Toneel: Huis aan de Amstel

Tot nooit en altijd

Twee nieuwe projecten van Huis aan de Amstel: over kinderen die door een lange oorlog wel erg vroeg volwassen dreigen te worden.

Liesbeth Coltof heeft zich als maker van theater voor kinderen en jongeren altijd heftig verzet tegen de mythe van het kinderlijk geluk. De romantische dwangneurose dat kinderen koste wat het kost gelukkig moeten zijn, verwerpt ze consequent en met een ontwapenende nuchterheid. Dat standpunt is voor haar niet zozeer pedagogisch bepaald als wel primair artistiek en politiek. In die zin hoort Coltof tot de kinderen van Brecht, de toneelmaker en schrijver die het gratuite strooien met romantische opvoedingsidealen in het theater afwees met de uitspraak: «Die Verhältnisse, die sind nicht so». Net als Brecht is Coltof in haar theaterwerk voortdurend op zoek naar «negatieve modellen», materiaal waarin glashard wordt aangetoond dat infantiel schermen met kindergeluk niets bijdraagt aan een bewustzijn over hoe de verhoudingen dan wél in elkaar zitten. En als Coltof in haar werk zoiets als een artistiek en maatschappelijk credo heeft, dan gaat het in díe richting: kinderen door middel van theater stimuleren om met een open blik de barre buitenwereld tegemoet te treden, om zich niet te laten grootbrengen door kleinhouden, maar zich ook zeker niet groter voor te doen dan de kleine mensjes die ze uiteindelijk nog eventjes zijn.

De eerste belangwekkende voorstelling die Coltof in het begin van de jaren negentig vanuit die «negatieve modellen» maakte in haar eigen jeugdtheatergezelschap Huis aan de Amstel heette Kinderjaren en ging over kinderen in tijden van oorlog, kinderen die als het ware gedwongen worden om over hun eigen kindertijd heen te springen, omdat de omstandigheden waaronder ze moeten leven iedere beschutting, nuancering en zachtheid ontberen. Deze voorstelling (een heldere montage van beelden, teksten en situaties) was gruwelijk, spijkerhard en rauw, maar ook poëtisch, dansant en zacht. Nu, bijna tien jaar later, keert ze terug naar dat thema. In de twee voorstellingen die dat oplevert, waarvan zij er zelf een voor haar rekening neemt, is de oorlog nog altijd een dreigende maar abstracte, want niet bij naam en toenaam benoemde, kracht van buiten, een kracht die met name kinderen deformeert en snel tot onbegrepen volwassenheid ranselt. De mentaliteit van toen is onaangetast gebleven, de naïeve, kinderlijke blik waarmee naar die destructieve kracht-van-buiten gekeken wordt: ik begrijp dit niet, onmiddellijk gevolgd door de prangende vraag: hoe zit dit, hoe kan dit? Wat ook bleef is de onderstroom van die vragen, een onversneden, bijna razende woede: waarom gebeurt dit, en met name: waarom overkomt dit kinderen?

Afgelopen zomer reisden Liesbeth Coltof en haar gezelschap enkele weken rond in Israël, in Oost-Jeruzalem, Hebron, Nablus en Gaza, rondgeleid door de Palestijnse acteurs van Theatre Day Productions uit Jeruzalem. Ze werden ontvangen bij hen thuis, in de stad of in de vluchtelingenkampen. De indrukken die zij daar opdeden werden verwerkt in twee voorstellingen: De liefste (voor iedereen vanaf vijf jaar) en De dag dat mijn broer niet thuiskwam (voor iedereen vanaf tien jaar). Beide voorstellingen zijn ondubbelzinnig gemaakt vanuit de belevingswereld van de Palestijnen, en met name van de Palestijnse kinderen, zonder dat het Palestijns-Israëlische conflict of de verhoudingen in de bezette gebieden ook maar één keer concreet bij de naam worden genoemd. Ook dát is eigen aan het theater van Coltof (in feite aan ieder goed theater): er wordt niet politiek geïnterpreteerd of gedelibereerd, het maatschappelijke gelijk (als dat al bestaat) doet immers niet ter zake. Het gaat erom de kleine en grote gebeurtenissen in het leven van individuen tegen het licht te houden, en daarna nóg eens en nóg eens, om te zien hoe een niet mis te verstane druk van buiten die levens overhoop gooit en door de war trapt.

