Reportage: Stichting De Terebinth

Tot behoud van het eeuwige

Voor de leden van Stichting De Terebinth zijn begraafplaatsen «stenen archieven» waar «dood en leven elkaar ontmoeten». Zij zetten zich in voor behoud van funerair erfgoed. Ook als het gaat om NSB-graven. «Sodeju, geen runenteken.»

Lunteren, vrijdag 10 november — Op het grind voor de gietijzeren toegangspoort van de algemene begraafplaats parkeert een station wagen. Voor hij uitstapt controleert Wim Vlaanderen nog eens de documentatie in zijn lederen schoudertas. Marguerite de Jong doet een vers fotorolletje in haar toestel. De twee stappen uit en gaan het hek door. Een groep konijnen stuift uiteen. In de verte tuft een tractor met sproeiapparatuur tussen de zerken door. In strakke, rationele kavels strekt de begraafplaats zich uit. «Geen greintje fantasie in het ontwerp», zegt Vlaanderen met een wolkje aan zijn mond. «Ambtenaar vanachter de tekentafel, dat werk.» Hij begeeft zich tussen de stèles ter linkerzijde van de laan, De Jong begint aan de rechterkant.

Hoofdschuddend bekijkt Vlaanderen de grafstenen. «Lieve ouders, lieve zoon, lieve grootmoeder. Natuurlijk, iedereen is lief.» Losse grassprieten kleven aan zijn schoen zolen. «Ken je die mop van dat jongetje dat over een begraafplaats liep? Hij vroeg aan zijn moeder waar de stoute mensen lagen.» Ernstig: «Zet er toch liever wat symboliek op, dat zegt zoveel meer.»

We bevinden ons op het oude gedeelte van de Lunterense begraafplaats. De geboorte data van de overledenen gaan dikwijls terug naar de negentiende eeuw. Af en toe wordt de klassieke eenheid ruw doorbroken door een glimmend granieten graf van een laat-twintigste-eeuwer. «Vreselijk als de harmonie tussen nieuw en oud ontbreekt», zegt Vlaanderen. Een begraafplaats moet je volgens hem vergelijken met een stad. Als je een oude binnenstad hebt, zet je daar geen nieuwbouw tussen. Hij tikt met zijn voet tegen een pompeus marmerbed. «De ondernemer probeert het iedereen aan te smeren. Ik spoor de mensen altijd aan om zelf bij de steenhouwer iets leuks uit te zoeken.»

We slaan een volgende rij in. Halt wordt gehouden voor een enorme zachtroze dekplaat waaruit een dikke zerk oprijst. Vlaanderen schat het op zo'n tienduizend gulden. «Terwijl het kant en klaar werk is. Eenheidsworst, de letters zijn er met de computer ingefrijnd.» Het type graniet komt uit India. «De werkomstandigheden zijn er zoals bekend vreselijk. Kinderhandjes, blote voetjes en geen gehoorbescherming.» Op de Zwolse begraafplaats Kranenburg, waar Vlaanderen (60) recentelijk afscheid nam als beheerder, mag dat gepolijste graniet niet eens. «Bij ons zeggen we: zoek maar een andere begraafplaats. De monumenten moeten in harmonie met de omgeving zijn.»

In een zerkenrij aan de overzijde van de laan zwiept een conifeer. «Ja, Wim, hier, ik heb ze.» De stem van De Jong breekt door de zware stilte. Op een drafje snelt Vlaanderen erheen. Achter de takken die De Jong opzij houdt ligt een menhirvormige zwerfkei. «E.J. Roskam. 22-1-1892 / 4-10-1974», staat er in verzonken zwarte letters. Roskam, die tijdens de oorlog boerenleider van de NSB was, heeft boven zijn naam een runenteken laten uitbeitelen. Vlaanderen haalt De geïllu streerde geschiedenis van de nsb en een runen alfabet uit zijn tas te voorschijn. «Dit zijn de letters ‹o› en ‹on›», zegt hij na een tijdje bladeren. «Het wordt ook wel het ‹ödal-teken› genoemd, wat ‹het geërfde land› betekent.» De Jong neemt volop foto’s. Ook van de ovaalvormige steen naast die van Roskam, waarop de naam van H. Reydon is aangebracht. Reydon, die gedurende de Duitse bezetting secretaris-generaal was op het departement van Volksvoorlichting en Kunsten en tevens leiding gaf aan de Kultuurkamer, heeft geen data op zijn kei staan. Wel een runenteken dat veel weg heeft van een neergestoken vork. «Dat is de letter ‹r›!» roept Vlaanderen uit. «De ‹r› staat tevens symbool voor ‹man en taxus›.»

