Jesse Klaver en Lilianne Ploumen tijdens de tweede dag van de Algemene Beschouwingen. Den Haag, 23 september © Robin Utrecht / ANP

Prinsjesdag was saai, maar de Algemene Politieke Beschouwingen maakten veel goed. Er komt structureel geld voor basisschoolleraren en zorgpersoneel, een tegemoetkoming in energiekosten van burgers, een lagere verhuurderheffing en het leenstelsel is de wacht aangezegd. Is het de opmaat naar een werkelijke omwenteling?

Dat zou op het nippertje zijn, want onze economie is in een spannende fase gekomen. Nu de coronamaatregelen aflopen, wordt steeds duidelijker dat de grootste hobbel voor verduurzaming in Nederland niet de problemen zijn – de veestapel, de luchtvaart, ons gasverbruik – en ook niet het vinden van oplossingen. Veel boeren willen best stoppen, kerosine kun je belasten en CO2 beprijzen. Het grootste probleem is het creëren van financieel draagvlak bij kiezers door de overheid. Duurder voedsel, vliegen en wonen zijn onvermijdelijk als we realistische prijzen gaan betalen voor onze levensstijl. De vraag die de overheid onbeantwoord laat, is waar de rekening gaat komen. Die onzekerheid is fnuikend.

Terwijl Den Haag eindelijk ontdekt heeft dat geld het probleem niet is, met dank aan corona. Hadden we na 2008 dezelfde steunpakketten ingevoerd als in 2020, dan waren er geen recessies en een eurocrisis op de val van Lehman Brothers gevolgd. We weten dus hoe het aan te pakken in de klimaatcrisis: doe wat gedaan moet worden en steun intussen ruimhartig. Dat kost geen geld, het bespaart juist de enorme kosten die in ieder ander scenario te voorzien zijn.

Ondanks mooie woorden over sterke schouders en zwaarste lasten worden we nu al ingehaald door de werkelijkheid. De stijgende energiekosten gaan vooral de lagere inkomens relatief veel geld kosten. Als dat een voorproefje is, zullen rekeningrijden, CO2-beprijzing en een eerlijke vleesprijs op massale tegenstand gaan stuiten. De spreekwoordelijke gele hesjes hangen altijd klaar.

Om die in de kast te houden, is niets minder dan een paradigmawisseling nodig rond de inzet van onze financiële middelen. Dan gaat het niet alleen over de cijfers op Prinsjesdag, maar vooral over de verdeling van geld tussen levensbehoeften en hypotheken, tussen winst en loon, tussen dividend en winst, tussen reële investeringen in technologie en productie en financiële investeringen in aandelen en vastgoed. Het gaat ook over de verdeling van publieke uitgaven tussen de publieke sector – de rechtspraak, politie, zorg, onderwijs – en subsidies voor hypotheken en fossiele bedrijven. Dit gaat over een systeem, een vorm van kapitalisme waarin het ophopen van geld belangrijker werd dan het creëren van waarde.

We kijken naar de problemen terwijl we tot onze knieën in het geld staan. Een paar cijfers kunnen dat illustreren. Bij de staatsschuld denken vrijwel alle Nederlandse economen aan 90 procent als veilige grens. Het is nu nog geen 60 procent van ons jaarlijkse bbp van 800 miljard, dus we hebben 240 miljard extra te besteden. Is dat veel? Een woning verduurzamen kost 20.000 euro, dus met 160 miljard kun je alle acht miljoen Nederlandse woningen verduurzamen, om maar iets te noemen. De vraag is alleen nog waar de mensen te vinden die dat gaan uitvoeren, en wat te doen met de andere 80 miljard euro.

Of neem deze: in het prudente Ontwerp voor een beter belastingstelsel stelt de Rotterdamse hoogleraar Bas Jacobs voor om inkomen uit vermogen normaal te gaan belasten. Revolutionair voor Nederland, en zeer profijtelijk. De loonbelasting kan dan in alle schijven tot tien procent omlaag, zonder kosten voor de schatkist. Werkenden gaan er zo duizenden euro’s per huishouden per jaar op vooruit. Wie dit voorstelt is morgen premier, zou je denken. Met het verdienvermogen van Nederland zit het in zo’n scenario ook wel goed. Met zulke uitstekende lonen, die toch geen hogere kosten voor bedrijven zijn, is het vestigingsklimaat hier beter dan in welk belastingparadijs ook. Want dat zijn we natuurlijk ook niet meer – weer een jaarlijkse meevaller van 30 miljard voor de schatkist.

Ons geld hoopt zich verder op in onze pensioenpotten en in onze woningvoorraad, die in tien jaar groeiden met respectievelijk 1100 miljard en 730 miljard euro. Gigantische bedragen. Wellicht kunnen we dat geld beter besteden dan aan het opjagen van prijzen op de internationale financiële markten en de binnenlandse huizenmarkt. Rijkdom voor huizenbezitters, waardoor andere Nederlander steeds dieper in de schulden moeten. En o ja: in Brussel staat 5,6 miljard op ons te wachten. We moeten alleen nog een plan indienen, iets wat alle andere 26 EU-lidstaten al gedaan hebben.

De cijfers liegen er niet om. Er is misschien hier een miljard meer en daar wat minder, maar de orde van grootte is helder. We hebben genoeg financiële ruimte om de klimaattransitie, met alle kosten van dien, te combineren met maatregelen waardoor er onder de streep geld voor burgers overblijft. En dat is hard nodig. De grootste bedreiging voor die transitie is het gevoel bij veel Nederlanders dat ze weinig meedelen in de lusten en veel in de lasten van de economische structuur van de BV Nederland. Dat sentiment is bovendien de grootste aanjager van het populisme dat onze politiek verziekt. Politici kunnen blijven zeggen dat het niet klopt. Ze kunnen ook met een paar relatief eenvoudige, structurele veranderingen laten zien dat het niet (meer) klopt.

Een ­financiële manier van denken domineert in iedere vezel van onze maatschappij

Dus wat is er toch aan de hand in Den Haag? Met zoveel oplossingen en zoveel geld om ze uit te voeren, toch niets doen? Natuurlijk, de formatie vlot niet. Dit is het excuus van 2021. Natuurlijk, het is nu corona. De smoes van 2020. Maar ook in 2019 en 2018 hadden we dezelfde problemen, en ook toen waren de oplossingen duidelijk en het geld voorhanden.

Ons onvermogen de problemen aan te pakken zit niet vast op een disfunctionerend kabinet of een pandemie of gebrek aan geld, zelf niet als het gaat om zeer kostbare uitdagingen zoals woningverduurzaming of de zorg. We zijn een van de weinige landen die dat gewoon aankunnen. We zijn ook een van de weinige waar de inertie regeert. Ons systeem zit ons in de weg, onze vorm van kapitalisme waarin niet het gebruiken maar het ophopen van geld belangrijk werd. Belangrijker dan het oplossen van problemen en het creëren van waarde. De Amerikaanse econoom Hyman Minsky had er een woord voor: money manager capitalism.

Het stilleggen van de economie en de coronasteun waren maatregelen die lijnrecht tegen dit ethos ingingen. Gezondheid ging nu eens boven winst. Gaat dit bestendigd worden? Kunnen we zulke radicale keuzes ook maken als het om andere waarden gaat, zoals biodiversiteit? Hebben we in 2020 eindelijk afscheid genomen van het money-manager-kapitalisme dat ons een kwart eeuw beheerste?

Money-manager-kapitalisme is iets anders dan het industrieel kapitalisme van de negentiende eeuw of het welvaartsstaat-kapitalisme van de twintigste eeuw. De economie draait er niet meer om innovatie en productiviteitsgroei, maar om vastgoedprijzen, opkoopprogramma’s en aandelenkoersen. In money-manager-kapitalisme ligt de economische macht niet bij ondernemers of de staat. De macht ligt bij de money managers, de bazen van grote investeringsfondsen zoals Blackrock en Vanguard. Zij, en niet de regering of de ouderwetse captains of industry, zijn de nieuwe rolmodellen die door iedereen geïmiteerd worden. Wat doen money managers? Ze hopen geld op. Ze zetten inkomen om in bezit. Ze concentreren rijkdom.

Money-manager-kapitalisme betekent niet dat we allemaal bij een hedgefund werken. Het betekent dat we de waarden van de hedgefunds geïnternaliseerd hebben en ons systeem erop ingericht. We leven in een maatschappij die erop gericht is geld en bezit op te hopen. Een financiële manier van denken domineert in iedere vezel van de maatschappij. Daardoor hebben we weinig oog voor andere waarden dan de financiële waarden van rente, overheidsschuld, huizenprijzen, aandelenkoersen en pensioenpotten. We noemen het geld ophopen sparen, zodat we denken dat we goed bezig zijn. We denken niet meer in termen van werk of ondernemerschap of burgerschap. Al die identiteiten zijn verdrongen door die ene: de financiële investeerder. De money manager.

Nederland staat hierin niet alleen, maar we zijn wel extreem. Kijk eens naar de huizenprijzen die hier door het dak gaan, meer dan elders in de eurozone. De 16 procent stijging van vorig jaar is grotendeels made in Holland, zei dnb-president Klaas Knot onlangs. Die komt dus niet slechts door de lage ecb-rente, maar door onze exorbitante leennormen van 100 procent van de waarde van het huis. En natuurlijk door onze subsidie op schuld. Schulden zijn immers ook financiële assets waaraan verdiend kan worden. Onze obsessie met huizenprijzen zorgt voor polarisatie tussen generaties en destabiliseert de economie. Maar dat zijn reële waarden, die niet zo belangrijk zijn als de hoge huizenprijzen waardoor we ons rijk voelen.

Een ander voorbeeld van onze extreme situatie: nergens worden particuliere inkomsten uit rente, dividend en vermogenswinst vrijgesteld van belastingheffing. Ons belastingstelsel bevoordeelt inkomen uit bezit voor een minderheid, en belast het werk en ondernemerschap van de meerderheid onevenredig zwaar. Zelfs kritische journalisten als Hans de Geus besluiten daarom dat ze toch maar huisjesmelker moeten worden.

En zo gaat het maar door. Onze arbeidsmarkt is financieel onveilig geworden, ook al veel sterker dan in de rest van Europa. Lage lonen en het afwentelen van onzekerheid op werknemers, dat is immers goed voor de winsten. Niet om meer van die winst te investeren in het bedrijf, maar om meer dividend uit te betalen, of meer eigen aandelen in te kopen, of, in het mkb, meer te kunnen lenen van het eigen bedrijf. Allemaal manieren om financieel bezit te verhogen ten koste van ondernemerschap en innovatie.

De overheid faciliteert dit niet alleen actief, maar gedraagt zich ook zelf als money manager, druk bezig met de eigen balans. Gemeenten speculeren met grond. De rijksoverheid betaalt liever via haar overschotten aan obligatiehouders, dan via tekorten de economie en de publieke sector te ondersteunen. Tekorten zijn er intussen toch wel – niet bij de rijksoverheid, maar in het rechtssysteem, bij de politie, in scholen en ziekenhuizen. Het zijn de reële waarden die het afleggen tegen de money-manager-mentaliteit, ook van de overheid.

Prinsjesdag was ook daarom zo saai, omdat er in de money-manager-mindset geen ruimte is voor ideeën die slechts reële verbetering brengen, en niet makkelijk te vertalen zijn in financieel rendement. In de coronacrisis hebben we het per ongeluk anders gedaan. Dat kan dus. Nu die crisisfase afloopt gaan we in het volgende kabinet ontdekken of we dat vaker willen – of we nu inderdaad eindelijk voorbij het money-manager-kapitalisme zijn.


Dirk Bezemer is hoogleraar economie en columnist bij De Groene Amsterdammer. Hij publiceerde in augustus 2020 Een land van kleine buffers. Dit stuk is een bewerkte versie van zijn bijdrage aan de Marchantlezing op 7 september 2021 in TivoliVredenburg