Opheffer

Tot hier en niet verder

Vrijheid was vroeger onze maatstaf. Vrouwen emancipeerden, omdat vrouwen niet vrij waren, homo’s kwamen uit de kast, omdat ze niet vrij waren, drugs moesten vrij gebruikt worden, omdat anders de geest niet vrij was. Vrijheid, iets mooiers was er niet; vrijheid, zeg ik nog steeds, iets mooiers is er niet.

Maar vrijheid is gedateerd geraakt. Men wil helemaal niet vrij zijn. Men wil zich kunnen houden aan de regels uit een boek. Vijf keer per dag bidden of vrijdag vis eten of zes keer biechten of jezelf straffen: de mens is een meester in het zichzelf opleggen van beperkingen. Een mens is dol op gevangenissen – en zet zichzelf ook met genoegen gevangen.

Vrij zijn wordt als een zonde ervaren. Als een regisseur een schokkende film maakt, is hij daar eigenlijk niet vrij in. Hij loopt de kans vermoord te worden. Wanneer een tekenaar een schokkende tekening maakt, loopt ook de ambassade van zijn land de kans in de fik te worden gestoken. Als we een land ontdoen van zijn dictator en we proberen daar democratie te brengen, omdat democratie de grootst mogelijke garantie op een vorm van vrijheid is, dan wordt dat streven als onverstandig geacht: liever geen doden en geen vrijheid dan doden en vrijheid. Deze paradox tekent de tragiek van deze tijd.

Een Palestijn berooft zich van het leven, en dus van de mogelijkheid om vrij te zijn, om te bewerkstelligen dat zijn volk «rechtvaardig» behandeld wordt. Een Israëliër bombardeert een heel dorp, omdat hij niet meer «bedreigd» wil worden. De vrijheid ligt in het Midden-Oosten in de uitverkoop.

Leef in vrede met elkaar en je bereikt de grootst mogelijke vrijheid: je kinderen kunnen naar school, je krijgt water, je economie groeit. Maar nee, we willen liever ons bestaan rechtvaardigen dan vrijheid. Liever jij en ik samen kapot, dan samen vrijheid.

Ik geloof dat ik veel van de moderne politiek niet begrijp, omdat het vrijheidsberoving is. Onze eigen minister Donner acht een democratie niet volwaardig als er niet in God wordt geloofd. Je gelooft het niet, wat hij zegt, maar het is zo. God en vrijheid gaan eigenlijk niet samen – maar een meerderheid in de Tweede Kamer gelooft tegenwoordig in God. Het is om te huilen. En het is ook een reden om wantrouwig te worden, want uiteindelijk willen die Godsgelovers geen vrijheid. Ze willen regels, normen, waarden. Normen en waarden zijn eigenlijk de steekmuggen van de vrijheid. Het zijn toch weer verbodsbepalingen, die normen en waarden, inperkingen, grenspaaltjes, borden met een rode rand eromheen – tot hier en niet verder, want dan is het niet beschaafd, onfatsoenlijk, not done

Dat onze cultuur altijd vooruit is geholpen (met «vooruit» bedoel ik niet beter), is in feite te danken aan ons onfatsoen. Het was onfatsoenlijk toen vrouwen gingen emanciperen, het was onfatsoenlijk toen homo’s openlijk de homoliefde bedreven, het was onfatsoenlijk om je tegen de kerk af te zetten, het was onfatsoenlijk om tegen de Amerikaanse president te zijn, het was onfatsoenlijk om te weigeren «excellentie» te zeggen. De normen zijn gelukkig soms hardhandig veranderd.

We bombardeerden Duitsland kapot omdat we vrij wilden zijn.

Is het in feite niet belachelijk dat onze minister-president in een tijd dat vrijheid weer kostbaar is geworden, zich zo intens met normen en waarden bemoeit? Is het niet belachelijk dat er constant gehamerd wordt op die fatsoensnormen, omdat er wel eens een relletje is? Zoveel relletjes zijn er trouwens niet. Ja, bij het voetbal. Bij een spel waarin enige vorm van vrijheid bijna totaal uitgesloten is.

Wat doen onze jongens in Afghanistan? Als het goed is, gaan we daar scholen bouwen en ziekenhuizen en waterputten slaan en wegen aanleggen, allemaal zaken die de vrijheid bevorderen, alleen weten we dat de realiteit anders zal zijn. Ons doel nu is ons met militaire middelen geliefd te maken. Door militair vertoon moet men van ons gaan houden. Love at gunpoint. Dat zal wel lukken, denk ik…

Vrijheid is iets afkeurenswaardigs geworden, want het is regelloos, normloos, waardeloos. En dat wil men niet.

Terwijl ik dit schrijf gaat de discussie over de aow. Moeten rijke ouderen meebetalen aan het pensioen of niet? Links wil rijke mensen laten betalen, rechts wil jongeren harder laten werken. En wat willen de ouderen? Die willen niet betalen, want vrij zijn – gelijk hebben ze. Nu hebben de meeste bejaarden een naïef idee van vrijheid («En als ik 65 ben, ga ik lekker niets doen»), maar wat dondert dat? Ik denk wel eens: waarom vragen ze niet gewoon een flinke bijdrage aan de ouderen, die dan zelf mogen zien of ze dat gaan betalen of niet. Natuurlijk gaat geen oudere dat betalen. Dat weet ik. Maar dan kun je daarna een maatregel nemen. Men dient eerst in alle vrijheid te handelen. Hoe vrijer je bent, hoe beter.

Vrijheid is geen geliefd product. Men is er bang voor. Vrij vliegen: het is onmogelijk. Vrij over straat lopen: je loopt gevaar. «Vrij veilig» betekent niet vrij vrijen. En ook de vrijheid in de liefde is weg. Vreemdgaan… foei, mag niet! Ik herinner me nog de commune, ik herinner me nog de vrije seks – het wordt als iets idioots gezien. Daarvoor in de plaats zijn de sprookjeshuwelijken gekomen.

«Een gemiddeld huwelijk kost ongeveer tienduizend euro», hoor ik op de radio. Tienduizend euro! Daar zit dan wel een huwelijksreis «van een week» bij. Een huwelijk: een jurk, een rokkostuum, een receptie, een diner, een kerk – weet ik veel allemaal. Zeg maar «ja, ik wil» tegen je onvrijheid, want dat is het huwelijk. Men doet het graag. Het wordt aangeraden! Trouw! Terwijl één op de drie huwelijken mislukt. Hoe vrij is men? Hoe trouw?

Ik zal blijven strijden voor de vrijheid. Maar ik doe dat in het besef dat ik tot een minderheid behoor. Een goddeloze minderheid.