In de toneelbeelden van beide voorstellingen zijn een paar overheersende karakteristieken verwerkt: het licht is helder, de kleuren zijn zacht (wit, geel, rood, blauw) en er is in beide decors (Thomas Coltof en Mariëlle Verdijk) sprake van een wirwar van strak gespannen lijnen, verwijzing naar de waslijnen, de strenge afrasteringen en de elektriciteitsdraden die horen bij de provisorische huisvesting in vluchtelingenkampen. In De liefste (een tekst die bestaat uit veel korte scènes, geschreven door de al zo'n vijftien jaar in het jeugdtheater actieve schrijfster Heleen Verburg) is het leven teruggebracht tot de ontluikende liefde van een jongen en een meisje. De eerste drempel die ze over moeten is hun afkomst: het meisje is de dochter van een cardioloog («car betekent hart en dioloog dat je er verstand van hebt»), de jongen is de zoon van een timmerman («er zijn kasten waar een hart in zit en kasten waar geen hart in zit»). De barrière van de maatschappelijke kaste sneuvelt uiteindelijk vrij gemakkelijk. De tweede is ingewikkelder, want die heet vijandschap. Als de jongen een brief aan het meisje bij haar vader komt afgeven, wordt hem steeds gevraagd of hij vriend is of vijand en of zijn brief een vriendelijke is of een vijandelijke, misschien zelfs wel een bombrief. De vader verscheurt de brief ten slotte met een afwijzende tekst die de jongen niet begrijpt: «Het is altijd hetzelfde gelazer met jullie soort. Jullie maken ons al honderden jaren het leven zuur.» Als de jongen de snippers van zijn brief opraapt schrijft hij meteen een nieuwe, in de lucht: «Liefste. Het mag niet van je vader. Je vader is hartstikke gek. Ik moet heel ver uit je buurt blijven. Misschien vinden we elkaar op een andere planeet. Ik denk dat je om deze brief net zo verdrietig zult zijn als ik. Tot nooit en altijd.»
De liefste is een voorstelling van een verbluffende en fijnzinnige eenvoud, een zacht sprookje, prachtig en simpel verbeeld door Julia Henneman en Thomas Coltof. Dat zijn twee bijzondere acteurs met een ijle dampkring om zich heen: ze maken de rijke en emotionerende vertelling heel erg samen, zonder eigenlijk iets spectaculairs te doen, dragen in hun mimiek en gestiek geheimen met zich mee die ze stukje bij beetje maar nooit helemáál prijsgeven. De handelingen zijn symbolisch zonder loodzwaar te worden, de mogelijke zwaarte wordt ook vrijwel meteen gerelativeerd. Ten slotte vinden ze elkaar in hun gedeelde angst voor de buitenwereld door een gedicht van hen samen: «Dit wordt een gedichtje met alleen maar leuke dingen/ Je mag er niet in schreeuwen/ Je mag er wel in zingen/ Er mogen geen gevechten in/ Geen erge ongelukken/ Geen kleine dooie vogeltjes/ En niets wat kan mislukken.» Als het meisje vervolgens vraagt of ze samen oud zullen worden, krommen ze hun tengere lijfjes, pakken elkaar met bevende handen vast en doen een stijf maar gelukkig dansje. Die kleine anekdote wordt een ontroerende apotheose van een voorstelling waar ik met de kleintjes en hun ouders om me heen ademloos naar heb zitten kijken.

Ook keelsnoerend maar van een heel andere orde is de voorstelling De dag dat mijn broer niet thuiskwam, die ontstond uit de verhalen die de acteurs uit de ontmoetingen met hun Palestijnse «broers en zussen» meebrachten, waarmee ze improviseerden, en waaruit huisschrijver Roel Adam een samenhangende en pakkende theatertekst boetseerde (regie: Liesbeth Coltof). We zijn in het huis van vier weeskinderen, Broer Een, Broer Twee, Zus en Jochie, die in hun onderhoud voorzien met het naaien van broeken («om te verkopen aan de vijand»). De vier kinderen staan voor vier houdingen tegenover hun woelige buitenwereld: boze berusting, woede, angst en kinderlijke naïviteit. Al vertellend reconstrueren ze de dag, elf jaar geleden nu, dat hun jongste broertje, Jochie, niet thuiskwam. Hij stierf in een rellerige sfeer vol stenengooiers, op straat, door een verdwaalde politiekogel, door slordigheden in het ziekenhuis en uiteindelijk omdat hij probeerde zich groot te houden. Het verhaal schakelt van het heden naar die dag dat Jochie niet thuiskwam, terug naar het heden, en weer naar toen. Het leven van de vier weeskinderen, waarvan er in de actualiteit dus nog maar drie over zijn, werd elf jaar geleden bepaald door drie dingen: hoop op een ander leven, elke dag twee zware emmers water halen, en bang zijn dat de jongste, Jochie, onverhoeds naar buiten zal gaan. Voor dat laatste hoeven ze nu niet meer bang te zijn. Verder is er eigenlijk niks veranderd.

Via die radeloos makende dood van dat jongetje van amper acht behandelen de makers van deze voorstelling twee feiten die hen tijdens hun bezoek aan de bezette gebieden in Israël woedend en wanhopig maakten. Allereerst het feit dat je daar vaak helemaal niet weet waar je je precies bevindt. Het afgelopen weekend meldden de kranten dat nog eens met een aantal kale feiten, naar aanleiding van een nieuw «schietverbod»-voorstel van de voorzitter van de Palestijnse Autoriteit, Jasser Arafat. Er zijn A-gebieden (die onder volledige Palestijnse controle staan), naast B-gebieden (onder Palestijns bestuur, maar het Israëlische leger zorgt er voor de veiligheid) en C-gebieden (Palestijns gebied onder volledige controle van Jeruzalem). Die gebieden liggen vaak verdomd dicht bij elkaar, slechts gescheiden door roadblocks die in tijden van verwarring niet functioneren. Verdwaalde kogels in de niemandslanden tussen de diverse gebieden zorgen voor een groot deel van de doden, waaronder veel kinderen en jongeren.

Het tweede feit dat de theatermakers in de voorstelling verwerkten, is de mythe van de jonge Palestijnse martelaars die willens en wetens in de strijd worden opgeofferd voor de «goede zaak». Het toeval, en de in de verwarring van het moment opgezweepte emoties, zijn minstens evenzeer, en misschien nog wel veel meer, debet aan de wrede dood van Jochie. Hij vertelt zelf hoe hij in de bedding van een opgedroogde rivier opeens in een mensenmenigte belandde: «Een mensenrivier in een dode rivier. Iedereen schreeuwt. Ik schreeuw ook. Ik doe wat iedereen doet. Omdat ik leef. Ik voel dat ik leef. Ik ben groot. Groter kan ik niet worden. Ik ben er. Nu ben ik er. Hier ben ik. Er vliegt een steen door de lucht. En nog een. En nog een. Ze gooien met stenen. Ze pakken stenen. Ik pak ook een steen. Ik gooi ook. Waar is mijn broer? Waar is mijn broer waar ik van hou? Zie je wat ik doe? Zien jullie wat ik doe?»

De manier waarop Tjebbo Gerritsma deze tekst van Jochie speelt doet echt pijn. Eigenlijk doet hij niets méér dan die tekst gewoon vertellen, als een stille groeistuip, zomaar in één grote sprong zijn kindertijd uit, regelrecht de dood in. Het is zo'n moment waarop een dikke stapel kranten en een rij inwisselbare journaalbeelden opeens stollen in dat gekmakende beeld van een kind dat uit zijn eigen tijd springt.

Ook bij De dag dat mijn broer niet thuiskwam ligt de kwaliteit van de voorstelling in de eerste plaats in haar eenvoud, de eenvoud van een soms rustig, soms hevig, soms verbaasd, soms verdrietig spel te midden van oude Singer-naaimachines, hoge matrasjes en een tv-toestel. De vertelling is sterk, ook hier verre van spectaculair, ogenschijnlijk alleen maar gemaakt vanuit simpele vragen als: hoe ging dat toen, die ene fatale dag, wat ging er mis, wat hebben wij verkeerd gedaan, en hoe moeten we in godsnaam verder zonder Jochie? In het slotbeeld laten ze dat laatste zien, die vier prach tige acteurs (naast Tjebbo Gerritsma zijn dat Peter van Heeringen, Tessa du Mée en Adri Overbeeke): eerst dansen ze nog in het verleden, dan verdwijnt Jochie stilletjes door een zijdeur, en plotseling zijn ze, in het koude licht van het nu, weer helemaal alleen met zijn drie en. Het is een harde klap die daar wordt uitgedeeld, en een hele rake. Een mooi slot van een bijzondere voorstelling, die recht vanuit het hart is gemaakt en die ons in tranen, maar met duizend vragen in het hoofd, naar huis stuurt.

De liefste is tot 4 december te zien, De dag dat mijn broer niet thuiskwam tot 17 december. Inlichtingen: 020-6229328/ www.huisaandeamstel.nl