De tractor is nabij gekomen. Een gezette man op rubberen laarzen klost over het zompige gras op het gezelschap af. Op zijn bovenlip beweegt een flinke snor. «Mag ik u vragen wat u aan het doen bent?» De Jong steekt haar hand uit. «Goedemorgen beheerder, wij zijn van De Terebinth. Onze vereniging spant zich in voor behoud van funerair erfgoed.» De beheerder heeft van De Terebinth nog nooit gehoord. «Wij zijn bezig met de inventarisatie van NSB-graven in Nederland», vervolgt Vlaanderen. «Vanwege de bijzondere symboliek die erop kan voorkomen. We zijn nog op zoek naar het graf van Van Geelkerken, dat moet ook hier liggen.» «Van Geelkerken zult u hier niet vinden», zegt de beheerder. «Die ligt helemaal achterop.»

Over het lot van de twee zwerfkeien hoeven Vlaanderen en De Jong zich volgens de beheerder geen zorgen te maken. «De graven zijn indertijd voor eeuwig uitgegeven, ze worden bovendien nog goed onderhouden.» Afgezien van deze drie, zo bezweert de beheerder, hebben ze hier op Lunteren verder geen runensymboliek liggen.

Een handjevol funeraire liefhebbers richtte in september 1986 Stichting De Terebinth op. De naam leidden ze af van de pistacia terebinthus, een eikachtige boom die symbool staat voor «het eeuwige». Ten tijde van de oprichting was er van een dodencultuur in Nederland nog nauwelijks sprake. Niemand leek zich te bekommeren om de mogelijke monumentale, genealogische en landschappelijke waarden van begraafplaatsen. Tot in de jaren tachtig werden roekeloos tientallen historische grafvelden, al dan niet met bekendheden in de bodem, met hulp van bulldozers platgestreken. Een onbekend aantal waardevolle ornamenten verdween zonder pardon in de puinbreker.

Frans Renssen was indertijd bij de oprichting van De Terebinth betrokken. De rillingen lopen hem over de rug als hij terugdenkt aan die tijd. Renssen: «Hoe eerder de lichamen weer verdwenen waren, hoe beter, was de opvatting.» In het jaar van oprichting verwierf De Terebinth enige bekendheid door Albert Heijn en de gemeente Heerenveen de oorlog te verklaren. Precies op de plek van een monumentale necropool hadden de grootgrutter en de gemeente een supermarkt gepland.

Ondanks het protest, waarbij De Terebinth zes rechthebbenden aan haar zijde wist, drukte de gemeente de snode plannen door. Renssen: «Alle zes zijn ze door de burgemeester omgepraat. Met beloftes van overplaatsing, nieuwe stenen en eeuwigdurende rechten op de nieuwe begraafplaats gingen ze om.»

Ondanks de verloren slag was de reputatie van het funeraire collectief gevestigd. In de daaropvolgende jaren zou De Terebinth met haar strijd voor het kerkhovelijk erfgoed een belangrijke bijdrage leveren aan een respectvoller kijk op dood en begraafplaats.

Op weg naar het graf van Van Geelkerken doet Vlaanderen zijn beklag over de sobere inrichting van de Lunterense begraafplaats. «Alles is hier hetzelfde. Waarom zet je hier niet wat haagjes tussen?» De beheerder haalt zijn schouders op. «Ik ben hier nog maar een week en dan ben ik weg. Ik word voorman bij de rioleringen. Twintig jaar heb ik dit werk gedaan, het is mooi geweest.» In die twintig jaar heeft de beheerder zijn best gedaan om er iets van te maken. Maar telkens werd hij teruggefloten door de ambtenaren op het stadhuis in Ede. «Die man op de tekenkamer heeft er de ballen verstand van. Over de hele begraafplaats heeft hij taxus neergezet, iets anders kent hij niet.» De beheerder schopt herfstbladeren voor zich uit. «Ik doe eigenlijk alles voor de mensen. Ligt de steen scheef, leg ik hem weer recht. Woekert een plant te ver door, knip ik ’m even bij.»

