad, de stad waar ik onderzoek deed, komt uitvoerig in beeld, onder andere in de persoon van Babubhai Patni, een 58-jarige verkoopster van groenten op de markt Manek Chowk in het oude stadscentrum: ‘Ze verdient 250 rupees per dag (3,65 euro), maar dat is genoeg om haar hele gezin van negen personen te voeden, inclusief haar zoon, die onlangs zijn baan als diamantslijper verloor.’
Hoezo genoeg? Het is beneden de helft van het bedrag dat de Wereldbank lang geleden heeft vastgesteld als het niveau waaronder van excessieve armoede sprake is, namelijk één dollar per hoofd per dag. De crisis waarover wij klagen is sinds jaar en dag de staat van permanent tekort voor de bezitsloze mensheid ver buiten ons zicht.

Hoe is het deze onderklasse vergaan na de economische ineenstorting die vorig jaar inzette? Wat ik bij een recent bezoek aan de plaatsen van mijn onderzoek aantrof logenstraft het opgewekte relaas in The Wall Street Journal waarin de informele-sector-economie als oplossing voor stedelijk verval en werkloosheid wordt aangewezen. Aan de doorgeslagen flexibilisering van de arbeidsmarkt, het ontbreken van elk recht op bijstand en bescherming, is het te danken dat de diamantnijverheid in de stad Surat in korte tijd de helft van haar totale arbeidsbestand kon lozen. Maar liefst tweehonderdduizend slijpers raakten vanaf eind 2008 brodeloos. De andere helft mocht voorlopig doorwerken, zij het onder verkorting van de werkweek en met aanvaarding van een drastische verlaging van het stukloon. In Surat heeft deze dramatische sanering tot tientallen zelfmoorden van ontslagen diamantslijpers geleid die met honderd euro per maand voor de meest geschoolde en best betaalde krachten in de informele sector doorgingen. Zonder werk en inkomsten kunnen zij hun verblijf in de stad niet voortzetten, en terugkeer naar de streek van herkomst biedt evenmin soulaas omdat in de plattelandseconomie voor hen geen plaats is.
Wat dit reserveleger van arbeid in India en Indonesië is overkomen, doet zich op ten minste even grote schaal ook voor in China. Van de 120 tot 150 miljoen migranten die in de afgelopen kwart eeuw vanuit het achterland naar de steden in de kustprovincies trokken, zijn er volgens overheidsbronnen tien tot vijftien miljoen ‘voorlopig overtollig’ geraakt. Ook voor deze werklozen van de nieuwe economie zat er niets anders op dan de weg terug naar af in te slaan. Beducht voor herhaling van de arbeidsonlusten die bij de hervorming (lees sluiting) van de staatsbedrijven drie decennia geleden uitbraken, vroegen de Chinese autoriteiten al bij voorbaat het leger zorg te dragen voor rust en orde.
Wat komt er terecht van de geprezen zelfredzaamheid van informele-sectorwerkers? Mijn bevinding is dat in een leven van crisis de grenzen van de weerbaarheid al snel zijn bereikt. De bonte stoet van scharrelaars aan de rafelrand van de economie voorstellen als een menigte van kleine zelfstandigen die zich gedreven door ondernemingszin omhoog vechten, is net zo misleidend als kinderen uit de krotten van Bombay te betitelen als slumdog millionaires. Bij een recent verblijf in Ahmedabad bezocht ik weer de oude fabriekswijken. De misère van de afvalverzamelaars tekent het bedreigde bestaan dat ik aantrof. De prijsval die na de crisis ontstond heeft tot gevolg dat zij voor hun afval – oud papier, plastic, lompen en blik – van opkopers minder dan de helft krijgen van het vroegere bedrag. Vrouwen in deze beroepsgroep vertelden dat zij geen andere keus hebben dan al om drie uur ’s nachts met hun zwerfronde door de stad te beginnen, in plaats van om vijf uur ’s ochtends. Hun kinderen hebben ze van school moeten halen, niet alleen omdat ze het lesgeld niet langer kunnen opbrengen, maar ook omdat meer handen nodig zijn om een dubbele dagelijkse hoeveelheid op te halen.
Geconfronteerd met hun ellende valt het mij moeilijk de blijmoedige toon aan te slaan waarmee woordvoerders van de Wereldbank in The Wall Street Journal over het succes van de bond van werkende vrouwen in de informele economie van Ahmedabad berichten en waarmee ze het uitblijven van vast werk toeschrijven aan hun lage opleidingspeil. Anders gezegd, het is hun eigen schuld als zij niet verkiezen de weg naar verbetering in te slaan. In het laatste nummer van de nieuwsbrief die de bond verspreidt ligt de nadruk op het verlies aan werk en inkomsten onder de leden. Iemand die tot het kader van de bond behoort vertelt over de wanhoop waarop zij stuitte bij een huisbezoek aan Ranjanben Ashokbhai Parmar. Ze probeerde de vrouw gerust te stellen door te zeggen dat een betere tijd op komst was, maar de vrouw brak in tranen uit en riep vertwijfeld: ‘Wie heeft ons wat je een recessie noemt bezorgd, waarom doen ze dat?’ Net als vele anderen verkeert Ranjanben in acute nood. Ze heeft vijf kinderen, moet huishuur betalen maar heeft dat geld nodig voor de medicijnen van haar zieke man. Ze is de enige kostwinner, verzamelt met haar kleine dochter schroot en verdient daarmee niet genoeg om in alles te voorzien wat het huishouden minimaal draaiende moet houden. Hoe lang kan zij de kracht opbrengen om dit mensonwaardige bestaan vol te houden?

