Tot in haar hoofd iets knapte

Kathrin Schmidt, Du Stirbst Nicht. € 23,65

Het leven terug veroveren op de toesnellende dood. Dat is niet onmogelijk en komt, dankzij toenemend medisch vernuft, steeds vaker voor. Maar het is zelden zo precies en indringend beschreven als in Du stirbst nicht. Deze roman van de in 1958 in de toenmalige DDR geboren Kathrin Schmidt werd dit najaar terecht bekroond met de Deutsche Buchpreis 2009, want zij heeft met de deels poëtische, deels plastische beschrijving van een ingewikkeld genezingsproces een prachtig literair werk afgeleverd.
Met het uitroepen van dit werk tot de beste Duitstalige roman van dit jaar bereikt het schrijverschap van Kathrin Schmidt een hoogtepunt. Het begon in de jaren tachtig met verschillende dichtbundels, waarna in 1998 haar eerste roman volgde, Die Gunnar-Lennefsen-Expedition, die ook in het Nederlands verscheen. Grote indruk maakte haar familieroman Koenigs Kinder uit 2002. Drie jaar later verscheen de roman Seebachs schwarze Katzen.
In Du stirbst nicht keert Schmidt terug naar het jaar 2002. In de zomer van dat jaar scheurde een ader in haar hersenen. Ze moest worden geopereerd, lag enkele weken in coma en toen ze daaruit ontwaakte bemerkte ze niet alleen dat haar rechterarm en -been waren verlamd, maar dat ook taal en spraak waren verdwenen. Afasie luidde de medische term, taalstoornis als gevolg van hersenletsel. En bovendien was ze haar geheugen kwijt. Ze kon zich niet meer de weken vóór haar hersenbloeding herinneren.
Haar genezingsproces is een belangrijk thema in deze roman, die toch maar deels autobiografisch is. De hoofdpersoon is schrijfster, moeder van vijf kinderen en was tijdens haar ziekte 44 jaar oud, net als Schmidt, maar ze heet Helene Wesendahl, waardoor ruimte ontstond voor de fantasie. Fictie en non-fictie hebben zich hier aan elkaar gepaard.
Het bijzondere van de roman is Schmidts beschrijving van een ontwikkeling die zich grotendeels aan het oog van een buitenstaander onttrekt. Want wat speelt zich af in het geschonden hoofd van iemand die hardnekkig probeert haar verloren spraak en verdwenen geheugen terug te halen? Helene wil zich uiten, maar de woorden ontbreken. Ze wil zich herinneren, maar staart in een zwart gat.
Schmidt heeft dat onder woorden gebracht. ‘Taal, dat slapende dier (…). Elk woord moet ze zoeken en in stilte voor zichzelf uitspreken, voordat ze het hardop zeggen kan. Maar nu is alles weg, alleen nog maar verwarring in haar hoofd, zelfs de slapende taal is onvindbaar geworden, het hart gaat tekeer, ze heeft het gevoel dat de klem in haar hoofd begint te ratelen, en als ze haar hand voor haar hoofd slaat, eigenlijk wilde ze beide handen voor haar hoofd slaan, bespeurt ze de speekseldraden die links, midden en rechts uit haar mond hangen.’
Het is een deerniswekkend beeld, dat regelmatig terugkeert, maar Helene is een sterke vrouw die haar sprakeloosheid wil overwinnen. Geleidelijk aan keren de woorden terug, en met de woorden de herinneringen.
Het eerste woord dat haar weer te binnen schiet, is de naam van haar man: Matthes. En aan die naam kleven herinneringen. Matthes is nu een zorgzame, aanhankelijke echtgenoot die elke dag op bezoek komt, maar toch was er iets met hem. En uit het duister doemt de vraag op of ze niet op het punt stond Matthes te verlaten. Had ze niet aan scheiding gedacht? Hijzelf zwijgt daarover, en doet zelfs iets onverklaarbaars. Toen Helene na vier weken voor de eerste keer even naar huis mocht, had hij, zonder enig mededogen met haar toestand, met haar de liefde bedreven. Later zal ze in staat zijn deze lompe daad in een ander licht te plaatsen.
Eerst moet Helene leren zich te herinneren. Ze doet dit door ‘greppels in het verleden’ te graven. Dit graafwerk levert de naam Viola op met daaraan gekoppeld de herinnering dat deze Viola eerst Viktor heette, gehuwd was geweest en vader van een tweeling. Maar in dit mannenlichaam had een vrouw gehokt die naar buiten wilde, en dus was Viktor na enige ingrepen een vrouw geworden, die iets mannelijks had. Helene had haar/hem leren kennen in het park van Sanssouci in Potsdam en tussen hen was kortstondig iets moois opgebloeid, maar ze had uiteindelijk toch Matthes niet willen verlaten, ofschoon hun huwelijk in een crisis verkeerde.
In deze roman lopen, zo veel moge duidelijk zijn, twee verhalen door elkaar. Het verhaal van het genezingsproces is verweven met het verhaal over een huwelijk en een uitzonderlijke liefdesrelatie. Die verbinding wordt vooral duidelijk op het moment dat Helene in het revalidatiecentrum hoort dat Viola is overleden.
Als ze na ongeveer een half jaar terug naar huis mag, is de sprakeloosheid grotendeels verdwenen en kan ze zich met behulp van een rollator voortbewegen. Maar minstens zo belangrijk is dat ze zich nu kan herinneren wat er vlak voor de hersenbloeding gebeurde. Met die herinnering eindigt de roman.
Ze stond op het balkon toen er iets in haar hoofd knapte. Ze slaagde er nog in de trap af te komen en naast Matthes te gaan zitten. ‘Ik sterf’, had ze gezegd, waarop hij rustig antwoordde: ‘Je sterft niet.’

KATHRIN SCHMIDT
DU STIRBST NICHT
Kiepenheuer & Witsch, 347 blz., € 19,95