Binnenkort zal de begraafplaats uitgebreid worden, vertelt de beheerder. Hij wijst op een kale groene vlakte voorbij de laatste graven. «Gaat dat nog een beetje knap ingericht worden?» wil Vlaanderen weten. «Ik geloof dat er een vijver in het midden staat gepland», zegt de beheerder. «Je had ook een mooie laan moe ten eisen», zegt Vlaanderen. De beheerder kan het weinig meer schelen. «Wat moeten de mensen eigenlijk ook met een vijver?» Vlaanderen legt uit dat het belangrijk is dat nabestaanden op een waterpartij kunnen uitzien. «Lucht, water, grond, het gaat om die drie elementen. Daar moet je op een bankje over kunnen filosoferen. Jullie gaan er alleen maar vanuit hoeveel doden je op een hectare krijgt.»

Vlaanderen wil weten of de beheerder wel eens op de begraafplaats van Heemskerk is geweest. Dat niet, maar het rustiek gelegen Rusthof te Leusden kent hij wel. «Ze hebben daar een fraai kinderhoekje ingericht. Zoiets had ik ook voor hier in gedachten.» De beheerder gaat ons voor naar het kinder gedeelte. Achter een hoge heg doemen kleine, in zachte tinten gekleurde steentjes op. Tussen de bloemen ligt hier en daar een speelgoedbeest. «Al vijf jaar vraag ik bij de gemeente of ons kinderhoekje opgeknapt kan worden. Ze doen het niet. Terwijl ze weten dat die ouders met een volgend kind toch hier bij het grafje komen. Dus doe nou eens iets voor die kinderen, zei ik op het gemeentehuis. Zet desnoods een glijbaan erbij. Zodat die ouders even hun verdriet kunnen beleven en die nieuwe kinderen ondertussen van de andere graven afblijven. Weet je wat die man bij ons op de gemeente zei? Hij zei: en als ze naar opa gaan, moeten ze daar ook een schommel hebben, zeker.»

Baarn, zaterdag 4 november — In een zaaltje komen het Terebinth-bestuur en een twintigtal regiocoördinatoren bijeen. De nodige woorden worden gewisseld over de ophef makende vondst van Terebinther Guus Rüsing, die samen met acht medewerkers de regio Limburg onder zijn hoede heeft. In het ongewijde aardeperceel van de katholieke begraafplaats van Roermond trof Rüsing vorige maand het graf van Leendert de Leeuw aan, een NSB'er die in januari 1943 zelfmoord pleegde door een kelkje blauwzuur achter over te slaan. Op zijn steen stond een bijzonder Germaans teken. Omdat het graf, geteisterd door betonrot, op instorten stond plaatste Rüsing het op de monumentenlijst, zodat het gerestaureerd zou kunnen worden.

De rapen waren gaar toen de burgemees ter van Roermond er lucht van kreeg. Per brief decreteerde hij dat het graf van de lijst zou verdwijnen. «Belachelijk», zegt Rüsing in het Baarnse zaaltje. «Het gaat ons niet om de persoon maar om het bijzondere karakter van het monument.» De regiocoördinator Friesland valt hem bij. «Er is uit die tijd geen graf meer over. Ze zijn veelal stukgeslagen of verdwenen omdat de familie er niet meer voor durfde te betalen. Dat wat er over is, moet bewaard blijven.»

Voor het Terebinth-bestuur is het een heikele kwestie. Door de principiële opstelling van de burgemeester ging het lijken of De Terebinth een postume hommage aan het nationaal-socialisme aan het brengen was. Toch wordt in het zaaltje overeengekomen dat de regiocoördinatoren in hun gebied gewoon voortgaan met speuren naar vergeten NSB-graven, waarvan het aantal in Nederland overigens op niet meer dan tien stuks geschat wordt.