Wie praat er nog over de millenniumdoelstellingen waarmee regeringsleiders van rijke landen plechtig verkondigden in de nabije toekomst de armoede van een groot deel van de mensheid tot de helft terug te dringen? De belofte was al direct weinig geloofwaardig, maar de bestrijding van de huidige crisis toont aan hoe hypocriet dit vastberaden voornemen vanaf het begin is geweest. Immers, het beleid van economisch herstel omvat niet veel meer dan een reddingsplan gericht op de solvabiliteit van kapitaal en reikt weinig verder dan dienstbaarheid aan de belangen van de mondiale midden- en hogere klassen. In de wedloop om het presidentschap sprak Barack Obama bij gelegenheid nog zijn waardering uit voor de New Deal waarmee president Roosevelt destijds het kapitalisme wilde temmen. Van een dergelijk breed opgezet sociaal programma ter stimulering van werkgelegenheid en koopkracht is na Obama’s verkiezing niets meer vernomen.
Het roofkapitalisme waarvan de wereldorde in de afgelopen decennia doortrokken is geraakt, heeft tot een aanzienlijke inkrimping van beleid ten dienste van de gemeenschap van volken geleid. Er is dringend behoefte aan een herinrichting van de politieke economie om een grote achterhoede van de mensheid te bevrijden uit de chronische crisis. Het scheppen van werkgelegenheid – nee, niet alleen door wegen aan te leggen, maar ook door bijvoorbeeld volkswoningen te bouwen, zorgvoorzieningen aan te bieden en milieuvervuiling te bestrijden – en verhoging van de prijs van informele-sector-arbeid zouden bijdragen aan marktwerking op een manier die ook de beter bedeelde klassen tot voordeel strekt. Formalisering van het bestaan, tewerkstelling dus op basis van formele sectorvoorwaarden, komt de waardigheid ten goede van mensen die in de verborgen economie buiten het openbare zicht worden gehouden en moeten zien te overleven van het weinige dat voor hen overblijft. De informele sector zoals die nu opereert is niet een doorgangshuis op weg naar een beter bestaan, maar een bewaardepot waaruit geput wordt als het nodig is.

Er zijn geen aanwijzingen dat de economische koers zo wordt verlegd dat de in reserve gehouden onderklassen worden ingesloten. Abram de Swaan heeft het ontstaan van de verzorgingsstaat op het westelijk halfrond aan het begin van de vorige eeuw in verband gebracht met de angst van de gezeten burgerij dat uitsluiting aan de onderkant van de samenleving op aantasting van de gevestigde orde zou uitdraaien. Die vrees lijkt het bezittend deel van de mensheid in de wereld niet te hebben voor de veel omvangrijker classe dangereuse. De bevoorrechten wekken niet de indruk zwaar te tillen aan het risico van een opstand der bezitsloze horden. Het onbekommerd steeds meer voor zichzelf eisen staat niet los van de trend tot informalisering die op een vergaande scheeftrekking van de balans tussen arbeid en kapitaal is uitgelopen. Niet alleen zijn de kosten van werk op de bodem van de wereldeconomie tot het laagst mogelijke peil teruggebracht, fragmentatie houdt deze massa’s ook onderling sterk verdeeld. Zij zijn elkaars concurrenten op een arbeidsmarkt waar het aanbod structureel groter is dan de sterk wisselende vraag, en ze reageren hierop door zich sterk te maken langs banden van familie, gebied van herkomst, stam, kaste, godsdienst en andere primaire identiteiten. Dat staat een gemeenschappelijke belangenbehartiging op basis van werk en beroep in de weg.
Daarbij komt dat dit losgeslagen reserveleger gedwongen is rond te trekken in een nooit eindigende zoektocht naar vast werk dat voldoende opbrengt, en niet de kans krijgt zich blijvend te vestigen. Wat ik in zoveel woorden signaleer is de terugkeer van de sociaal-darwinistische ideologie, maar nu niet binnen het kader van de nationale staat, zoals tegen het einde van de negentiende eeuw, maar op mondiale schaal. Volgens deze op ongelijkheid stoelende leer, die het universele recht op een menswaardig bestaan weigert te erkennen, is niet armoede het probleem dat om een oplossing vraagt, maar zijn de arme mensen het probleem, de armen die door hun gebrekkige uitrusting de strijd om het bestaan niet kunnen volhouden. Behept met tal van defecten gaat het in de ogen van de beter bedeelden om een onnutte onderklasse waarvoor in de wereldeconomie geen ruimte is. Hoe raken we die ballast kwijt?

Jan Breman is als emeritus hoogleraar comparatieve sociologie verbonden aan de Amsterdamse School voor Sociaal-Wetenschappelijk Onderzoek en werkt voort aan zijn onderzoek naar arbeidsverhoudingen in verschillende Aziatische landen waaraan hij bijna een halve eeuw geleden begon