Maarten Tromp voor de zeeslag bij Duins in 1639 getekend door Charles Rochussen © Rijksmuseum Amsterdam

Het monsterschip is een historische studie die leest als een blockbuster: Master and Commander en Sink the Bismarck! tegelijk, met Russell Crowe als Maarten Tromp en Jeremy Irons als zijn sluwe tegenstander, admiraal Antonio de Oquendo. Een heerlijk boek. De lezer valt onmiddellijk in de actie. Niks geen ‘hoe zat het ook al weer met die Tachtigjarige Oorlog?’ – nee, pats! Tromp heeft meteen haast. Duinkerker kapers bedreigen de vissersvloot, de Spanjaarden kiezen zee met een gigantische armada, terwijl de hoogmogende heren van de Staten-Generaal op hun handen zitten en kibbelen over geld. De nieuw benoemde luitenant-admiraal van de Republiek loopt zich dus het vuur uit de sloffen om schepen, mannen, kruit en kanonnen te krijgen. Hij kiest zee met niet meer dan twaalf schepen.

Panhuysen voert de spanning meesterlijk op. De kleine vloot legt een blokkade voor Duinkerken, patrouilleert in het Kanaal, wachtend op wat komen gaat. Er wordt nauwelijks een schot gelost, er wordt veel geschipperd, gekalefaterd, gepalaverd en geruzied, vooral met vice-admiraal Witte de With, dat notoire heethoofd, en alles is natuurlijk steeds onderworpen aan het humeur van de zee, het getij, de mist, de wind. Pas op pagina 237 (van 300) ontbrandt de strijd.

Die loopt uit op de zeeslag bij ‘the roadsted of the Downs’, ‘Duins’, een beschut stuk zee pal voor de kust van Kent tussen Ramsgate en Deal. Eind oktober 1639 vernietigt Tromps eskader daar het grootste deel van een enorme, zwaarbewapende Spaanse vloot, die was uitgevaren om duizenden soldaten in Vlaanderen aan land te brengen en zo het verloop van de oorlog in de Lage Landen beslissend te beïnvloeden. Admiraal Oquendo verliest tientallen schepen en zo’n zesduizend man. Hij druipt in schande af. Mede door ‘Duins’ raakt de Spaanse oorlogsvoering in het slop.

Luc Panhuysen voert de spanning voor de zeeslag meesterlijk op

Het monsterschip is geen negentiende-eeuws heldenepos, al kan het boek een triomfantelijk toontje over die arrogante Spanjaarden en die slimme Hollanders niet worden ontzegd. Het is vooral een verhaal over de nuts and bolts van de zeventiende-eeuwse maritieme wereld, schepen, logistiek, communicatie en leiderschap. Tromp is bij Panhuysen een moderne, pragmatische ‘teamplayer’, die aan boord respect geniet omdat hij ooit zelf als gewone scheepsjongen is begonnen. Hij weet hoe de kapiteins en vice-admiraals in zijn vloot, koninkjes op hun eigen eikenhouten koninkrijkjes, moeten worden geïnstrueerd, gecorrigeerd, aangemoedigd en beloond. Tegelijk is hij aan wal de onderdanige dienaar van de Staten-Generaal, die nederig soebat bij de gewesten en de admiraliteiten, maar die door zijn vasthoudendheid de heren uiteindelijk voor zijn analyse wint. Logistiek was cruciaal.

Het succes van de Nederlandse vloot was gebaseerd op het voedsel aan boord, schrijft Panhuysen. Bonen, gort met pruimen, kaas en brood, af en toe spek – niet karig. Een matroos at zo’n 4800 calorieën per dag. Waar Oquendo zich bij Duins had klemgezet en zijn mannen ziek zag worden, daar kon Tromp zich vlot uit Zeeland laten bevoorraden. Communicatie, tenslotte, blijkt bij Panhuysen een zinderende activiteit. Je zou denken dat eenmaal buitengaats, zonder radio, het eskader grotendeels doof en blind voer, maar niets was minder waar. Panhuysen beschrijft een onophoudelijk gependel van boodschapperscheepjes van de vloot naar en van Den Haag, ook naar Londen, Brussel, Parijs en zelfs Madrid. De diplomatie stond nooit stil.

Verhalen over zeeslagen in de zeventiende eeuw waren nog niet zo lang geleden gesneden koek voor de gemiddelde Nederlander. Er werd immers niet alleen de geschiedenis van de Republiek mee geschreven, maar ook een belangrijk deel van het nationale zelfbeeld mee ingevuld. Dat klopt in sommige opzichten nog altijd, ook in Panhuysens moderne, opgeschoonde versie van de gebeurtenissen. Tromp was in de minderheid, maar hij was slim, vasthoudend, alert en innovatief; hij hield zijn kapiteins voor dat hun vloot weliswaar kleiner was, maar dat ze de vijand als één aaneengeklonken machine tegemoet zouden treden, als een ‘monsterschip’.

Even kenmerkend voor dat zelfbeeld was dat de Spaanse vijand zichzelf in de voet geschoten had met een ouderwets idee over eer. Oquendo beval dat niemand de Nederlandse schepen mocht aanvallen vóór hij zelf Tromps vlaggenschip had overmeesterd; de ridderlijke manier. Maar de volkse, moderne Hollander ging er niet in mee. Tromp hield afstand, bracht zijn tegenstander beslissende schade toe met zijn kanonnen, en schopte de slagorde van de Spaanse vloot zodanig in de war dat Oquendo hinkend zijn toevlucht zocht bij Duins. Tromp hoefde alleen maar te wachten tot de Spanjaarden honger kregen.

Dat de straatnaambordjes in de Zeeheldenbuurten tegenwoordig kritisch worden bekeken is terecht. In dienst van de Republiek werden door diezelfde vlootvoogden uitzonderlijk wrede campagnes uitgevoerd, uit winstbejag, en die oude verering kan in veel gevallen bij het grofvuil. Overwinningen als die bij Duins hadden echter onmiskenbaar een belangrijke verdienste: de Republiek overleefde. In 1631 had Descartes daar die beroemde zin geschreven: ‘Quel autre pays où l’on puisse jouir d’une liberté si entière’ en daarna: ‘In welk land zijn er altijd mannen in het geweer, juist om ons te beschermen?’ De kruitdamp rond Tromp, de vrijheid van Descartes, die dingen hingen samen.