Totaal geen haan

Tien jaar na Anet Bleich schreef Dik Verkuil nóg een biografie van Joop den Uyl, waarin hij de politicus neerzet als een gedreven visionair. Maar had Bleich niet al alles over hem gezegd?

Joop den Uyl ® met Ruud Lubbers (l) en Ed Nijpels bij het televisiedebat voor de parlementsverkiezingen van 1986. © Bert Verhoeff / HH

Iets meer dan tien jaar geleden publiceerde Anet Bleich een flinke biografie van Joop den Uyl. Het werd tijd voor zo’n boek. De jaren zestig en zeventig, de grote tijd van ‘Joop’, waren voorbij. De man was zelfs al zo’n twintig jaar dood. Over hem was ontzettend veel geschreven, zelfs een opzienbarend boek: Heimwee naar de politiek van Ilja van den Broek, over de mythevorming rond Den Uyl. Maar een goede, moderne, uitvoerige biografie, nee, die was er nog niet.

De biografie van Bleich is zonder meer goed. Uitvoerig. Invoelend. Kritisch bewonderend. Voldoende analytisch. Zoals zovelen had ik destijds het gevoel dat het belangrijkste over Den Uyl voorlopig wel was gezegd.

Dit is ook precies wat Dik Verkuil, historicus, redacteur bij de nos en gedreven auteur van boeken voor het geschiedenisonderwijs, van verschillende kanten te horen kreeg. Een enkeling weigerde hem om die reden zelfs te woord te staan. Over Den Uyl zou door Bleich zo’n beetje alles gezegd zijn. ‘Een merkwaardig argument’, schrijft hij, ‘waarmee impliciet wordt beweerd dat Den Uyl een relatief onbeduidende en eenduidige figuur was. Over Winston Churchill zijn meer dan duizend biografieën geschreven…’

Ik weet niet zeker of deze redenering steek houdt. Verreweg de meeste van die ‘duizend’ biografieën, zo vermoed ik op basis van ervaring met het genre, voegen weinig toe en drijven op niets anders dan de faam van de beschrevene. Dat is prima, maar niet erg zinvol. Het ligt dan ook voor de hand dat Verkuil de biografie van Bleich ook bekritiseert. En inderdaad: zij zou onvoldoende gezien hebben hoe eenzaam Den Uyl in zijn jeugd was geweest en hoezeer hij die eenzaamheid door literatuur, dromen en ambities probeerde te compenseren. Ook meent Verkuil dat de Den Uyl van zijn voorganger te aaibaar is. Verder zou Bleich te weinig oog hebben voor Den Uyls machtspolitiek en zijn, bij nader inzien, onmiskenbare politieke fouten zoals geloof in grootschaligheid, maakbaarheid en het primaat van de collectieve in plaats van de private sector. Ook erkende ze onvoldoende hoeveel weerzin de man in zijn omgeving opriep.

Het resultaat is ernaar: de biografie van Verkuil staat vol kritische opmerkingen. Zo beklemtoont hij keer op keer Den Uyls verlangen naar politieke macht, gekoppeld aan een sterk moralisme en calvinistisch messianisme. In moderne ogen zijn dit inderdaad geen fraaie eigenschappen, maar voorheen werd daarover toch enigszins anders gedacht. Bovendien: kan een politicus zonder? Onmiskenbaar niet fraai – en ook dat beklemtoont Verkuil herhaaldelijk – is Den Uyls gebrek aan empathie, met hurkerigheid op het sociale vlak tot gevolg. Zo zou hij mensen in zijn naaste omgeving zelden naar hun persoonlijke omstandigheden vragen. Mede om die reden, aldus Verkuil, kostte het hem ook weinig moeite iemand aan de kant te zetten, zelfs mensen die hem tot dan toe dierbaar waren geweest. Een dergelijk opportunisme legde hem overigens geen windeieren, politiek gezien.

