Tot de dood ons scheidt

Van de circa 240 moorden die per jaar in Nederland worden gepleegd vallen er veertig a vijftig in de categorie ‘liefdesdelicten’. Zoals het geval-Willem P. Hij kon het leven zonder zijn vrouw, die er met een ander vandoor was, niet aan. ‘Ik kreeg een waas voor mijn ogen, duwde haar tegen de grond en…’
De namen van de geinterviewde en zijn slachtoffer zijn gefingeerd.
DE NABESTAANDEN en de officier van justitie waren het er tijdens het proces over eens: Willem P. was een gevaarlijke, gestoorde man die zijn ex-vrouw op een koelbloedige en brute wijze om het leven had gebracht. Twaalf jaar gevangenisstraf voor moord, met aftrek van voorarrest, luidde de eis. De rechter kwam in hoger beroep tot negen jaar voor moord.

De man die het vrijwel lege restaurant komt binnenlopen, lijkt in niets op het beeld dat ik heb van een koelbloedige moordenaar. Willem P. (41) is klein, heeft een groot, rond gezicht en zijn buik hangt zwaar over de riem van zijn spijkerbroek. Een pet bedekt zijn kalende hoofd. ‘Nou, vraag maar wat je wilt’, zegt hij nog voordat hij is gaan zitten. Hij is zenuwachtig, plukt voortdurend aan zijn snor en pet en kijkt mij in de uren dat we met elkaar praten geen enkele keer recht aan.
Willem P. ontmoette Anne, de vrouw die hij zes jaar later om het leven zou brengen, tijdens een braderie in de zomer van 1982. 'Het was liefde op het eerste gezicht’, vertelt hij, 'en zij was ook mijn eerste grote liefde. Ik was al 28, maar had nog nooit met een meisje gevreeen. Meisjes vielen niet op mij, maar met haar was het anders. Ik bewonderde haar. Zij had al veel meegemaakt. Ze was dertien jaar ouder, al twee maal getrouwd geweest en had een zoon van veertien. Maar dat kon me niets schelen, ik was zo blij dat ik eindelijk iemand gevonden had.’
Binnen twee weken trok Willem bij haar in en een half jaar later trouwden ze. Het eerste jaar van hun huwelijk was volgens Willem perfect. 'We deden alles samen, tot de boodschappen toe. Als je haar zag, zag je mij.’
De problemen begonnen toen Annes zoon ineens slechte cijfers haalde op school, nachten niet thuis kwam en in een supermarkt werd betrapt op het stelen van sigaretten. 'Van de ene op de andere dag veranderde hij. Hij deed alles om Anne en mij tegen elkaar uit te spelen. En altijd koos ze zijn kant; misschien begrijpelijk, maar het deed wel pijn.
Toen de situatie onhoudbaar werd, besloten we dat hij beter bij een tante kon gaan wonen. Maar het zou tussen Anne en mij nooit meer hetzelfde worden, er was inmiddels tussen ons te veel gebeurd en gezegd. Ik denk dat ze me onbewust de schuld gaf dat haar zoon moest vertrekken. We maakten ruzie over de kleinste dingen. Zij ging steeds vaker met haar vriendinnen op stap, winkelen, naar de film of de kroeg. Ze was geen avond meer thuis.
Voor mij hoefde dat stappen niet zo. Ik ben graag thuis, samen televisie kijken of een spelletje kaarten. Maar Anne moest voortdurend mensen om zich heen hebben. Aandacht - vooral van mannen - was belangrijk voor haar. Ze had in die tijd ook weer contact met haar eerste ex-man. In het begin vond ik dat oke, hij is immers de vader van haar kind. Maar later verdacht ik haar ervan een relatie met hem te hebben. Ik ben van nature jaloers, maar ik geloof nog steeds dat het zo was. Achteraf heb ik ook van anderen gehoord dat ze in die tijd vaker vreemd ging, al heb ik er nooit bewijzen voor gehad.’