Als de vergadering is afgerond volgt een korte excursie naar de Nieuwe Algemene Begraafplaats van Baarn. «Na die kwestie met de Albert Heijn werden we ineens veel serieuzer genomen», zegt Frans Renssen in de auto op weg erheen. «We gingen expres begraafplaatsen bezoeken waar ruiming dreigde. Dan schakelden we de pers in en probeerden we de bevolking te mobiliseren.» Inmiddels is De Terebinth volgens Renssen een factor van betekenis geworden. «Als er iets gaande is op een algemene begraafplaats kunnen we tegenwoordig via de gemeente vrij eenvoudig inspraak afdwingen. Bij particuliere begraafplaatsen is het nog wel eens moeilijk, net als op katholieke. Die moeten zichzelf zien te bedruipen. Het is makkelijk voor ze om onze adviezen in de wind te slaan omdat ze de exploitatie rond moet krijgen.»

Ondanks het vijftigtal fanatieke vrijwilligers is het voor de vereniging onmogelijk om in het hele land funeraire misstanden te voorkomen. Renssen: «Er gebeurt nog veel achter onze rug om. Zo was ik laatst toevallig op de begraafplaats van Bovensmilde. Komt er een vrouw op me af rennen. Het graf van oma was verdwenen! Hooguit tien jaar geleden was ze begraven en het was een eigen graf. Ik zei: dan is de beheerder z'n boekje te buiten gegaan. Ik heb er werk van gemaakt en die steen is later teruggeplaatst.»

Hans de Ruiter, de regiocoördinator van Noord-Holland, maakte iets vergelijkbaars mee. «Ik woon op Texel, vlak naast de begraaf plaats. Toen ik langsreed zag ik een hoopje puin liggen, van een dikke steensoort. Ik haastte mij erheen en ja hoor, twee kale plekken zand. De laatste twee monumentale horizontale stenen van de begraafplaats, zomaar vergruisd!»

In Lunteren is Van Geelkerken gevonden. «Dit is ‘m», zegt de beheerder. Hij wijst op een rond afgetopte zwartmarmeren stèle. Vlaanderen maakt bezwaar als De Jong foto’s wil maken. «In wezen is dit graf voor ons niet interessant. We kunnen er als Terebinth natuurlijk niet voor gaan pleiten dat deze steen behouden moet worden.» Volgens de beheerder zou dat sowieso onnodig zijn. «De rechten lopen pas rond 2006 af. En ik weet zeker dat ook daarna nog wel betaald gaat worden.» Hij knikt in de richting van het aanpalende graf, waar een zekere Van Heerd begraven ligt. «Een nabestaande van Van Heerd is er een van hier op het dorp. Eentje met veel poen. Deze zal zeker ook voor Van Geelkerken bijbetalen. Van Geelkerken heeft geen kinderen, maar er was wel een bijzondere band met die Van Heerd.»

Over de laan gaat het in de richting van de aula. De beheerder vertelt dat hij pas geleden gebeld is door journalisten van de Evangelische Omroep. Vlaanderen schiet in de lach. Hij vertelt van het Limburgse NSB-graf dat De Terebinth op een monumentenlijst geplaatst kreeg en de heibel die daarover ontstond. «De pers dook er bovenop. Ik ben toen gebeld door een EO-journalist die nota bene lid is van de vereniging. Ik wist van de graven hier in Lunteren. Tegen hem kan ik het wel zeggen, dacht ik. Ik zei dat hij het stil moest houden totdat wij de inventarisatie rond hadden. Ineens stond hij op mijn antwoordapparaat, dat hij het toch ging uitzenden. Tijdens de uitzending al werd ik platgebeld. Het journaal, ANP, RTL, Het Parool en de Zwolse Courant.» Aan niemand wilde Vlaanderen verklappen waar de NSB-graven zich bevinden. «Er is altijd wel een idioot die het stukslaat.»

Behalve de graven in Lunteren kende Vlaanderen een NSB-graf op de algemene begraafplaats in Zwolle, ene Jantje Stephan-Van Egten, echtgenote van de Zwolse NSB-leider H.T. Stephan. De steen is uniek en moet absoluut behouden worden, vindt Vlaanderen. Behalve een NSB-driehoek en een runenteken staan er de slagzinnen «Hou en Trouw» en «Strijd en Offer» in uitgebeiteld. Ondanks het zwijgen van Vlaanderen slaagde de Zwolse Courant erin het betreffende graf op te sporen. Er werd een grote foto bij het artikel afgedrukt. «Als het stuk is, is dat de schuld van de Zwolse Courant. Een krant die in de oorlog nota bene een verschijnings verbod heeft gehad.»

