Media

Tot besluit

‘Als er iemand is die de staat van het gebit van de gemiddelde Nederlander kent, dan is het wel de koningin.’ Aldus de eerste zin van een column, getiteld De apenrots – een column die niet is verschenen en ook nooit geschreven zal worden.

Niet uit beleefdheid jegens de monarchie, laat staan uit medelijden met het onnoemelijk aantal, overigens weldenkende onderdanen die beginnen te blozen zodra ze de majesteit in het vizier hebben en veranderen in grimassende en handenwringende jongens en meisjes wanneer ze haar nabij komen. De reden is eenvoudiger: de column was bedacht voor de week van de troonswisseling en die laat, zoals we weten, nog steeds op zich wachten – te lang dus, want dit is mijn laatste bijdrage op deze plek. Sommige werkzaamheden verdragen zich nu eenmaal wat moeilijk met elkaar, in dit geval vanwege tijd en ritme.

Jammer is het wel, want er was nog zo veel om over te schrijven, in wat ik steeds gezien heb als een reeks van miniaturen over media, journalistiek en politiek. Veel onderwerpen bleven liggen, omdat actuele kwesties prioriteit vroegen, het moment ongeschikt was of omdat ideeën uiteindelijk niet substantieel genoeg bleken. Soms ook waren ze eenvoudig nog niet rijp genoeg, zoals het thema van de verhyping van het taalgebruik door Twitter, niet alleen op het domein van politiek, sport en popcultuur, maar ook in sectoren waar je dat niet zo snel verwacht. Wie een tijdje de tweets van ScienceGuide volgt, krijgt jeuk van alle superlatieven en krachttermen.

Maar er zijn ook onderwerpen die te lang zijn blijven liggen, zoals ‘framing’, een thema waaraan op deze plek alleen zijdelings aandacht is besteed. Ten onrechte, want de kracht en betekenis van frames, of interpretatiekaders, is immens, zoals dagelijks blijkt uit het nieuws dat ons wordt voorgezet. Zo werden we de afgelopen week vergast op krantenkoppen waarin de noodklok werd geluid over het peil van het Nederlandse onderwijs in taal en rekenen. Maar wie de tabel van de internationale vergelijking bestudeert, zal moeten vaststellen dat Nederland het relatief heel goed doet, zeker in vergelijking met veel andere West-Europese landen. De blik van media en politiek lijkt geconditioneerd: we kunnen blijkbaar niet anders denken dan dat het alleen maar minder wordt.

Op dezelfde wijze wordt de berichtgeving in de VS over het Israëlisch-Palestijns conflict gedomineerd door een frame waarin de rechten van Israël zijn verabsoluteerd. Een gebalanceerde, kritische verslaggeving in de mainstream media is daardoor vrijwel onmogelijk. De eenzijdige beeld­vorming heeft op haar beurt tot gevolg dat Amerikaanse politici worden weerhouden zich steviger op te stellen jegens Israël, dat systematisch iedere kans op een oplossing dwarsboomt door – onder het mom van zelfverdediging – disproportioneel geweld toe te passen en aanstuurt op de vorming van getto-achtige enclaves waarin de Palestijnen zijn veroordeeld tot een gemarginaliseerd bestaan.

Andere onderwerpen vroegen meer veldonderzoek, zoals het thema ‘kleding als boodschap’. Kledingstukken, ooit – in een samenleving van hoeden en petten – ondubbelzinnige symbolen van stand en klasse, zijn nu een ‘vlottend teken’, zoals cultuurwetenschapper Christine Delhaye het zo mooi uitdrukte. In de keuze van je kleding bepaal je mede wie je wilt zijn en waar je bij wilt horen. Dat klinkt aannemelijk, maar juist vanuit dat perspectief vormen de teksten die veel mensen op hun kleren dragen een raadsel. Ik heb er uren aan besteed, maar er nauwelijks patronen in kunnen herkennen, in die immense verzameling onbegrijpelijke teksten en symbolen, verwijzend naar al dan niet bestaande havens en atletiekclubs, voetballers, vakantieoorden, dieren, merken en fantasielocaties.

En dan is er een reeks van zeer uiteenlopende thema’s die bleven steken in aantekeningen. Spindoctors. De overeenkomsten tussen wetenschap en journalistiek. De actieve financiële en technologische steun die de VS geven aan democratische oppositiegroepen in verschillende landen. De eenzijdigheid van de wetenschap, die zich blindstaart op de ‘talige’ inhoud van media, en ondertussen niet of nauwelijks oog heeft voor de fysiologische effecten – terwijl we allemaal weten wat bijvoorbeeld muziek en ook beelden met ons lichaam doen.

Dan de ideeën van anderen die om een weerwoord vragen. Zal het ‘diepe lezen’, het opgaan in een andere wereld of de gedachten van een schrijver, werkelijk verdwijnen door de technologie van het multimediale scherm, zoals Steven Johnson, mediatheoreticus en auteur van de bestseller Where Good Ideas Come From, schreef? En staat de journalistiek er echt zo slecht voor als Jan Marijnissen vier jaar terug stelde: ‘Terwijl het aantal frontsoldaten van de waarheid steeds verder wordt uitgedund, groeit het leger van slippendragers van de macht’? Kortom, aan inspiratie geen gebrek. Maar het is, voor nu, mooi geweest.