VOOR DE RECHTBANK verklaarden verschillende familieleden en kennissen later dat hij Anne tijdens het huwelijk vaak had geslagen. Willem schudt zijn hoofd en zucht diep. 'Ik snap niet hoe ze daarbij komen. Misschien heb ik haar weleens stevig vastgepakt aan haar arm en haar door elkaar geschud. Maar dat deed ik alleen omdat ik wilde dat ze luisterde. Tijdens ruzies kon ze zo'n sarcastisch lachje op haar gezicht trekken en letterlijk op me neerkijken - ze was een stuk groter dan ik. Ze wist dat ze me op die manier hard kon raken. Dan wilde ik dat ze daarmee stopte. Maar geslagen… nee, dat heb ik nooit gedaan.’
Hoewel hun huwelijk zeker niet meer ideaal te noemen was, kwam de gedachte haar te verlaten nooit bij hem op. 'Nee, nooit. Overal is weleens wat, dacht ik. Voor mij geldt dat je maar een keer in je leven trouwt.’ Na een lange stilte laat hij erop volgen: 'Tot de dood ons scheidt… maar misschien heb ik dat wat al te letterlijk opgevat.’ Op zijn gezicht verschijnt voor het eerst een klein lachje.
Aan de relatie kwam definitief een einde toen Anne hem op een avond meedeelde dat ze een andere man had ontmoet en met hem verder wilde. 'Voor mij kwam de mededeling als een donderslag bij heldere hemel’, zegt Willem terwijl hij zijn handen in de lucht steekt. 'Ondanks al onze ruzies en meningsverschillen was ik er totaal niet op voorbereid. Ik heb haar gesmeekt of ik mocht blijven, gehuild, maar ze was vastbesloten.
Mijn wereld stortte in. Ineens verloor ik alles wat me dierbaar was. Het leven hoefde voor mij niet meer. We zijn toen toch nog een maand bij elkaar gebleven, maar het ging niet meer. Ik weet dat ik destijds heb geroepen dat ik haar en haar vriend zou vermoorden, maar dat meende ik niet. Het enige waar ik wel over dacht was zelfmoord.’
Willem huurde een flat, nog steeds met de gedachte dat het uiteindelijk wel weer goed zou komen tussen hen. 'Ik kon en wilde niet geloven dat ze me niet nodig had, ik hield zo verschrikkelijk veel van haar. Ik was bereid alles te doen om haar terug te krijgen.’
Maar niet lang daarna vielen de scheidingspapieren op zijn deurmat. 'Achteraf besef ik dat dat het moment was dat ik me voor het eerst realiseerde dat het wat haar betreft echt voorbij was. Ik ben naar haar huis gereden, heb de voordeur ingetrapt en de keuken kort en klein geslagen. Zij stond in een hoek te huilen en beloofde dat de scheiding niet door zou gaan. Ik geloofde haar, omdat ik haar graag wilde geloven. Ik wist toen nog niet dat haar nieuwe vriend al bij haar was ingetrokken.’
Vanaf dat moment belde Willem haar tientallen keren per dag, zowel thuis als op haar werk. 'Ik moest gewoon met haar praten, haar stem horen. Ik kon de gedachte dat ze met een andere man was niet verdra gen. Het klinkt misschien vreemd, maar ik geloofde er heilig in dat ik haar op die manier terug kon krijgen.’
Het bleef niet bij telefoontjes alleen. Hij postte urenlang voor haar huis en het reclamebureau waar ze werkte, vernielde haar auto en ramde met een gehuurde truck de voorgevel van haar huis. Dit voorval haalde zelfs de landelijke pers. 'Maar ik heb nooit, nooit enig moment gedacht dat ik haar zou willen vermoorden.’
Nadat ze een geheim nummer had genomen, stuurde hij dreigbrieven, die later tijdens de rechtszaak als belangrijkste bewijsmateriaal zouden dienen om aan te tonen dat er sprake was van moord met voorbedachte rade. 'Anne vroeg een straatverbod aan, maar daar trok ik me niet veel van aan. ’s Nachts stond ik vaak urenlang voor haar huis. Door al deze toestanden functioneerde ik niet meer op mijn werk en raakte ik mijn baan kwijt. Toen had ik nog meer tijd om na te denken, langzaam maar zeker werd het een obsessie.’