Ook op politiek gebied sloeg Den Uyl nogal eens de plank mis. Zo had hij volgens Verkuil te weinig oog voor de betekenis van het bedrijfsleven en het belang van bedrijfswinst voor de economie. Ook had hij geen goede hand in de onderhandelingen met daadwerkelijke of potentiële politieke partners, christendemocraten voorop. Onoplosbaar gedoe met Aantjes, Van Agt, Lubbers en anderen was het gevolg. In zijn laatste jaren (hij stierf in 1987, veel te jong en nog in het harnas) kwelde Den Uyl zichzelf en zijn omgeving met zijn ijdelheid dan wel onvermogen om in te zien dat zijn tijd voorbij was.

Het is volgens mij onjuist te stellen dat Bleich aan dergelijk feilen voorbij gaat. Wel schetst zij over het algemeen een wat ander beeld. Bijvoorbeeld van de combinatie Den Uyl en machtsstreven. Zo citeert zij Hedy d’Ancona die hem ‘totaal geen haan’ noemde. ‘Was hij soms te laf om het machtswoord te spreken’, vraagt Bleich zich af in verband met de mislukte formatie van het tweede kabinet-Den Uyl, en verwijst vervolgens naar intimi die vonden dat confronterend optreden niet bij Den Uyls karakter paste. Politiek, zo schrijft Bleich aan het eind van haar boek, was volgens hem ‘meer dan een spel om de macht… De voornaamste taak van een politicus is overtuigen, argumenten zijn zijn wapen. Den Uyl zette dat wapen vol overtuiging in.’

In zijn laatste jaren kwelde Den Uyl zichzelf en zijn omgeving met zijn onvermogen om in te zien dat zijn tijd ­voorbij was

Volgens mij is dat ook het beeld dat uit de biografie van Verkuil naar voren komt: dat Den Uyl minstens zozeer een intellectueel als een politicus was – waarbij het een staat voor het primaat van ideeën en het ander voor het primaat van de daad, lees: macht. Anders gezegd: het grootste verschil tussen beide biografieën is klemtoon, niet meer. Hierbij heeft de biografie van Verkuil in vergelijking met die van Bleich een paar nadelen en één voordeel. Een nadeel is dat hij minder gedetailleerd is en een stuk korter. Dat kan een voordeel zijn, dat is het in dit geval niet. Verkuil biedt vooral minder van hetzelfde. Daarbij is de Den Uyl van Bleich, mede door de vermelding van details, kleiner, menselijker, niet zo zeer aaibaarder als wel beter voorstelbaar. Neem bijvoorbeeld de allerlaatste fase van ’s mans leven. In de biografie van Bleich ontrolt deze zich als een korte film. Zo vermeldt zij dat vier van Den Uyls kinderen in de periode van zijn sterven bevielen of zwanger waren terwijl op hetzelfde moment bij Liesbeth, zijn vrouw, borstkanker werd geconstateerd. Menselijk drama dus. Verkuil daarentegen vermeldt ‘slechts’ de politieke ontmoetingen voorafgaand aan de eindfase van Den Uyls leven, met Kok, Van Mierlo, De Gaay Fortman sr. en anderen. Het is kenmerkend. Terwijl Bleich een echte biografie schreef, vertelt Verkuil vooral een politiek-intellectueel verhaal.

Des te opmerkelijker zijn de zaken die hij op dat gebied niet vermeldt, terwijl dat wellicht wel had gemoeten. Zo was er destijds naar aanleiding van de publicatie van de biografie van Bleich veel ophef over de verondersteld extreemrechtse sympathieën die Den Uyl gekoesterd zou hebben. Hij flirtte bijvoorbeeld, even, met het Verdinaso, een Groot-Nederlandse fascistoïde organisatie. Het enige wat Verkuil in dit verband zegt, is dat Den Uyl ‘als vijftienjarige met het fascisme een zekere affiniteit (leek) te voelen’. Dat is minder dan Bleich vertelt en, zowel gezien de toenmalige ophef als de politiek-intellectuele sfeer waarin Den Uyl opgroeide, te weinig.