Dat dergelijke graven aantrekkingskracht op extreem rechts kunnen uitoefenen, zoals de media suggereerden, houdt Vlaanderen voor kolder. «Samenkomsten van neofascis ten, het zou wat. Dat groepje rond Glimmerveen is tegenwoordig zo klein. Als extreem rechts echt wilde, hadden ze allang kunnen uitzoeken waar die graven lagen.» Al zouden er fascistische happenings plaatsvinden, «ook graven uit een donker verleden moeten bewaard worden voor het nageslacht». De Lunterense beheerder is het met zijn oud-collega eens. «Ik heb hier ook nog nooit kaalkoppen binnen gehad.»

Op de Baarnse begraafplaats verzamelen de Terebinthers zich rondom een op vrieskou geklede man. «Mijn naam is Kruidenier», zegt hij. «Ik ben lid van de historische vereniging Baarn en schrijf ook wel eens artikeltjes in de lokale pers. Deze begraafplaats dateert van 1828. Na de oorlog is hij compleet in verval geraakt. We hebben een beroep gedaan op vrijwilligers om dit op te knappen.»

Regiovoorzitter Rindert Brouwer maakt zich los van de groep. Hij wandelt tot aan de voet van een treurbeuk en kijkt met tevreden blik naar het gezelschap. «Het komt tegenwoordig steeds minder vaak voor dat we excursies naar bedreigde begraafplaatsen moeten beleggen, dat is een goed teken. Dat we ons nu met die NSB-graven bezig kunnen houden is een vorm van luxe.» Onlangs publiceerde Brouwer het boek Ook u wacht ik, een gids over «begraafplaatsen in Europa en hun geschiedenis». In de epiloog concludeert Brouwer dat «hoewel het onderwerp dood en begraven (…) lange tijd taboe is geweest» er nu een kentering is te bespeuren. «Het bewustzijn groeit dat niet de uitvaartondernemer en begraafplaatsverordeningen moeten uitmaken hoe wij onze doden willen gedenken, maar dat wij dat zelf kunnen en mogen doen», schrijft Brouwer. «In het verleden hebben kunstenaars hun hoogste inspiratie en vakmanschap vaak gegeven aan kerk en grafmonumenten. Ik verwacht, gezien de hier en daar tot ontwikkeling komende moderne kunst op begraafplaatsen, voor de nabije toekomst grote veranderingen.»

In de epiloog pleit Brouwer ervoor begraafplaatsen te beschouwen als «stenen archieven» waar «dood en leven elkaar ontmoeten». Terwijl het gezelschap achter Kruidenier aan wandelt, wijst Brouwer op een handjevol stenen tussen het natte gras die als laatste tanden in een opgegeven gebit overeind zijn blijven staan. «In feite is dit een heel trieste aanblik», zegt hij. «Deze stenen mochten blijven staan omdat er langer voor betaald is. Waar is de rest? Vermoedelijk afgevoerd omdat er geen betalende familie meer was.» Brouwer wijt het aan het gebrekkige administratieapparaat van destijds. «Vaak zie je dat als familieleden zijn verhuisd, zo'n beheerder geen enkele moeite meer doet om ze op te sporen.» Voor Brouwer vormt dit het zoveelste bewijs dat er in Nederland geen grafcultuur bestaat. «Loop in het buitenland over een begraafplaats, nergens zul je zoiets aantreffen als dit hier.»

Brouwer houdt het calvinisme verantwoordelijk voor de culturele kaalslag op de vaderlandse dodenakkers. «Die sobere grafcultuur is een protest tegen de katholieke manier van begraven. De protestanten geloven niets van dat vagevuur en het bidden voor de zieltjes van de overledenen. Omdat alleen Gods genade beslissend is en je er zelf toch niets aan kunt doen, is het dus maar beter er een eenvoudige steen op te leggen en te wachten tot het zo ver is.»

Heel extreem is het op de begraafplaats van Marken. «Daar zie je alleen maar paaltjes met een nummer. Het meest protestantse wat je hebben kan. Er staat zelfs geen naam op.» En in Volendam kunnen ze er ook wat van. «Daar is het gebruik dat men alleen algemene graven uitgeeft voor de duur van tien jaar, verder niks. Zelfs de beroemdste voetballer of palingzanger gaat er na tien jaar uit.»

Als hij kennissen of vrienden vertelt van De Terebinth, blijken velen het toch een macabere aangelegenheid te vinden. «Alsof we een of ander morbide gezelschap zouden zijn.» De meesten die bij De Terebinth zijn aangesloten hebben volgens Brouwer helemaal geen overmatige fascinatie voor de dood. «Als we zo met al die specialisten over een terrein schuifelen, merk ik dat we er juist veel te technisch naar kijken. Regelmatig moet ik mij voor mijn kop slaan dat er werkelijk mensen onder die grond liggen.»

Annemarie van der Wal, die de regio Flevoland beheert, zegt juist wel vanuit morbide overwegingen voor De Terebinth te hebben gekozen. «Mijn moeder stierf toen ik vijf was, mijn vader op mijn vijftiende. Er was een tijd dat je niet mocht kijken op begraafplaatsen. Dat je naar een psychiater moest als je er zonder reden kwam. Vijf jaar geleden is mijn doch tertje overleden. Mijn man en ik hebben het kistje zelf gedragen en we zijn in het graf gestapt om het weg te zetten. Via De Terebinth kom ik overal waar dat vroeger niet mocht.»

In de aula van de Lunterense begraafplaats speelt Vlaanderen een vrolijk deuntje op het orgel. De beheerder zet een verschoven stoeltje netjes in de rij terug. Vooraan in het muffe zaaltje staat een rijdende baar, afgedekt door een zwarte lijkwade. Aan de zijkant ligt een graflift waarmee de beheerder zijn kisten de grond in laat zakken. «Heb jij geen voetbediening?» vraagt Vlaanderen als hij het apparaat aanschouwt. «Nee, wil ik niet hebben», zegt de beheerder. «Je hebt je eigen tempo.»

Het is in de middag als we de beheerder de hand drukken. In de stationwagen gaat het op weg naar Raalte. Van de Friese historicus annex journalist Jack Kooistra heeft Vlaanderen de tip gekregen dat in die gemeente eveneens een NSB'er ligt. «Wellicht dat die wat symboliek op zijn steen heeft staan.»

Onderweg vertelt Vlaanderen over zijn jonge jaren als hovenier op de Nieuwe Ooster begraafplaats in Amsterdam. «Maffe dingen heb ik er meegemaakt. Altijd ontzettend veel gejank en geschreeuw.» Regelmatig moest hij nabestaanden vastgrijpen om te voorkomen dat ze de kist achterna zouden duiken. Bizarre taferelen maakte hij vooral in de jaren tachtig mee, toen vanuit de homoscene, waar in die tijd veel aidsdoden vielen te betreuren, de traditionele manieren van begraven luidruchtig doorbroken werden. «Onder invloed van drugs gebeuren de raarste dingen. Een keertje kwamen ze zelfs met kippen aanzetten. De beesten vlogen weg en konden verderop bij een kwekerij pas weer gevangen worden.»

Toen hij jaren later als beheerder op de Zwolse begraafplaats Kranenburg werd aangenomen, miste hij de excentrieke Amsterdamse uitvaarten wel. Enigszins werd dat gecompenseerd door de islamitische uitvaart rituelen die ook in Zwolle opgeld begonnen te doen. «Soennieten, sjiïeten, alevieten, en allemaal met hun eigen gewoonten. Sommigen wilden, in strijd met de wetgeving die zegt dat 36 uur moet zijn verstreken, binnen 24 uur begraven, terwijl dat nergens staat in de koran. En bij de een moest alle grond erop, bij de ander juist alleen maar handbreed. Vrouwen mochten er vaak niet bij zijn.»

Toen Vlaanderen begin jaren zestig in Amsterdam als hovenier begon, was de dood nog een levensgroot taboe. «Ik kwam een keer op een feestje. Een vriend zei dat ik op een begraafplaats werkte. Een meisje begon ontzettend te gillen.» In die tijd bestond de dood eenvoudigweg niet. «Grote uitvaartondernemingen werden opgericht, zogenaamd om de mensen alle zorg uit handen te nemen. Zij bepaalden wanneer je naar het rouwcentrum mocht komen, je wilde die rommel toch niet in huis? Koffie erbij, uurtje kistje kijken en hup, weg in de koeling.»