De dag dat Willem P. haar om het leven bracht, staat in zijn geheugen gegrift. Honderden keren heeft hij in zijn hoofd de gebeurtenissen opnieuw beleefd. Toch vertelt hij er zo afstandelijk over dat het lijkt alsof hij het zelf niet heeft meegemaakt. 'Het was een dag na kerst. In die tijd dronk ik veel, heel veel. Met een kater werd ik wakker, kon me ineens niet voorstellen dat ik het nieuwe jaar zonder haar zou zijn. Ik ben naar haar huis gereden en heb me in het parkje ertegenover verschanst. Toen haar vriend het huis verliet, ben ik door de achterdeur naar binnen gegaan. Ze schrok en vroeg wat ik kwam doen. Ik voelde me ziek, begon te huilen, zei dat ik niet zonder haar kon leven en smeekte of ik terug mocht ko men. Maar ze luisterde niet. Ze begon te gillen en rende naar de telefoon. Ik rukte de hoorn uit haar hand, greep haar vast en hield een hand voor haar mond, omdat ik bang was dat de buren haar zouden horen. Ze beet me en toen ik mijn hand terugtrok, zag ik weer dat sarcastische lachje op haar gezicht. Ik kreeg een waas voor mijn ogen, duwde haar tegen de grond en stompte met mijn vuist in haar gezicht. Daarna legde ik mijn handen om haar keel. Niet om haar te wurgen, ik wilde alleen maar dat ze stil zou zijn, dat ze naar me zou luisteren, dat de pijn zou verdwijnen. In mijn gedachten heb ik slechts een paar seconden haar keel dichtgeknepen, maar later hoorde ik dat het minuten moeten zijn geweest.’
'TOEN ZE NIET meer bewoog, ben ik naast haar gaan zitten. Het was alsof er een zware last van me afviel. Ik voelde me op dat moment heel vredig. Ik dacht: nu komt alles goed. Zeker een uur ben ik nog bij haar gebleven.
Op een gegeven moment ben ik naar buiten gelopen, in mijn auto gestapt en naar huis gereden. Ik was heel kalm, de gedachte dat ik haar zou hebben vermoord, kwam niet in me op. Thuis ben ik op bed gaan liggen en in slaap gevallen. De politie heeft me niet lang daarna van mijn bed gelicht.’
Hoewel de politie ervan overtuigd was dat Willem P. de dader was, konden ze het niet bewijzen. Naast Willem werd alleen Annes nieuwe vriend verhoord, maar dat was niet meer dan een formaliteit. Zes dagen sprak Willem geen woord tegen de politie. 'Ik was doodsbang voorgoed opgesloten te worden. Ik wist dat de maximumstraf twintig jaar was; voor mijn gevoel de rest van mijn leven. Daarbij kon ik niet geloven dat ze niet meer leefde. Ik verwachtte dat ze elk moment het politiebureau zou binnenlopen en duidelijk zou worden dat alles een tragisch misverstand was. Pas toen ik tijdens een verhoor foto’s van de begrafenis onder ogen kreeg, begon het tot me door te dringen dat het misschien wel waar was wat ze zeiden. Hoewel ik me ook toen nog niet kon voorstellen dat Anne dood was, dat zij het was die in de kist lag. Vanaf dat moment interesseerde me niets meer en heb ik alles verteld.’
Willem P. groeide op in een dorpje in het oosten van het land als jongste in een gezin met twee kinderen. Zijn vader was autohandelaar en bekleedde bestuursfuncties bij verschillende verenigingen. Hij genoot aanzien in het dorp waar ze woonden. Zijn moeder, die parttime werkte op het gemeentehuis, stierf aan kanker toen hij zes was.
'Mijn vader was een precieze, strenge man. Alles moest gaan zoals hij vond dat het hoorde. Maar verder waren we eigenlijk een doorsnee gelukkig gezin. Na de dood van mijn moeder veranderde dit. Mijn vader raakte verbitterd. Hij zei het niet met zoveel woorden, maar het leek alsof hij mijn broer en mij de schuld gaf van haar dood. In ieder geval moesten we ervoor boeten. Voorheen had hij ons nog nooit geslagen, maar vanaf dat moment was het schering en inslag.