De meeste hoofdstukken van Verkuils boek zijn als samenvattingen van het politieke nieuws. En toen en toen. Elk van de levensfasen van Den Uyls politieke leven wordt volgens dit procédé beschreven: zijn werkzaamheid bij Vrij Nederland kort na de oorlog, zijn directoraat van de Wiardi Beckman Stichting, zijn politieke opkomst, politiek leiderschap, machtsstrijd met Nieuw Links, eerste kabinet, gedoe met de christendemocraten, kabinet met Van Agt, mislukte tweede kabinet en moeizame eindfase. In deze reeks zijn een paar scharnierpunten – en daaromtrent heeft het boek van Verkuil in enkele gevallen een voordeel boven dat van Bleich. Als een echte biografe volgt zij rücksichtslos de chronologie, Verkuil onderbreekt deze af en toe voor thematische hoofdstukken: over de onafhankelijkheid van Suriname, economische politiek, de Lockheed-affaire en de kapingen bij De Punt en in Bovensmilde. Maar wat hij in de hoofdstukken vervolgens vertelt, is toch niet meer of anders dan Bleich doet.

Het lijdt geen twijfel dat Joop den Uyl op alle gebied een opmerkelijk politicus was. In ieder geval in de beeldvorming betekende zijn kabinet (1973-1977) een keerpunt in de twintigste-eeuwse geschiedenis. Bij nader inzien komt dat niet zozeer door wat hij bereikte als wel door wat hij pretendeerde. ‘Van zijn maatschappijhervormende voornemens kwam niets terecht’, concludeert Verkuil ronduit. Bleich zegt hetzelfde op een andere manier en, kenmerkend voor het verschil tussen de twee biografieën, aardiger: dat het kabinet-Den Uyl op de grenzen van de maakbaarheid stuitte. Zowel Bleich als Verkuil noemt Den Uyl in de titel van hun boek het tegenovergestelde van een gematigde. De een spreekt van een doordouwer, de ander van een gedrevene. Bleich voegt hier nog een woordje aan toe: ‘dromer’. Verkuil doet dat niet maar legt wel zoveel klemtoon op Den Uyls denkbeelden dat hij dat net zo goed wel had kunnen doen. Een omschrijving als ‘man van vergezichten’, ‘utopist’ of ‘visionair’ had, naast ‘gedrevene’, in de titel van zijn boek niet misstaan. Want dat is de persoon die hij schetst: een gedreven visionair.

In verband met deze eigenschappen bezorgde een toevalligheid Verkuil een rode draad voor zijn levensverhaal: Den Uyl werd geboren op hetzelfde moment dat een van de grote voormannen van het Nederlands socialisme stierf – en dat ook nog op dezelfde plek: Hilversum 1919. Die voorman was Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Na hem en Troelstra werd het Nederlands socialisme in toenemende mate een politieke beweging waarin, à la Drees, het vergezicht plaatsmaakte voor praktisch resultaat. Den Uyl kon uiteindelijk niet anders dan deze lijn voortzetten, maar dat ging hem nogal eens contrecoeur.

Terecht dan ook dat Verkuil regelmatig de laatste woorden van zijn toespraken citeert. Ze gaan steeds weer in dezelfde, grootse trant: van de preek, niet van de (moderne) politiek. Grappig genoeg sluimert bij velen, ook bij Verkuil, een zekere nostalgie naar dergelijke woorden. ‘Den Uyl vertegenwoordigde als premier én als oppositieleider iets wat de pvda, links en de politiek in het algemeen in deze tijd missen’, schrijft hij daarom aan het eind van zijn boek. Daar zou hij best gelijk in kunnen hebben.


Lees ook: