Tot op de bodem van de ziel

AAN DECADENTE schrijvers is Nederland nooit erg rijk geweest. Wat er aan zwart-romantische en decadente literatuur van niveau bestaat, komt voornamelijk uit andere landen. Uit andere tijden ook. Een van de eerste Nederlandse schrijvers van wie ik onmiddellijk ging houden, was/waren Joyce & Co (het pseudoniem waarachter Geerten Meijsing schuilging). Zijn/hun roman Erwin paste op het moment van consumptie mooi in de Untergangsbibliotheek die ik aan het aanleggen was. Samen met, soms, Jeroen Brouwers mocht(en) Joyce & Co zich als enige(n) in het gezelschap ophouden van buitenlandse grootheden (en echte decadenten) als Péladan, Huysmans en Barbey d'Aurevilly.

Erwin was nadrukkelijk een decadente roman, die als hij niet zo subliem van stijl was geweest, zou hebben doen denken aan een plagiaatwerkje van het opperhoofd van de ‘Nederlandse zweetsokken-decadentie’ Jan Siebelink (een obscure Franse schrijver vertaald en er vlug zijn eigen naam onder gezet). Maar dat was het niet. Erwin was het verhaal van de nerveuze dégéneré met die naam, die, wonend in Italië, genoeg lijdt aan het leven om zich terug te trekken in een wereld van schoonheid, een universum vol kunstwerken en boeken, die zijn afgestompte zintuigen naar believen kunnen bedwelmen.
Diep van binnen is Erwin misschien wel een poseur, en in diepste wezen is Erwin misschien wel een geposeerde roman: opzettelijk gekunsteld, op het randje van de kitsch, op het randje van de onverstaanbaarheid, buitengewoon estheticistisch, zwaar leunend op de literatuur van symbolisme en romantiek. De eindeloze opsommingen van Erwins uitspattingen werken op den duur op de zenuwen. Want de auteur, die zijn belezenheid maar blijft en blijft uitdragen, werkt op de zenuwen. Dat intellectuele exhibitionisme is uiteindelijk thematisch verantwoord: de hoofdpersoon van de roman is net zo'n poseur als zijn schepper, iemand die zichzelf overserieus neemt, iemand die kapot gaat aan het onvermogen zichzelf en het leven te relativeren.
NU, EEN PAAR decennia later, waart de geest van Erwin weer even rond. In de nieuwe roman van Geerten Meijsing, om precies te zijn. Tussen mes en keel staat bol van de reminiscenties aan de goeie ouwe dandy van Joyce & Co. Daar staat tegenover dat het geposeerde van Erwin in Tussen mes en keel heeft plaatsgemaakt voor een veel authentiekere (authentieker lijkende) toon.
Tussen mes en keel is het verslag, in de ik-vorm, van 'hoe een op het eerste gezicht vrolijke auteur terechtkomt in de draaikolk van depressiviteit’. Hoe vrolijk die auteur ook geweest moge zijn, zijn neergang is minder plezierig: de duisternis waar hij stukje bij beetje in wordt gen, verduistert zijn brein zodanig dat hij geen andere mogelijkheid meer ziet dan zelfdoding.
Wat is er eerst? De vrouw die haar man verlaat omdat ze niet meer tegen zijn depressie kan, of de depressie van de man zelf? Erik Jan Provenier wordt op een kwart van de roman gedwongen zichzelf deze vraag te stellen. Daarvóór heeft hij zijn geliefde langzaam maar zeker van hem vandaan zien drijven. Het verdriet om de groeiende kloof tussen hen beiden, en het almaar toenemende onbegrip, versterkt zijn depressie slechts. Hij heeft de lezer direct in het begin verteld dat hij 'haar uit dit boek wil weren’, om niet het gevaar te lopen een nuffig liefdesverhaaltje op te dissen. Maar na zo'n negentig pagina’s is de onvermijdelijke conclusie dat dat niet gelukt is. 'Ik kan nou eenmaal nergens anders over praten. En leven zonder liefde, aber nein! (…) Omdat ik op het randje sta, hoef ik er weinig voor te doen u voor te gaan naar de bodem van de ziel. Voorbereidingen zijn getroffen, instructies achtergelaten, nu nog een aanloop nemen.
Het is mijn sprong die ik beschrijf - zij is daarin niet meegegaan. Ik val, en uit het raam van de zoveelste verdieping kunt u mij langs zien komen: “Tot nog toe gaat alles goed!” (…)
Het is dus niet zo - leg ik voor de zekerheid nog even uit - dat mijn meisje is weggegaan en dat ik ziek ben geworden van liefdesverdriet. Ik ben niet in de rouw. Was dat maar waar, dan wist ik dat ik mijn zwarte kloffie bijna weer af kon leggen. (…) Nee, het is eerder andersom. Ik heb alles verloren door de ziekte, ook haar.’
ERIK VERTELT de geschiedenis van zijn geestelijke schemering, zijn val in een diepe depressie. Hij lijdt. En lijdt oprecht. Koketterie blijft achterwege, evenals een al te schwärmerische uitstalling van schrijnende Weltschmerz. En het vertellen van zijn verhaal, het schrijven ervan, kan nooit ofte nimmer een genezende uitwerking hebben: 'Ik heb geen hoop mijn pijnen te verzachten door ze op te schrijven, allerminst. Dit is geen therapie. Ik schrijf niets van mij af. Door het op te schrijven haal ik het juist naar mij toe, het droombeeld, en moet ik voor een tweede keer een periode doormaken die ik liever zou vergeten. Nooit was het mijn bedoeling hier levend uit te komen.’
DE POGING tot zelfdoding die Provenier doet wordt op het laatste nippertje verijdeld door twee vrienden. Na enigszins op krachten te zijn gekomen reist de gekwelde man af naar Nederland (vanuit Italië) om zijn verdwijnende beminde te gaan zoeken, en te trachten nog iets te redden van hun liefde. Eenmaal in Nederland aangekomen bezoekt hij psychiater Kirchner, aanvankelijk met tegenzin, en vol weerzin tegen het zieleknijpen in het algemeen. Maar ten slotte, met een verblijf in de gesloten inrichting achter de gebogen rug, durft Provenier zijn mening te herzien: 'Ik leerde veel van Kirchner, ook uit de invalshoek van de klassieke psychiatrie.’ Hij overwint zijn depressie, is weer in staat te schrijven, is weer in staat te leven. Na een diepgaand onderzoek naar aard en wezen van zijn ziekte, en na de diepste dalen te hebben doorlopen, weet Erik Jan Provenier: 'Er is geen betekenis. Het leven is toevallig en het lot is wreed. Structuur is er niet in te vinden. Het was onzinnig naar een verklaring te zoeken voor mijn ongeluk, of voor de desertie (of dood) van een geliefde. De dingen dragen geen betekenis; en alle betekenis die wij eraan toe willen kennen is misleiding, of kinderspel.’
TUSSEN MES en keel is in zekere zin een volwassen versie van Erwin. Het romantische is er nog steeds bij Meijsing, dat zal ook nooit verdwijnen. Het lijden aan het leven evenzo, net als een verhoogde gevoeligheid voor de duistere kanten van het bestaan. Maar door de persoonlijke, authentieke toon van de roman, en de voortdurende worsteling met het schrijven, is Tussen mes en keel een adembenemend verslag geworden van een queeste naar het licht van een man die radeloos en reddeloos ronddwaalt in de duisternis, de diepe duisternis van de depressiviteit. Deze roman lijkt uit des schrijvers tenen te zijn gekomen. Dat kan nooit kwaad: literatuur uit een dergelijke bron is vrijwel altijd goed.