Ik herinner me nog dat ik een keer niet naar huis durfde omdat ik met mijn fiets was gevallen en het voorwiel scheef was. Urenlang heb ik buiten rondgelopen. Pas toen het donker was, ben ik met knikkende knieen naar huis gegaan. Mijn vader had inmiddels het hoofd van de school en ouders van klasgenootjes gebeld. Hij was witheet, riep dat ik hem te schande maakte en sloeg me helemaal in elkaar. Een week lang ben ik niet naar school gegaan, zogenaamd omdat ik griep had. Ik geloof dat hij zelf het meest geschrokken is van zijn actie, want hoewel ook daarna problemen altijd met slaag werden opgelost, is het nooit meer zo erg geweest.
Volgens de gevangenis-psycholoog zou de situatie thuis een verklaring kunnen zijn voor mijn latere gedrag, maar dat geloof ik niet. Mijn vader staat er helemaal buiten. Ik ben zelf verantwoordelijk voor mijn daden. De enige overeenkomst tussen mijn vader en mij is misschien dat we nooit hebben geleerd ons verdriet te verwerken.’
De zes jaar die Willem in de gevangenis doorbracht noemt hij totale verspilling. 'Ik werkte elke dag, lampekappen in elkaar zetten, enveloppen vouwen, bloemenkransjes stikken, noem maar op, ik heb alles gedaan. Zinloos werk, maar het was de enige manier om de dag door te komen. Met medegevangenen had ik weinig contact, meestal zat ik in mijn cel televisie te kijken. Het was een kwestie van overleven, ik geloof niet dat ik er iets geleerd heb of er een beter mens van geworden ben. Misschien alleen nog verbitterder.
Bezoek kreeg ik bijna nooit. De enige die me regelmatig bezocht, was mijn advo caat. Mijn broer heb ik nooit meer gezien en mijn vader is me slechts een keer komen bezoeken. We kregen toen een woordenwisseling en dat was meteen de laatste keer dat ik hem zag.’
Met de familie van zijn ex heeft hij nooit meer contact gehad. 'Om eerlijk te zijn: ik ben daar ook niet zo mee bezig geweest. Ze hebben mij ook nooit gesteund. Ik heb ze wel nog een brief geschreven toen ik in voorarrest zat. Ik schreef dat ik er verschrikkelijk spijt van had, maar dat was alleen omdat de advocaat dacht dat ik daarmee een goede indruk zou maken op de rechter. Het klinkt hard, maar Anne had een slechte jeugd gehad en had vrijwel geen contact meer met haar ouders. Ze hebben nooit laten blijken iets om haar te geven. Ik kan me niet voorstellen dat ze om haar getreurd hebben.’
Wat Willem het meest dwars zit, is dat hij veroordeeld is voor moord. 'Ik weet dat ik haar heb gedood, maar vermoord… nee. Het is waar dat ik ermee gedreigd heb, maar iedereen roept weleens zoiets. Ik ben geen moordenaar, dat zit niet in mijn karakter. Ik had liever drie jaar langer gezeten als ik het vonnis had kunnen omzetten in doodslag. Moord is als je er vantevoren over nagedacht hebt en ik kan met de hand op mijn hart zeggen dat ik er vooraf nooit serieus mee bezig ben geweest.’
'DE GEVANGENIS-PSYCHIATER zei dat ze zich niet kan voorstellen dat ik nog een keer iemand om het leven zou brengen, maar dat zou ik nooit hardop durven zeggen. Als de omstandigheden maar zwaar genoeg zijn, denk ik dat iedereen in staat is om in een opwelling een ander te doden.
Nu ben ik vrij, maar wat betekent dat? Als je uit de gevangenis komt, begint de straf pas echt. Alles ben ik kwijtgeraakt. Ik ben in een heel ander deel van het land gaan wonen, waar ik niemand ken en niemand weet wie ik ben. Mijn familie en vroegere vrienden zie ik nooit meer.
Sinds een half jaar werk ik weer, maar dat is dan ook alles wat ik heb. Ik hoop opnieuw een vrouw tegen te komen en samen met haar een nieuw leven te beginnen, maar ik ben bang dat dat niet meer lukt. Eigenlijk kun je zeggen dat ik niet alleen haar, maar ook mezelf heb vermoord. Ik ben misschien wel vrij, maar zit voor eeuwig gevangen in mijn verleden.’