Toen Vlaanderen de wet op de lijkbezorging erop nasloeg, bleek er tot zijn verbazing veel meer toegestaan dan de ondernemers wilden doen geloven. «In de wet staat dat je indien gewenst zelfs een lichaam per bakfiets mag vervoeren.» In de jaren zeventig viel het Vlaanderen op dat mensen nieuwsgieriger werden naar zijn ambt. «Op feestjes moest ik allerlei indianenverhalen ontzenuwen. Dat je helemaal niet opgegeten wordt door wormen, dat soort dingen. Mensen wisten er weinig van omdat het tot die tijd diep weggestopt was.»

Zijn eerste ruiming herinnert hij zich nog goed. «Vier boven elkaar moesten eruit, in de huurklasse. Ik was wel nieuwsgierig wat er na tien jaar van een mens over zou zijn. De knekels en botten die we opgroeven moesten in een verzamelgraf. Toen ik zag wat er bovenkwam, dacht ik: ik ga gecremeerd worden.» Inmiddels denkt Vlaanderen daar anders over. «Cremeren kost een hoop fossiele brandstof. Vijf kwartier op een graad of achthonderd. Bovendien vind ik dat ik het niet kan maken. Zoveel graven verkocht en dan mezelf laten cremeren.»

Het ruimen ging hem steeds gemakkelijker af. «Het viel me wel tegen dat je niet echt mooie geraamtes zag bovenkomen. Vaak waren het toch ouderen, de tanden ontbraken al.» De ribben en de ruggengraat waren vaak nog wel intact. «De ruggengraat noemden we ook wel de blokkendoos. Kuitbeenderen noemden we trommelstokken. Dat soort jargon heb je nodig om ermee te kunnen omgaan.» Een lichaam dat nog niet verteerd was noemden ze een «pop». «Poppen waren vaak zwart of grijs van kleur. Ze waren opgezwollen, wat met medicijnen te maken had. We herbegroeven ze, ze konden zo niet in de knekelput.» Je kon ook met model «gans» te maken krijgen. «Dan waren alleen de dijbeenderen en de billen overgebleven. Vaak waren dat dikke mensen geweest.»

Vanaf het moment dat Vlaanderen in Zwolle als beheerder aangesteld werd, bleven hem dergelijke lugubere details bespaard. «In Zwolle werd niet geruimd. Er was niet zo'n enorme ruimtenood als in het westen.» Afgelopen februari gaf Vlaanderen er de brui aan, waardoor meer tijd voor Terebinth-activiteiten vrijkwam. Hij had er veertig dienstjaren op zitten.

In Raalte lijken ze beet te hebben. Vlaanderen: «We zijn op zoek naar graven met runentekens.» Beheerder: «Runentekens?» De Jong: «Die werden gebruikt door de NSB.» Beheerder: «O.» Vlaanderen: «Er zijn er maar weinig in Nederland, maar wij zijn ze aan het inventariseren. We zoeken het graf van P.C. Schmidt-Crans, hij was majoor bij de Staatspolizei.» Beheerder: «Dan moet je Berry op kantoor even bellen.»

Berry kan niets vinden. «Iedere gemeente moet een administratie hebben van de begraafplaats», zegt Vlaanderen door de telefoon. Uiteindelijk deelt Berry mede dat er een Schmidt-Crans op de oude begraafplaats ligt. We stappen in de auto. «Wie weet wat we op de steen aantreffen», zegt De Jong. Eenmaal op de begraafplaats wordt na lang zoeken het graf van «P.C. Schmidt-Crans 1895-1964» aangetroffen. «Sodeju, geen runenteken», zegt Vlaanderen. De Jong schudt teleurgesteld het hoofd. Bedremmeld besluiten ze dan nog maar een rondje te maken.

Na vijf minuten blijft Vlaanderen stokstijf staan. «Engelse vliegers», zegt hij. Keurig in het gelid staan vijftien blinkend opgepoetste witte oorlogsgraven. «De voltallige bemanning van een Brits oorlogstoestel», roept hij uit. Vlaanderen beklopt de stenen en interpreteert de tekens. De Jong fotografeert. «Per ardua ad astra», leest hij van een van de stenen voor. «Dat betekent zoiets als: met vleugels naar de sterren.» Een prachtige spreuk die hij direct noteert.